Witold Gombrowicz -

De danser van Mr. Kraykowski

Leestijd 21 - 29 min

Artwork: Tom Abbiss Smith

Voor de vierendertigste keer al wilde ik de opvoering van de operette Die Csárdásfürstin bijwonen, en omdat de tijd drong, omzeilde ik de wachtende rij en richtte me direct tot de caissière: ‘Ach mevrouw, geeft u me gauw één galerij, zoals altijd’ – toen iemand achter mij me bij mijn kraag pakte en koel, ja, koel van het loket verwijderde om me neer te zetten waar het hoorde, dat wil zeggen aan het eind van de rij. Mijn hart begon wild te kloppen, ik hapte naar adem, want is het niet verschrikkelijk om zo pardoes in het openbaar bij de kraag te worden gegrepen? Maar toen ik me omdraaide zag ik een rijzige man, tot in de puntjes verzorgd, geparfumeerd en met een zorgvuldig bijgeknipt snorretje. In gesprek met twee elegante dames en een andere heer, bekeek hij de zojuist aangekochte toegangskaarten.

Allen keken mij aan – ik moest iets zeggen.

– Bent ú zo vriendelijk geweest? … vroeg ik op misschien ironische, misschien zelfs dreigende toon – maar omdat ik me plotseling niet goed voelde, vroeg ik het te zacht.

– Wat? zei hij, terwijl hij zich naar mij overboog.

– Bent u zo vriendelijk geweest? … vroeg ik opnieuw, maar weer te zacht.

– Ja, ik was zo vriendelijk. Daar, aan het eind! Hier heerst orde! Europa! En zich tot de dames wendend, merkte hij op:

– We moeten opvoeden, onvermoeibaar opvoeden, anders zullen we altijd een volk van Zoeloes blijven.

Zo’n veertig paar ogen keken mij aan, mijn hart bonsde, mijn stem begaf het, ik liep naar de uitgang, maar op het laatste moment (gezegend zij dit moment) trilde er iets in mij en ik keerde op mijn schreden terug. Ik sloot me aan bij de rij, kocht een kaartje en kwam nog juist op tijd voor de eerste maten van de ouverture, maar dit keer ging ik niet als gewoonlijk met heel mijn ziel in de voorstelling op. Terwijl de Csárdásfürstin, klepperend met haar castagnetten diep ademhalend zong, en uitgelezen jongemannen met opgeslagen kraag en hoge hoeden onder haar gestrekte arm door defileerden, keek ik omlaag naar een hoofd met blond, gepommadeerd haar dat af en toe opdook te midden van de eerste rijen en herhaalde bij mezelf: ‘Ach, zit dat zo!’

Na de eerste akte ging ik naar beneden, leunde lichtjes tegen de balustrade van de orkestbak en wachtte even. Daarna maakte ik een buiging. Hij reageerde niet. Dus nog een buiging, vervolgens bekeek ik de loges en boog opnieuw toen het juiste moment gekomen was. Toen ik naar de engelenbak terugkeerde, sidderde ik, uitgeput.

Nadat ik het theater verlaten had, bleef ik op de stoep staan. Weldra verscheen hij – hij nam afscheid van een van de dames en haar man: ‘Tot ziens, beste vrienden, dus daar reken ik op – o, alstublieft! – morgenavond om tien uur in Polonia. Wel thuis.’ Daarna hielp hij de tweede dame in een taxi en wilde juist zelf instappen, toen ik naderbij kwam:

– Neemt u mij niet kwalijk dat ik me opdring, maar misschien wilt u zo goed zijn mij een stukje mee te nemen? Ik hou zo van een lekker ritje…

– Laat me met rust! schreeuwde hij me toe.

Ik wendde me rustig tot de chauffeur. Ik voelde me buitengewoon kalm.

– Misschien wilt u een goed woordje voor mij doen? Ik zou zo graag…

Maar de auto reed al weg. Hoewel ik weinig geld had, nauwelijks genoeg voor het hoogst noodzakelijke, sprong ik in een tweede taxi en liet deze de eerste volgen.

