Hilary Mantel

Hilary Mantel
Foto door Neil Turner

Hilary Mantel (Glossop, 1952) is een Engelse schrijfster van korte verhalen, memoires, essays en (historische) romans. Zij heeft twee keer de Man Booker Prize gewonnen, en trad daarmee in de voetsporen van J.M. Coetzee, Peter Carey en J.G. Farrell. De eerste keer in 2009 voor de roman Wolf Hall over de opkomst van Thomas Cromwell als machtigste persoon aan het hof van Hendrik VIII van Engeland, en vervolgens in 2012 voor Bring Up the Bodies, het tweede deel van de Cromwell-trilogie.

Samen met haar man woonde ze vijf jaar in Botswana en vier jaar in Jeddah, Saoedi-Arabië. Over deze periode schreef ze memoires voor de London Review of Books. In Botswana werd bij haar de ziekte endometriosis geconstateerd, waarvoor ze wordt behandeld met steroïden. Na haar terugkeer in Engeland was ze filmcriticus bij The Spectator (van 1987 tot 1991), en recensent voor verschillende kranten en tijdschriften in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. The New Yorker omschrijft haar werk als een mix van dood, berechting, hemel, hel en humor.

In het korte verhaal ‘De moord op Margaret Thatcher: 6 August 1983’ schetst ze een moordaanslag op Margaret Thatcher. In een interview met The Guardian uit september 2014 ging ze nader in op haar afkeer van de voormalige Britse premier. Thatcher-gezinden riepen op om Mantels uitspraken door de politie te laten onderzoeken.

Verhalen van Hilary Mantel op Carver: