Frits Hopman

Frits Hopman
Foto: niet bekend

Frits Hopman (1877-1932) werd in Amsterdam geboren aan de Leliegracht, waar zijn vader een behangselpapierwinkel had. Een voorvader van deze vader was de eerste ballonvaarder van Nederland. Hopman ging naar de HBS, maar werd er door zijn vader vanaf gehaald omdat hij geen huiswerk maakte. Hij tekende en schilderde veel en hield zich bezig met sterrenkunde. Later deed hij een zelfstudie Engels en slaagde voor Acte A. Pas acht jaar later slaagde hij ook voor Acte B en kon hij leraar worden, in Winterswijk.

Hopman was melancholiek en neigde naar depressiviteit. Samen met zijn vrouw sloot hij zich aan bij de theosofische Christian Science Movement in Engeland. Hij overleed na een langdurig ziekbed aan leukemie.

Tijdens zijn leven werd hij bekroond met de Prijs voor Meesterschap (1925) en de C.W. van der Hoogtprijs (1925, 1926). Hij schreef m.n. verhalen en vertaalde werk van Johan Huizinga.

Enkele citaten over Hopman:

‘Uit zijn gevoel van alleenheid en verlatenheid temidden dezer wereld der koude zintuiglijk-waarneembare dingen; en uit zijn heimwee en rusteloos zoeken naar wat als een schoon vermoeden is àchter die dingen, hijgt, jaagt en snakt naar de eindelijke ontdekking van een arcanum, naar iets dat wijding schenken kan en heiliging aan het als duldloos saai en ledig aangevoelde leven!’ (D.Th. Jaarsma, Den Gulden Winckel, 1918)

‘De stof voor zijn verhalen ontleende Hopman aan voorvallen en personen uit zijn directe omgeving. Voor een intimus is iedere persoon haast met een naam te beleggen van het model; in dit opzicht komt zijn neiging tot exacte wetenschappen, tot observeeren en nauwkeurig beschrijven voor den dag, die hem hielpen waar zijn begrensde fantasie hem in den steek liet. Het beste is hij dan ook daar, waar hij alleen de werkelijkheid observeerde en weergaf; zwakker dadelijk waar hij fantaseert en niet bijeenbehoorende stukken der werkelijkheid aaneenkit met fictie. Hier ligt ook wellicht het geheim van de betrekkelijk zwakke structuur van zijn grooter werk, zijn romans.’ (A.J. van Pesch, Levensbericht)

‘De plaats van Hopman in de literatuur aan te wijzen is niet gemakkelijk. Hij staat er ietwat buiten, zoals hij buiten het literaire leven stond. Er in meegeleefd heeft hij niet en hij waande zich reeds lang vergeten, toen juist de toenmalige jongeren zijn werk waardeerden. Toen ik hem daarop wees en eraan herinnerde, dat men voor Erts toch een bijdrage van hem gevraagd had, zei hij me: “Ja, dat heeft me zéér verbaasd.” Maar het heeft hem ook verheugd, wat ik aan zijn gelaatsuitdrukking zien kon.

Bij zijn dood heeft Bernard Verhoeven, een oud-leerling van Hopman te Arnhem, in De Maasbode hem herdacht en hem ‘een merkwaardig leeraar, die een diepen mysterieuzen indruk op zijn leerlingen maakte’ genoemd. Ook bij de begrafenis van Hopman op Oud Eik en Duinen in Den Haag bleek welk een liefde men voor hem voelde. Wat geen wonder was, want hij was een door en door eerlijk, meelevend mens. En daarvan zijn er helaas te wening in het leven.’ (G.H. ’s-Gravesande, Vergeten en gebleven, blz. 142)

Het leven was te veel voor deze bange, zwakke man die leed aan moordende zelfkwellerij. (Boudewijn Büch, NRC, 16-06-1983)

(Vrij naar Schrijversinfo.nl)

Verhalen van Frits Hopman op Carver: