P.G. Wodehouse -

Anselm krijgt zijn kans

Leestijd 16 - 20 min

De zomerse zondagmiddag liep op zijn eind. De schemering viel in het tuintje van De Rustende Hengelaar, en  daarbuiten ook trouwens, en de lucht was vol van de zoete geuren van jasmijn en tabaksplant. De sterren kwamen  een voor een tevoorschijn, en de merels zongen slaperig in de struiken. Vleermuizen zwenkten tussen de  schaduwen, en een zacht briesje deed af en toe de stokrozen wuiven. Het was, kortom, zoals een klant die was  binnengelopen voor een Gin-en-Tonic het zo treffend formuleerde, een mooie avond.

Toch hadden Mr. Mulliner en de anderen die zich hadden verzameld in de salon-bar van de herberg het gevoel dat er  iets ontbrak. Dat kwam doordat Miss Postlethwaite, die anders altijd zo nijver achter de tap stond, afwezig was. Het  duurde bijna drie kwartier eer zij arriveerde, en de jongen die zolang had bediend kon vervangen. De keurige kleding  die zij droeg en de vrome wijze waarop zij de bierpomp hanteerde maakten de situatie duidelijk.

‘Ah, u bent naar de kerk geweest,’ merkte een scherpzinnige Sherry-en-Angostura op.

Miss Postlethwaite zei Ja, dat was ze, en het was heel mooi geweest.

‘Echt prachtig, in alle opzichten,’ zei Miss Postlethwaite, terwijl ze een pint bitter tapte. ‘Ik hou toch zo van de  vespers aan het eind van een zomermiddag. Het doet je wat op de een of andere manier, als u begrijpt wat ik bedoel. Die kalme stilte en dat soort dingen.’

‘En de dominee heeft zeker zelf gepreekt, neem ik aan?’ zei Mr. Mulliner.

‘Ja,’ zei Miss Postlethwaite, en voegde eraan toe dat het bijzonder roerend was geweest.

Mr. Mulliner nipte bedachtzaam van zijn warme whisky met citroen.

‘Jaja, het oude liedje, hè,’ zei hij, met iets droevigs in zijn stem. ‘Ik weet niet of u dat beseft, heren, maar op het Engelse platteland preken de dominees altijd zelf tijdens de vespers in de zomer, en dat veroorzaakt veel sluimerend ongenoegen onder hun hulppredikanten. Het ergert die jonge kerels geweldig, en men kan hun gevoelens uitstekend begrijpen. Zoals Miss Postlethwaite terecht zegt, is er iets in de atmosfeer van een vesperdienst in een dorpskerk waardoor de aanwezigen bijzonder ontvankelijk zijn, en een predikant die onder die omstandigheden het woord voert kan bijna niet anders dan zijn gehoor weten te boeien en ontroeren. De hulppredikers, die daartoe niet de gelegenheid krijgen, voelen zich uiteraard het slachtoffer van een ijzeren monopolie, en beroofd van hun beste kansen.’

Een Whisky-met-Plons zei dat hij daar nu werkelijk nog nooit over had nagedacht.

‘In dat opzicht,’ zei Mr. Mulliner, ‘verschilt u dan van Anselm, de jongste zoon van mijn neef Rupert. Die dacht daar juist veel over na. Hij was hulppredikant in de parochie Rising Mattock in Hampshire, en als hij niet teder droomde over Myrtle Jellaby, het nichtje van Sir Leopold Jellaby, O.B.E., de plaatselijke kasteelheer, piekerde hij eigenlijk voortdurend over de autoritaire en egoïstische gewoonte van zijn dominee om van eind april tot ver in september de middagdiensten voor zich op te eisen. Hij heeft me wel eens verteld dat hij zich daardoor voelde als een gekooide leeuwerik.’

‘En waarom droomde hij teder over Myrtle Jellaby?’ vroeg een Half-om-Half, die nooit zo snel van begrip was.

‘Omdat hij van haar hield. En zij van hem. Ze had er zelfs mee ingestemd zijn vrouw te zullen worden.’

‘Ze waren dus verloofd?’ zei de Half-om-Half, die het begon te snappen.

‘Ja. In het geheim. Anselm durfde haar oom niet op de hoogte te stellen van de situatie, omdat hij niets anders had om een vrouw van te onderhouden dan zijn magere traktement. Hij vreesde de woede van de steenrijke filatelist.’

‘Steenrijke wat?’ vroeg een Kleintje-Bass.

‘Sir Leopold,’ legde Mr. Mulliner uit, ‘verzamelde postzegels.’

Het Kleintje-Bass zei dat hij altijd gedacht had dat een filatelist iemand was die goed was voor dieren.

‘Nee,’ zei Mr. Mulliner, ‘dat is een postzegelverzamelaar. Hoewel volgens mij filatelisten vaak ook heel goed zijn voor dieren, overigens. Sir Leopold Jellaby was sinds vele jaren een fanatiek verzamelaar, vanaf het moment dat hij zich had teruggetrokken uit het zakenleven in de Londense City. Zijn verzameling was wereldberoemd.’

‘En Anselm wilde hem dus niet vertellen over Myrtle,’ zei de Half om Half.

‘Nee. Zoals ik zeg: daartoe ontbrak hem de moed. In plaats daarvan was het zijn voorzichtige beleid om zo veel mogelijk onder de radar te blijven en er het beste van te hopen. En op een mooie zomerdag leek de gewenste goede afloop ook inderdaad gekomen. Toen Myrtle rond het tijdstip van het ontbijt bij de pastorie langsging, vond ze Anselm dansend rond de tafel, met in zijn ene hand een half opgegeten geroosterde boterham, en in de andere een brief. In die brief stond dat zijn peetoom, de onlangs overleden Mr. J.G. Beenstock hem een onverwachte erfenis had nagelaten – een dik album vol postzegels, dat nu naast het schaaltje met marmelade op zijn ontbijttafel lag.’

Het nieuws had haar gezicht doen opklaren (ging Mr. Mulliner verder). Als de nicht van een filatelist wist ze welke kostbaarheden zo’n album kon verbergen.

‘Wat is het waard?’ vroeg ze nieuwsgierig.

‘Ik begrijp dat het is verzekerd voor maar liefst vijfduizend pond.’

‘Gompie!‘

‘Dat mag je wel zeggen, gompie,’ vond Anselm ook.

‘Een lieve duit!’ zei Myrtle.

‘Heel lief,’ stemde Anselm met haar in, ‘allerliefst.’

‘Wees er maar voorzichtig mee. Niet laten slingeren. We zouden niet willen dat iemand dat album achteroverdrukt.’

Anselms godvruchtige gezicht vertrok even pijnlijk.

‘Je veronderstelt toch niet dat de dominee zoiets zou doen?’

‘Nee,’ zei Myrtle, ‘ik dacht meer aan Joe Beamish.’

Ze duidde op een schaapje uit Anselms kuddeke, dat ooit een toegewijd inbreker was geweest. Na zo’n zestien maal voor enige tijd achter de tralies te hebben gezeten, had hij uiteindelijk zijn roeping verloren. Hij kweekte nu groenten, en zong in het koor.

‘Joe heet dan teruggekeerd te zijn van de dwalingen zijns weegs, maar als je het mij vraagt heeft die oude vos nog niet al zijn streken verloren. Als hij te horen zou krijgen dat hier een postzegelverzameling van vijfduizend pond voor het grijpen ligt…’

‘Ik geloof nu toch dat je onze brave Joe onrecht aandoet, liefste. Maar goed, ik zal voorzorgsmaatregelen nemen. Ik zal het album opbergen in de bureaula van de dominee. Daar zit een stevig slot op. Maar ik dacht: voor ik dat doe, ga ik eerst even langs bij jouw oom. Wie weet wil hij wel een bod doen op deze verzameling.’

‘Goed idee,’ vond Myrtle. ‘Maar laat hem in dat geval stevig bloeden.’

‘Ik beloof je geen poging te sparen,’ zei Anselm.

Hij gaf Myrtle een liefdevolle kus, en ging op weg om zijn pastorale taken te verrichten.

Het was al tegen de avond eer hij tijd vond om Sir Leopold op te zoeken. Het gezicht van de vriendelijke oude landheer klaarde op toen hij hoorde waar Anselm voor kwam, vooral omdat hij begreep dat het ditmaal dus niet was om het een en ander los te peuteren voor het Orgelfonds. Hij ontspande en groette Anselm hartelijk.

‘Postzegels?’ zei hij. ‘Ja, ik sta altijd klaar om mijn verzameling uit te breiden, mits het waardevol is wat me wordt aangeboden, en de prijs een beetje schappelijk. Had je een bepaald bedrag in gedachten voor je collectie, mijn beste Mulliner?’

Anselm zei dat hij dacht aan iets in de buurt van de vijfduizend pond, en Sir Leopold huiverde van top tot teen, als een kat die midscheeps geraakt wordt door een halve baksteen. Hij had zijn hele leven al de grootste moeite gehad met het idee afstand te moeten doen van grotere geldbedragen.

‘O, zo?’ zei hij. Hij leek zich slechts met grote moeite weer enigszins te kunnen kalmeren. ‘Tja, laat me er dan maar eens even naar kijken.’

Tien minuten later sloeg hij het album weer dicht en keek Anselm medelijdend aan.

‘Ik ben bang dat je je op een vervelende mededeling zult moeten voorbereiden, mijn jongen,’ zei hij.

Een misselijkmakende ongerustheid maakte zich van Anselm meester.

‘Bedoelt u dat ze niet erg waardevol zijn?’

Sir Leopold legde de vingertoppen van beide handen zorgvuldig tegen elkaar en leunde achterover in zijn stoel op de pontificale manier die hij zich had eigengemaakt tijdens een loopbaan waarin hij voornamelijk vergaderingen van aandeelhouders placht voor te zitten.

‘De term “waardevol” is bijzonder relatief, mijn beste jongen. Voor sommige mensen is vijf pond een aanzienlijke som.’

‘Vijf pond!’

‘Dat is wat ik er voor zou willen geven. Of laten we zeggen, omdat je een persoonlijke vriend bent, tien.’

‘Maar ze zijn voor vijfduizend pond verzekerd!’

Sir Leopold schudde het hoofd met een mager glimlachje.

‘Mijn beste Mulliner, als jij de ijdelheid van de gemiddelde postzegelverzamelaar net zo goed kende als ik, dan zou jij daar niet zo raar van opkijken. Maar goed, ik wil je dus wel tien pond geven voor het hele zooitje. Denk er maar eens over na, dan hoor ik het nog wel van je.’

Met lood in de schoenen verliet Anselm de kamer. Zijn hoop was in duigen gevallen. Hij voelde zich als een man die illusies en dromen heeft nagejaagd waarvan er plotseling een zich heeft omgedraaid en in zijn been gebeten.

‘En?’ vroeg Myrtle, die het resultaat van de conferentie op de gang had afgewacht.

Anselm bracht haar het slechte nieuws. Ze was verbijsterd.

‘Maar jij zei tegen mij dat dat album verzekerd was voor…’

Anselm zuchtte.

‘Daar leek je oom weinig of geen belang aan te hechten. Het schijnt dat postzegelverzamelaars de gewoonte hebben hun collectie te verzekeren voor gigantische bedragen, alleen uit ijdelheid. Ik ben van plan,’ voegde Anselm er peinzend aan toe, ‘om binnenkort eens een pittige preek te wijden aan het onderwerp IJdelheid.’

Het bleef even stil.

‘Nou ja,’ zei Anselm, ‘dit soort dingen krijgen wij mensen ongetwijfeld te verduren als een beproeving van onze ziel. Wij kunnen dit soort slagen van het lot maar het beste geduldig en deemoedig trachten te verdragen…’

‘Geduldig en deemoedig verdragen? Op je neus!’ riep Myrtle uit, die als zo veel meisjes van vandaag-de-dag nogal losjes in de mond was. ‘Mooi niet dus! Hier gaan we wat aan doen.’

‘Maar wat dan?’ vroeg Anselm. ‘Ik zal niet ontkennen dat het een hele schok voor me was, en ik moet helaas zelfs toegeven dat ik een ogenblik sterk in de verleiding kwam een uitdrukking te gebruiken die ik onze roeicoach in Oxford wel eens heb horen bezigen tegenover onze Nummer Vijf die het onderlijf niet stil wist te houden bij het hanteren van zijn riem. Het zou heel verkeerd geweest zijn, maar het zou ongetwijfeld een zekere opluchting hebben geboden aan m…’

‘Ik heb het!’ riep Myrtle. ‘Joe Beamish!’

Anselm staarde haar aan.

‘Joe Beamish? Ik begrijp even niet wat je bedoelt, schat.’

‘Gebruik toch je kersenpit, knul, denk na. Weet je nog wat ik je verteld heb? We hoeven Joe alleen maar te laten weten waar die postzegels liggen, dan doet hij ongetwijfeld zelf de rest. En wij kunnen vijfduizend pietermannen gaan incasseren bij de verzekeringsmaatschappij.’

‘Maar Myrtle!’

‘Dat is toch lekker gauw verdiend?’ vroeg het enthousiaste kind. ‘Dan zitten we eindelijk goed. Kom op, loop meteen even naar de oude Joe.’

‘Maar Myrtle! Alsjeblieft, schei uit. Dat is toch verschrikkelijk, wat je zegt!’

Ze keek hem ongelovig aan. ‘Bedoel je nu dat je het niet doet?’

‘Nee! Onmogelijk! Ik pieker er niet over!’

‘Dus jij wilt Joe niet op het spoor zetten zodat hij alles als vanzelf in orde brengt?’

‘Absoluut niet! Volstrekt niet! Daar komt niets van in!’

‘Maar wat mankeert er dan aan mijn idee?’

‘Dat hele plan is ethisch volkomen onverantwoord.’

Ze zweeg. Even leek het alsof Myrtle haar ongenoegen zou gaan luchten in een woedende uitbarsting. Ze fronste haar wenkbrauwen en haalde driftig met haar linkervoet uit naar een passerende kever. Maar even later leek ze toch weer haar gevoelens te beheersen. Haar gezicht klaarde op, en ze glimlachte liefhebbend naar Anselm, als een moeder naar haar onwillige kind.

‘O, nou ja, jammer dan. Dan niet. – Waar ga je nu trouwens heen?’

‘Ik heb om zes uur een vergadering van de Moederclub.’

‘En ik,’ zei Myrtle, ‘moet nog een paar liter soep gaan brengen naar een stel deugdzame armen. Daar kan ik maar beter even mee opschieten. Je staat er versteld van hoeveel soep die types opslorpen. Het lijken wel sponzen.’

Ze liepen samen op tot aan het Dorpshuis. Daar ging Anselm naar binnen voor z’n Moederclub. Zodra hij uit het zicht was draaide Myrtle zich evenwel om en haastte zich naar het knusse huisje van Joe Beamish. Het geluid van een enthousiast ten gehore gebrachte Psalm toonde aan dat de bewoner thuis was, en Myrtle liep door het met kamperfoelie omrankte deurtje naar binnen.

‘Ha die Joe, ouwe rakker,’ zei ze. ‘Hoe is het met jou?’

Joe Beamish zat een sok te breien in zijn minuscule woonkamertje, dat in gelijke mate rook naar muizen, oud-inbrekers en zware shag. Toen ze naar zijn ruige trekken keek voelde Myrtle haar hart opspringen als dat van de dichter Wordsworth wanneer hij een regenboog zag aan de hemel. Zijn bekering had niet het uiterlijk veranderd van de gewezen ruitjesdrukker en regenpijpklimmer. Hij zag er nog altijd uit als het soort kerel voor wie de politie zorgvuldig zijn netten spant, en bij zijn aanblik kreeg Myrtle nadrukkelijk het gevoel dat de Oude Adam in hem nog niet gestorven was – waar zij zich ook allerminst in vergiste.

De eerste minuten van haar bezoek beperkte de conversatie zich tot algemene zaken als het weer, het breien van sokken, en muizen achter de lambrisering. Pas toen het gesprek kwam op de versiering van de kerk voor het naderende Oogstfeest – waaraan haar gastheer, zoals hij haar vertelde, twee fraaie kolen en een pompoen zou bijdragen – dat Myrtle kans zag een wat specifieker onderwerp ter sprake te brengen.

‘Daar zal Mr. Mulliner blij mee zijn,’ zei ze. ‘Hij is echt dol op het Oogstfeest.’

‘Grm,’ zei Joe Beamish. ‘Een goeie kerel, Mr. Mulliner.’

‘En een bofferd,’ zei Myrtle. ‘Heb je gehoord wat hem zopas is overkomen? De een of andere overleden Beenstock heeft hem vijfduizend pop nagelaten!’

‘Soeh! Echt waar?’

‘Nou ja, daar komt het wel op neer: een postzegelalbum dat vijfduizend pond waard is. Je weet hoe waardevol postzegels zijn. Joh, de verzameling van mijn oom is wel tien keer zo veel waard. Daarom heeft hij al dat inbraakalarm op het Kasteel,’ zei ze.

Er verscheen een ongelukkige uitdrukking op Joe Beamish’ gezicht.

‘Ja, dat weet ik, dat er een hoop inbraakalarm is op het Kasteel,’ zei hij.

‘Maar niet op de pastorie. En onder ons gezegd en gezwegen, Joe, daar maak ik me nogal zorgen over. Want weet je, daar bewaart Mr. Mulliner zijn postzegels.’

‘Grm,’ zei Joe Beamish, op bedachtzame toon deze keer.

‘Ik heb hem al een paar keer gezegd, dat hij ze in een kluisje bij de bank zou moeten bewaren.’

‘Waarom zeggie nou zulke malle dingen tegen hem?’

‘Dat is helemaal niet mal,’ zei Myrtle fel. ‘Dat is juist verstandig. Volgens mij liggen die postzegels daar niet veilig in een laatje van het bureau in de studeerkamer van de dominee, dat kamertje op de benedenverdieping, rechts van de voordeur, met die gammele tuindeuren die zo makkelijk open te krijgen zijn met een beitel of een schroevendraaier. Ze zijn natuurlijk wel op slot, maar ja, wat stelt zo’n slot nu helemaal voor? Ik heb ze eens bekeken, en dat zijn echt van die sloten die je met een haarspeld open kunt krijgen. Nee Joe, ik maak me daar echt zorgen over.’

Joe Beamish boog zich weer over zijn sok, en breide rechts en averechts enige tijd zwijgend door. Toen hij weer begon te praten, was het over kolen en pompoenen en vervolgens, want zijn gespreksstof was beperkt, over pompoenen en kool.

Voor Anselm Mulliner was het inmiddels een dag geworden vol spirituele kwelling. Op het moment dat Myrtle met haar plannetje was gekomen, had hem dat tot in zijn diepste wezen geschokt. Hij had zich niet zo volkomen ontdaan gevoeld sinds die avond dat hij Willie Purvis een bokslesje had gegeven op de Lad’s Club, en Willie hem door een ongelukkig toeval precies op het meest zere plekje had weten te treffen.

Wat hem gebleken was over het karakter van het meisje dat hij zijn onbevlekte en theologisch geschoolde hart had geschonken, had hem verbijsterd. Het leek hem dat Myrtle kennelijk geen besef had van het verschil tussen goed en kwaad. Nu zou hem dat wellicht niet zo veel hebben uitgemaakt wanneer hij een gangster of huurmoordenaar was geweest, en zij zijn aanstaande gangsterliefje, maar het was van groot belang voor iemand die een kerkelijke loopbaan zocht, en die een vrouw zou willen trouwen aan wie hij met een gerust hart het beheer van de parochiebijdragen, de opbrengst van de KerkBalans en het Orgelfonds zou kunnen overlaten. Hij vroeg zich af wat de profeet Jesaja te zeggen zou hebben gehad over haar werkwijze en beleid.

De hele middag en avond bleef hij erover piekeren. ’s Avonds tijdens het eten was hij zwijgzaam en afwezig.

Verzonken in zijn eigen gedachten, luisterde hij nauwelijks naar wat zijn grote Voorganger, de Eerw. Sidney Gooch, te zeggen had. Misschien was dat trouwens maar goed ook, want het was zaterdag en de dominee had de gewoonte om op zaterdagavond tijdens het diner nogal zwaar en langdurig in te gaan op het onderwerp van de preek die hij in petto had voor de volgende morgen. En vandaag voegde hij daar niet één maar meerdere keren aan toe dat hij er het volste vertrouwen in had, wanneer het tenminste een beetje goed weer bleef, zijn kuddeke eens stevig de oren te kunnen wassen. De Eerw. Sidney was een fraai voorbeeld van een waarlijk daadkrachtig christen, maar niet bijzonder tactvol.

Later op de avond echter werden Anselms overwegingen al wat milder. Wellicht had dat te maken met de uitstekende runderlapjes waarvan hij had mogen genieten, en het smakelijke glaasje bier waarmee hij ze had mogen wegspoelen, en hadden die zijn stemming wat gemoedelijker gemaakt. In elk geval, tijdens het sigaretje na het eten ontspande hij aanzienlijk, ook in zijn strenge houding tegenover Myrtles vrouwelijke zwakheid. Hij herinnerde zichzelf eraan dat in haar voordeel moest worden gezien dat zij niet hardnekkig was gebleven in de zonde, integendeel, meteen nadat hij zijn afkeur van haar financiële methodes had duidelijk gemaakt, had haar geweten gesproken, haar betere ik de overhand genomen, en had zij afgezien van haar dubieuze plannen. Dat was heel wat.

Weer gelukkig ging hij naar bed, en na zich een halfuurtje in een goed boek te hebben verdiept, deed hij het licht uit en viel in een verfrissende slaap.

Het was echter alsof hij nog maar nauwelijks de ogen gesloten had, toen hij door een luid lawaai weer werd gewekt. Hij ging rechtop zitten, en luisterde. Het was alsof er op de benedenverdieping een vechtpartij was losgebroken. Zijn topografische kennis van de pastorie leerde hem dat het lawaai afkomstig was uit de studeerkamer. Haastig trok hij zijn kamerjas aan en spoedde zich derwaarts.

De kamer lag in het donker, maar hij had het lichtknopje snel te pakken, en zodra de lamp aansprong zag hij dat het vreemde, kreunende geluid dat hem begroet had, geproduceerd werd door de Eerw. Sidney Gooch. De dominee zat op de vloer, met een hand tegen zijn linkeroog.

‘Een inbreker!’ zei hij, terwijl hij opstond. ‘Een gruwelijke schurk van een inbreker.’

‘Hij heeft u verwond, vrees ik,’ zei Anselm medelijdend.

‘Natuurlijk heeft hij me verwond,’ zei de Eerw. Sidney, een beetje nijdig. ‘Zal iemand vuur in zijn boezem nemen, dat zijn klederen niet verbrand worden? Spreuken 6, vers 27. Ik hoorde een geluid, kwam naar beneden en greep die kerel vast, maar hij gaf me zo’n harde klap op mijn oog, dat ik hem los moest laten, en toen is hij er via het raam vandoor gegaan. Wees zo vriendelijk, Mulliner, en kijk eens even of hij ook iets heeft meegenomen. Er lagen wat uitgeschreven preken in die la, die ik niet graag kwijt zou zijn.’

Anselm stond achter het bureau. Het duurde even voor hij zijn stem onder controle had.

‘Het enige dat verdwenen lijkt te zijn,’ zei hij tenslotte, ‘is een postzegelalbum, dat mijn eigendom is.’

‘Maar de preken liggen er nog?’

‘Jawel.’

‘Bitter,’ zei de dominee. ‘Heel bitter.’

‘Pardon?’ zei Anselm.

Hij draaide zich om. De zielenherder stond voor de spiegel en bekeek zichzelf met spijtige blik.

‘Bitter,’ zei hij nog eens. ‘Ik dacht aan de preek,’ legde hij uit, ‘die ik morgen had willen uitspreken tijdens de vespers. Een echte klapper, Mulliner, echt wat je noemt een keiharde hit. Ik overdrijf niet als ik zeg, dat ik de banken onder ze kapot zou hebben gepreekt. Maar ja, die droom is even voorbij. Ik kan onmogelijk op de preekstoel verschijnen met zo’n kanjer van een blauw oog. Dat zou hele verkeerde ideeën wekken in de koppen van mijn schaapjes – in plattelandsparochies als deze denken ze altijd meteen foute dingen bij dit soort verwondingen. Ik blijf morgen in mijn bed met een lichte verkoudheid, Mulliner, en jij zult zowel de ochtend- als de middagdienst moeten houden. Bitter!’ zei de Eerw. Sidney Gooch. ‘Bitter!’

Anselm zweeg. Zijn hart was te vol voor woorden.

In Anselms houding en gedrag de volgende morgen was niets te bespeuren van de maalstroom aan ziedende emoties die woedde in zijn ziel. De meeste jonge hulppredikanten die onverwacht op een zomerse zondagnamiddag mogen preken tijdens de vesperdienst doen sterk denken aan honden die eindelijk eens los mogen lopen. Ze springen. Ze stuiteren. Ze zingen flarden van de speelsere psalmen. Ze rennen rond en roepen ‘Goede morgen, goede morgen’ tegen iedereen en aaien kindertjes over hun bol. Zo niet onze Anselm. Hij wist dat hij alleen door zijn gespannen zenuwen zorgvuldig te beheersen in topvorm zou kunnen zijn als het grote moment straks werkelijk daar was.

De gelovigen die nog wakker waren tijdens de latere stadia van de bijeenkomst, vonden Anselms preek tijdens de ochtenddienst nogal kleurloos en mat. Dat was hij ook. Anselm wilde geen welbespraaktheid verknoeien aan een ochtendpreek. Hij hield zich opzettelijk in, om alles te kunnen concentreren op de toespraak die hij die avond zou houden.

Hij had hem al maanden klaarliggen. Iedere hulppredikant op het Engelse platteland bewaart wel ergens tussen zijn spulletjes een speciale preek, om te zorgen dat hij er klaar voor is, in het geval dat er ooit een beroep op hem mocht worden gedaan om te preken tijdens de vesperdienst in de zomer. En de hele middag sloot hij zich bovendien op in zijn kamer om er aan te werken. Hij schaafde. Hij polijstte. Hij doorzocht het Groot Synoniemenboek om het scherpste, het meest beeldende bijvoeglijk naamwoord te vinden. Tegen de tijd dat de kerkklokken in het stille avondgloren begonnen te luiden over de bossen en velden van Rising Mattock, was zijn meesterwerk geperfectioneerd tot aan de laatste komma.

Anselm Mulliner voelde zich meer als een vulkaan dan als een hulppredikant toen hij de velletjes van zijn tekst zorgvuldig samenvouwde en op weg ging.

De omstandigheden hadden niet gelukkiger kunnen zijn. Toen het laatste gezang voor de preek verklonk was de schemering behoorlijk gevorderd en de avondlijke geur van bomen en bloemen stroomde door de deur van het kerkje naar binnen. De stilte heerste overal, met in de verte slechts het getinkel van schapenbelletjes en het slaperig gekraai van roeken in de olmen. Vol rustig vertrouwen beklom Anselm het trapje van de preekstoel. Hij had de hele dag keelpastilles gesabbeld en tijdens het eerste gedeelte van de dienst voortdurend zachtjes ‘Mi-mi-mi’ gedaan. Hij wist dat hij uitstekend bij stem zou zijn.

Een ogenblikje bleef hij stil staan en keek om zich heen. Hij was verheugd om te zien dat hij voor een uitverkocht huis zou staan. Alle banken waren bezet. Daarginds in de herenbank met de hoge rug zat Sir Leopold Jellaby, O.B.E., met Myrtle naast zich. Daar, tussen de andere zangers van het koor, niet om aan te zien in zijn superplie, zat Joe Beamish. En daar, ieder op hun plaats, zaten edelman, bedelman, schutter, majoor en alle anderen leden van de gemeente. Met een zucht van extase schraapte Anselm zijn keel en begon aan zijn exposé over Naastenliefde.

Ik heb het voorrecht gehad (zei Mr. Mulliner) om de tekst te mogen lezen van Anselms preek en ik kan daarom goed begrijpen wat een extreem krachtig effect die gehad moet hebben. Zelfs op papier, zonder de toegevoegde bekoring van zijn ferme en welluidende tenor, is helder in te zien welke betoverende kracht ervan moet zijn uitgegaan.

Na een diepzinnige uiteenzetting over Naastenliefde bij de Hivieten en Hittieten, behandelde hij de Vroege Britten, de middeleeuwen en de belangwekkende tijden van Koningin Elisabeth I, om ten slotte toe te komen aan onze moderne tijd. En het was bij dat tijdperk dat Anselm Mulliner zich werkelijk goed op dreef toonde. Daar bereikte hij het moment waarop hij, als ik die uitdrukking – in zijn beste en meest eerbiedige betekenis – mag gebruiken zijn voet op het gaspedaal zette en hem eens stevig op zijn staart trapte.

In ernstige bewoordingen, maar hier en daar niet zonder hevige emotie, sprak hij over onze menselijke plichten ten opzichte van elkaar, over de taak die voor ons allen gereed ligt deze wereld tot een beter en aangenamer verblijf te maken voor ieder van onze medemensen, over de vreugd die degene wacht die niet enkel aan zichzelf denkt, maar iedere vezel inspant om goed te doen tot nut van het algemeen. En met iedere gulden frase die van zijn lippen rolde wist hij zijn gehoor verder te boeien. Winkeliers die hadden zitten dommelen werden wakker en luisterden met open mond. Vrouwen wreven met hun zakdoek hun ogen droog. Koorknapen die zuurtjes hadden zitten sabbelen slikten die berouwvol door en hielden eindelijk hun voeten stil.

Zelfs tijdens een ochtenddienst zou een preek als deze een doorslaand succes zijn geweest. Maar in de avondschemering met alle stimulerende genoeglijkheden van dien, was het een kraker, een absolute hit.

Anselm kon zich niet direct na afloop van de plechtigheid losscheuren uit de menigte van bewonderaars die zich rond hem had verzameld in de sacristie. Er waren ouderlingen die hem de hand wilden schudden en andere ouderlingen die hem beslist op de schouder wilden slaan. Er was er zelfs een die om zijn handtekening vroeg. Maar uiteindelijk wist hij zichzelf glimlachend te bevrijden en ging hij op weg naar de pastorie. Nauwelijks was hij het hekje van de tuin gepasseerd of uit de geurige duisternis schoot iets tevoorschijn en vloog Myrtle Jellaby hem in de armen.

‘Anselm!’ riep ze uit. ‘Mijn wonderman! Hoe krijg je het voor elkaar? Zo’n geweldige preek heb ik van mijn leven nog niet gehoord!’

‘Denk je dat het wel een beetje overgekomen is?’ vroeg Anselm bescheiden.

‘Het was meesterlijk! Grandioos! Als jij een gemeente vermaant, vermaan je haar voor eens en altijd! Hoe jij dat allemaal verzint gaat mijn verstand te boven.’

‘Ach, dat gaat vanzelf.’

‘En wat ik trouwens ook niet begrijp, is waarom jij überhaupt vanavond mocht preken. Jij had toch gezegd dat de dominee dat altijd zelf doet?‘

‘De dominee,’ begon Anselm, ‘heeft een klein…’ Maar toen schoot hem plotseling te binnen dat hij in alle opwinding rond zijn vesperpreek helemaal vergeten was om Myrtle te vertellen van die andere belangrijke gebeurtenis, de diefstal van het postzegelalbum.

‘Er is gisteravond iets heel eigenaardigs gebeurd, liefste,’ zei hij. ‘Er is ingebroken in de pastorie.’

Myrtle keek verbaasd.

‘Echt waar?’

‘Ja. Een of andere schurk is door het raam van de studeerkamer naar binnen gekomen.’

‘Nou zeg, dat is me ook wat! En heeft-ie iets meegenomen?’

‘Hij heeft mijn postzegelalbum gestolen.’

Myrtle slaakte een opgewonden kreetje.

‘Maar dan gaan wij incasseren!’

Anselm gaf niet direct antwoord.

‘Dat vraag ik mij af.’

‘Hoe bedoel je, dat vraag je je af? Natuurlijk gaan wij incasseren. Je moet meteen je claim indienen bij de verzekering!’

‘Maar heb je daar wel goed over nagedacht, liefste? Mag ik wel doen wat jij daar voorstelt?’

‘Natuurlijk wel. Waarom niet?’

‘Dat lijkt me nogal vanzelfsprekend. Wij weten immers dat die verzameling waardeloos is. Ik kan toch niet met recht van die firma – De Associatie tot Nut en Bijstand voor Londen en Omliggende Provincies heet die trouwens – verlangen dat ze mij vijfduizend pond uitbetalen voor een album vol postzegels die niets waard zijn?’

‘Natuurlijk kun je dat wel. Wijlen de oude Beenstock heeft toch altijd premie betaald, of niet soms?’

‘Dat is waar. Ja, dat was ik even vergeten.’

‘Het maakt niet uit of dat album iets waard is of niet. Het gaat erom waar het voor verzekerd is. En die jongens van de Onderlinge Nut en Bijstand worden er heus niet minder van om een keer te moeten dokken. Het is gewoon een schande zo veel geld als die verzekeringsmaatschappijen hebben liggen. Dat kan echt niet goed voor ze zijn, als je het mij vraagt.’

Daar had Anselm nog nooit aan gedacht. Nu hij eens stilstond bij het punt, leek het hem dat Myrtle, met haar vrouwelijke intuïtie, het bij het rechte eind had. Was er niet inderdaad, vroeg hij zich af, veel te zeggen voor haar theorie dat verzekeringsmaatschappijen over veel te veel geld beschikten en dat zij betere, onthechter en spiritueler verzekeringsmaatschappijen zouden kunnen worden wanneer er zo af en toe iemand langskwam die hen van een beetje van dat geld ontlastte? Dat was ongetwijfeld het geval. Hij twijfelde niet langer. Hij zag nu in dat het niet alleen een genoegen, maar ook een plicht was om de Associatie tot Nut en Bijstand voor Londen en Omliggende Provincies vijfduizend pond lichter te maken. Het zou wel eens een omslagpunt kunnen blijken te zijn in het leven van de Raad van Commissarissen.

‘Je hebt gelijk,’ zei hij. ‘Ik zal een claim indienen.’

‘Goe-je-knul! En zodra we die vijf mille gevangen hebben, gaan we trouwen.’

‘Myrtle!’

‘Anselm!’

‘Meheer,’ zei de stem van Joe Beamish naast hen, ‘zou ik u effe kenne spreke?’

Ze lieten elkaar geschrokken los en staarden de man onnozel aan.

‘Meheer,’ zei Joe Beamish, en het was duidelijk te horen aan de dikke keel waarmee hij sprak, dat hij door een hevige emotie werd beheerst, ‘kwillu bedanken, meheer, voor die ftastische preek van u. Echt een té gekke preek.’

Anselm glimlachte. Hij had zich hersteld van de schok die de onverwachte stem uit het duister aanvankelijk teweeg had gebracht. Het bleef vervelend natuurlijk om te worden gestoord op een moment als dit maar, vond hij, een mens moet altijd beleefd blijven tegen zijn fans. Dit soort dingen zou hij trouwens in de toekomst waarschijnlijk veel vaker kunnen verwachten.

‘Het verheugt me dat mijn bescheiden prestatie een dergelijke lofprijzing te beurt valt.’

‘Tsegtie?’

‘Hij zegt dat hij blij is dat je het mooi vond,’ zei Myrtle een tikje geërgerd. Ze voelde zich niet op haar hartelijkst. Een meisje dat zich juist heeft genesteld in de armen van de man die zij liefheeft, vindt het niet fijn als er dan opeens inbrekers vlak naast haar opduiken.

‘Hmpf,’ zei Joe Beamish, begrijpend. ‘Ja meheer, dat was nog ’s een preek! Echt wat je noemt een toffe preek.’

‘Dank je, Joe, dank je. Fijn om te weten dat het je goed heeft gedaan.’

‘Dat klopt, meheer, dat ’t me goed heb gedaan. Ik heb preken gehoord in Pentonville, ik heb preken gehoord in Wormwood Scrubs en ik heb preken gehoord in Dartmoor, en dat waren goeie preken ook, maar van alle preken die ik ooit heb gehoord waster geeneen die kon tippen an die preek van u. Echt klasse, echt…’

‘Joe,’ zei Myrtle.

‘Ja, dame?’

‘Taai af!’

‘Sorry, dame?’

‘Ophoepelen! Nokken! Wegwezen! Je ziet toch wel dat we je kunnen missen als kiespijn? Wij zijn bezig.’

‘Maar liefje,’ zei Anselm, met licht verwijt in zijn stem, ‘klinkt dat nu niet wat al te gebiedend? Ik zou niet willen dat de brave kerel…’

‘Hmpf,’ onderbrak Joe Beamish hem, met een lichte suggestie van ternauwernood weerhouden tranen in zijn stem, ‘dat is het nou juist, meheer. Ik bén geen brave kerel. Daar heppu, azzu me niet kwalijk neemt daddik het zeg, het helemaal mis. Ik ben een zondaar, een boosdoener, een onverbeterlijke boef en…’

‘Joe,’ zei Myrtle, met een dreigende kilte in haar stem, ‘als jij straks een blauw oog hebt, of een bloedneus, dan moet je wel bedenken, dat je er zelf om hebt gevraagd. En dat geldt ook voor de buil op je lelijke hoofd ter grootte van een ei ten gevolge van een onzachte ontmoeting met de knop van mijn parasol. Maak jij nou wel of niet dat je wegkomt?’ vroeg ze, en greep het genoemde slagwapen steviger vast.

‘Dame,’ zei Joe Beamish, niet zonder een zekere primitieve waardigheid, ‘zo gauw ik heb gedaan waarvoor ik ben gekommen, gaan ik weer. Maar eerst mot ik doen waarvoor ik ben gekommen. En waar ik voor ben gekommen is het deemoedig en berouwvol teruggeven van dit postzegelalbum dat ik vannacht heb gejat, toen ik nog geen benul had dat ik vandaag zo’n prachtige preek zou horen, en dat ik het licht zou zien. Maar nou ik die prachtige preek heb gehoord en het licht heb gezien, doen ik met groot genoegen wat ik voor gekommen ben om te doen.’ En met die plechtige woorden overhandigde Joe Beamish de postzegelverzameling van wijlen J.G. Beenstock aan Anselm.

‘Dame… Meheer… Ik hoop dat u net zo gesticht ben as ik op dit moment, en dan gaan ik maar.’

‘Stop!’ riep Anselm.

‘Hmpf?’

Anselms gezicht was wonderlijk vertrokken. Hij sprak met moeite.

‘Joe…’

‘Ja, meheer?’

‘Joe… Ik zou graag… Ik zou het fijn vinden… Ik zou het echt erg op prijs stellen… Kortom, hou jij maar alsjeblieft dit postzegelalbum, Joe.’

De inbreker schudde zijn hoofd.

‘Nee, meheer, daar ken ik niet an beginnen. As ik denk an die ftastische preek en al die geweldige dingen die u heb gezegd in die ftastische preek over de Hivieten en de Hittieten en over goed zijn voor je naasten en over het verspreiden van liefde en geluk over gans de aarde, dan ken ik geen albums gaan lopen houden waar ik an ben gekommen door andere mensen hun tuindeuren te forceren vanwege dat ik nog niet het licht had gezien. Het is niet van mijn, dat album niet, en ik geef het heel graag an u trug met deze woorden. Dag meheer. Dag dame. Dag samen. Ik gaan.’

Zijn voetstappen stierven weg en in de stille tuin was er niemand die sprak. Anselm en Myrtle waren allebei bezig met hun eigen gedachten. Anselms gedachten werden voornamelijk beheerst door die kernachtige en realistische uitspraak van zijn roeicoach in Oxford bij de aanblik van het slecht gedisciplineerde onderlijf van Nummer Vijf, terwijl Myrtle inmiddels haar best deed niet hardop de ruwe vertaling te geven van wat ze een Franse taxichauffeur eens tegen een gendarme had horen zeggen in de dagen dat ze in Parijs de Vormingsklas volgde.

Anselm was de eerste die de stilte doorbrak.

‘Liefste,’ zei hij, ‘hier moeten wij het even over hebben. Ik geloof dat we in dezen weinig zullen bereiken zonder goed plan en zonder even rond de tafel te gaan zitten. Laten we naar binnen gaan en de zaak zo rustig mogelijk nog eens samen doornemen.’

Hij liep voor haar uit naar de studeerkamer en ging een beetje treurig zitten, met zijn hoofd in zijn handen. Er ontsnapte hem een diepe zucht.

‘Nu begrijp ik,’ zei hij, ‘waarom hulppredikanten tijdens de zomer niet op zondagavond mogen preken. Dat is niet veilig. Dat is alsof je een bom laat afgaan in de openbare ruimte. De bestaande verhoudingen worden er op gewelddadige wijze door verstoord. Als ik bedenk dat wanneer onze brave dominee in staat was geweest om vanavond zelf te preken in de vesperdienst zodat deze vreselijke dingen niet gebeurd zouden zijn, zou ik willen zeggen met de woorden van de profeet Hosea tegen de kinderen van Adullam…’

‘Laat die profeet Hosea maar even rusten, en die kinderen van Adullam mogen nog wel even blijven spelen,’ viel Myrtle hem in de rede. ‘Zeg me maar liever wat we hieraan gaan doen.’

Anselm zuchtte opnieuw.

‘Helaas, lieveling, ik zou het niet weten. Ik neem aan dat het niet langer haalbaar is om een claim in te dienen bij de Associatie tot Nut en Bijstand voor Londen en Omliggende Provincies.’

‘Dus die vijfduizend glanzende pietermannen zijn we kwijt?’

Anselm trok een grimas. De rimpels in zijn afgetobd gezicht verdiepten zich nog.

‘Het is niet prettig om bij stil te staan, dat is waar. Ik zag dat bedrag als een smakelijk appeltje voor de dorst. Ik had het graag veilig op de bank gezet, om het later te kunnen omzetten in waardepapieren met een sappige rente. Ik moet toegeven dat ik niet zo erg blij ben met die Joe Beamish.’

‘Van mij mag hij stikken.’

‘Zo ver zou ik niet willen gaan, liefste,’ zei Anselm, in liefdevolle berisping. ‘Maar ik moet toegeven dat als ik te horen zou krijgen dat hij over een losse schoenveter was gestruikeld en zijn enkel had verstuikt ik daar – naar recht en reden – niet rouwig om zou zijn. Ik keur zijn tactloze impulsiviteit ten zeerste af. Bemoeizuchtig en indiscreet zijn woorden die daarbij spontaan in mij opwellen.’

Myrtle peinsde nog wat.

‘Luister,’ zei ze. ‘Waarom halen wij niet gewoon een grapje uit met die Londense en Omliggende figuren? Waarom zouden we ze moeten vertellen dat jij die postzegels weer terug hebt? Waarom niet gewoon het zo laten en dat formulier invullen en hun cheque in de binnenzak steken? Dat zou toch lachen zijn?’

Dit was de tweede keer in twee dagen, bedacht Anselm, dat hij zijn teerbeminde met enige achterdocht moest bekijken. Maar, bedacht hij ook, haar enigszins onconventionele manier om naar de wereld te kijken was haar nauwelijks kwalijk te nemen. Als de nicht van een vooraanstaand man in de financiële wereld was het misschien te verwachten dat ze er wat bizarre gezichtspunten op nahield. Haar vroegste herinneringen bestonden er ongetwijfeld uit dat ze naar beneden kwam voor het dessert en dan haar ouders bij de wijn en noten bezig hoorde een of ander nieuw plan te bedenken om investeerders geld uit de zak te kloppen.

Hij schudde zijn hoofd.

‘Ik vrees dat ik een dergelijke handelwijze niet voor mijn verantwoording kan nemen. Het lijkt me, en ik wil je gevoelens daarmee absoluut niet kwetsen, liefste, maar het lijkt me toch dat er iets bijna oneerlijks in jouw voorstel besloten ligt. En bovendien,’ voegde hij eraan toe, ‘toen Joe Beamish dat album teruggaf, was dat in de aanwezigheid van getuigen.’

‘Getuigen?’

‘Ja, liefste. Toen we het huis binnengingen zag ik in de tuin een schimmige figuur. Wie het was kon ik niet onderscheiden, maar het staat wel vast dat die persoon, wie het ook was, alles heeft kunnen horen.’

‘Weet je dat zeker?’

‘Heel zeker. Hij stond onder die ceder, ruimschoots binnen gehoorsafstand. En zoals je weet bezit onze brave Beamish een luide en verdragende stem.’

Hij zweeg. Niet in staat om haar opgekropte gevoelens nog langer te beheersen, had Myrtle Jellaby nu toch hardop de woorden geciteerd die de taxichauffeur tegen de gendarme had gesproken, en dat was het soort woorden waardoor ook een meer door de wol geverfde hulppredikant dan Anselm wel enige tijd sprakeloos zou hebben gestaan. Er volgde een schrijnende stilte. En tijdens die stilte werden hun oren getroffen door een wonderlijk geluid vanuit de tuin.

‘Stil, wat is dat?’ vroeg Myrtle.

Ze luisterden. Wat ze hoorden was onmiskenbaar het geluid van iemand die snikte.

‘Een medemens in nood,’ zei Anselm.

‘Godzijdank,’ zei Myrtle.

‘Moeten we daar niet heen lopen om vast te stellen wie de ongelukkige is?’

‘Ja, laten we dat vooral doen,’ zei Myrtle. ‘Ik heb zo‘n idee dat het Joe Beamish wel eens kan zijn. En wat ik die aan ga doen met mijn parasol, dat wil je niet weten.’

De wenende was echter niet Joe Beamish, die inmiddels allang in de Vrolijke Sprinkhaan zat. Anselm was bijziende en wist de duistere figuur die onstuimig snikkend tegen de stam van de ceder leunde niet te herkennen, maar Myrtle met haar scherpe oog uitte een kreet van verrassing.

‘Oom!’

‘Oom?’ vroeg Anselm verbaasd.

‘Het is oom Leopold.’

‘Ja,’ zei de Officier van het Britse Rijk, zijn tranen bedwingend, terwijl hij onder de boom vandaan kwam. ‘Ik ben het. En is dat Mulliner die daar naast je staat, Myrtle?’

‘Ja.’

‘Mulliner,’ zei Sir Leopold Jellaby, ‘jij treft mij hier in tranen aan. En zal ik je zeggen waarom jij mij hier in tranen aantreft, mijn beste Mulliner? Dat is omdat ik nog altijd zo diep onder de indruk ben van die prachtige preek van jou over Naastenliefde en over de plichten die wij hebben tegenover onze medemens.’

Anselm begon zich af te vragen of er ooit wel eens een hulppredikant zulke goede kritieken had gekregen als hijzelf.

‘O, dank u wel zeg,’ zei hij, verlegen met de voeten schuifelend. ‘Heel fijn om te horen dat u het wel wat vond.’

‘“Wel wat vond”’ is erg zwak uitgedrukt, Mulliner. Die preek heeft mijn hele blik op de wereld veranderd. Die heeft een ander mens van mij gemaakt. Ik vroeg mij af, Mulliner, of jij misschien pen en inkt in huis had.’

‘Pen en inkt?’

‘Precies. Ik wil namelijk een cheque voor je uitschrijven van tienduizend pond voor die postzegelverzameling van jou.’

‘Tienduizend pond?!’

‘Komt u binnen,’ zei Myrtle. ‘Komt u alstublieft binnen.’

‘Zie je,’ zei Sir Leopold, terwijl hij de studeerkamer werd binnengeleid, overstelpt met belangstellende vragen of hij een pen met een brede punt dan wel met een smalle punt wenste te gebruiken en dergelijke, ‘toen je me gisteren die postzegels liet zien, zag ik meteen hoe waardevol ze waren – je zou er overal zó vijfduizend pond voor kunnen krijgen –, dus natuurlijk zei ik tegen je dat ze niets waard waren. Dat hoort bij de normale, vanzelfsprekende voorzorgsmaatregelen die een mens in zaken nu eenmaal neemt. Een van de eerste dingen die ik mij kan herinneren dat mijn vader tegen mij zei toen ik op een leeftijd kwam om de strijd met de grote wereld aan te gaan, was ‘Je moet een sukkel nooit een eerlijke kans geven’ en daar heb ik mij tot nog toe altijd aan proberen te houden. Maar die preek van jou vanavond heeft mij doen inzien dat er nog iets hogers en edelers bestaat dan de ethische normen van het zakenleven. Zal ik die cheque betaalbaar maken via jouw bank?’

‘Alstublieft.’

‘Nee,’ zei Myrtle, ‘maakt u er maar een open cheque van.’

‘Zoals je wilt, beste kind. Jij toont een bijzondere belangstelling in deze kwestie,’ zei de vriendelijke oude edelman, schalks glimlachend ondanks zijn tranen, ‘mag ik daaruit opmaken…?’

‘Ik hou van Anselm. Wij zijn verloofd.’

‘Mulliner! Is het werkelijk waar?’

‘Eh – ja,’ zei Anselm. ‘Ik had u dat al eens willen vertellen.’

Sir Leopold klopte hem op de schouder.

‘Ik zou geen betere echtgenoot voor haar kunnen bedenken. Alsjeblieft. Hier heb je je cheque, Mulliner. Die verzameling is, zoals ik zeg, vijfduizend pond waard, maar na die preek van jou geef ik er met liefde tienduizend voor – met liefde!’

Als in een droom nam Anselm het langwerpige papiertje van hem aan en borg het in zijn zak. En zwijgend overhandigde hij Sir Leopold het album.

‘Dank je,’ zei die laatste. ‘En nu, mijn beste kerel, vrees ik dat ik je een schone zakdoek te leen zal moeten vragen, want de mijne is, zoals je ziet, volledig doorweekt.’

Terwijl Anselm op zijn kamer in de la met zakdoeken rommelde hoorde hij een zachte voetstap achter zich. Het was Myrtle die op de drempel stond. Ze legde een vinger op haar lippen.

‘Anselm,’ fluisterde ze, ‘heb je even een vulpen voor me?’

‘Maar natuurlijk, liefste. In deze la moet er een liggen. Ja daar is-ie. Wilde je iets schrijven?’

‘Nee, ik wil dat jij iets schrijft. Zet nu meteen je handtekening op die cheque en geef hem aan mij, dan rij ik vannacht nog naar Londen in mijn two-seater, zodat ik bij de bank kan zijn zodra hij opengaat om die cheque te innen. Ik ken mijn oom Leopold namelijk erg goed. Hij zou het best wel eens in zijn hoofd kunnen krijgen, als hij er nog eens een nachtje over heeft geslapen en die preek van jou een beetje is uitgewerkt, om zijn bank op te bellen en uitbetaling van die cheque tegen te houden. Je weet welke zakelijke normen hij erop nahoudt, en op deze manier kunnen we alle gedonderstraal voorkomen.’

Anselm kuste haar liefdevol.

‘Jij denkt toch ook overal aan, liefste,’ zei hij. ‘En je hebt groot gelijk: als een mens ook maar íéts wil voorkomen in het leven, nietwaar, dan is het gedonderstraal.’

Dit verhaal is afkomstig uit de bundel 'Mr. Mulliners sterkste verhalen', uit het Engels door Leonard Beuger en half oktober verschenen bij uitgeverij IJzer. Het verhaal is hier eveneens te beluisteren, voorgelezen door de vertaler. 'Anselm krijgt zijn kans' verscheen voor het eerst in de bundel Eggs, Beans and Crumpets uit 1940.

P.G. Wodehouse

P.G. Wodehouse (1881-1975) schreef zo’n honderd romans, verhalenbundels en talloze korte verhalen. In zijn werk nam hij het Victoriaanse en Edwardiaanse Engeland vaak op de hak. Wodehouse putte bij al zijn verhalen uit ervaringen uit eigen kennissenkring en zijn leven in Londen en Hollywood. Vooral in Groot-Brittannië wordt P.G. Wodehouse nog steeds veel gelezen. Maar ook Nederland heeft zijn eigen P.G. Wodehouse Society. De vereniging komt een paar keer per jaar bij elkaar in Mulliner’s Wijnlokaal in Amsterdam.

Mr. Mulliner is een van de terugkerende karakters in het werk van Wodehouse. Hij is een kampioen in het vertellen van sterke verhalen. Zijn decor is zijn stamkroeg: de bar van herberg De Rustende Hengelaar. Wie er binnenkomt, wordt meegezogen in de sprankelende avonturen van zijn vloedgolf aan neven en verre familieleden. Of het nu gaat over liefde, golf, Hollywood, geld, bedrog, beleggingen, Mr. Mulliner heeft overal een verhaal over klaar. Zijn sterkste verhalen zijn gebundeld in ‘Mr. Mulliners sterkste verhalen‘.