– Neemt u mij niet kwalijk, zei ik even later tot de conciërge van een okerkleurig huis van vier verdiepingen. Dat is toch mijnheer Dziubihski, de ingenieur, die zojuist naar binnen ging?

– Welnee, mijnheer, dat is Mr. Kraykowski, de advocaat, met zijn vrouw.

Ik keerde naar huis terug. Die nacht kon ik niet in slaap komen – telkens en telkens weer liet ik het incident in het theater, mijn buigingen en het vertrek van de advocaat de revue passeren. Ik lag te woelen in mijn bed, in die toestand van waakzaamheid en ongedurigheid die de slaap onmogelijk maakt en, omdat je maar rond blijft draaien, een soort waken en slapen tegelijk is. Direct de volgende morgen stuurde ik een schitterend boeket rozen naar Mr. Kraykowski. Tegenover zijn huis bevond zich een kleine crèmerie met terras – daar bracht ik de hele morgen door en zag hem eindelijk tegen drie uur naar buiten komen, in een elegant grijs kostuum en met een wandelstokje. Ah! hoe liep hij daar, voor zich uit fluitend, en hoe zwaaide hij met zijn stok, zijn kleine wandelstok! … Ik rekende onmiddellijk af en snelde hem achterna. Vol bewondering voor de lichte schommeling van zijn schouders, verheugde ik me bij de gedachte dat hij niets vermoedde, dat dit alleen een zaak van mij was, van mij alleen. Achter zich verspreidde hij een geur van toiletzeep, hij was een en al frisheid – het leek onmogelijk het minste contact met hem te leggen. Maar ook daar vond ik iets op! Ik besloot: als hij links afslaat, koop je voor jezelf dat boek van Jack London, Avonturen, waar je al zolang van droomt, en als hij rechts afslaat, zul je het nooit bezitten, nooit, en zelfs als je het cadeau mocht krijgen, zul je er geen enkele pagina in lezen! Voorbij zal het zijn! O, urenlang had ik mijn ogen gericht kunnen houden op de plek van zijn hals waar zijn haar plotseling ophoudt en de blanke nek begint. Hij sloeg linksaf. Onder andere omstandigheden zou ik regelrecht naar een boekhandel zijn gehold, maar nu bleef ik hem volgen, slechts vervuld van een onuitsprekelijke dankbaarheid.

De aanblik van een bloemenmeisje bracht me op een nieuw idee: ja, ik kon hem toch onmiddellijk, op staande voet – dat lag in mijn macht – eer bewijzen, hem een discrete hulde brengen, iets wat hij misschien niet eens zou opmerken, maar wat dan nog? Het is zelfs nog veel mooier om in stilte hulde te brengen. Ik kocht een boeketje, haalde de advocaat in (zodra ik binnen zijn gezichtsveld kwam, werd het me bijna onmogelijk met een gelijkmatige en onverschillige stap te lopen) en wierp discreet enkele schuchtere viooltjes voor zijn voeten. Plotseling bevond ik me in de meest wonderlijke situatie: ik liep, ik liep almaar door, zonder te zien of hij me volgde, of dat hij van route veranderd was, of dat hij een huis was binnengegaan. Ik had niet de kracht om te kijken, ik zou het niet gedaan hebben voor … voor niets ter wereld. Toen ik ten slotte mezelf wist te overwinnen en me omdraaide, onder het voorwendsel dat ik mijn hoed verloor, was hij verdwenen.

Tot de avond leefde ik nog slechts met de gedachte aan Polonia.

Ik betrad direct achter hen de zaal en nam plaats aan een naburig tafeltje. Ik voorzag dat het me veel zou gaan kosten, maar uiteindelijk, dacht ik, doet het er weinig toe, ik heb misschien niet langer dan een jaar meer te leven en ik hoef niet te sparen. Ze merkten me plotseling op. De dames ontbrak het zelfs zozeer aan tact dat ze begonnen te fluisteren – hij daarentegen stelde me niet teleur in mijn verwachtingen. Hij verwaardigde zich niet me ook maar een greintje aandacht te schenken. Hij toonde zich galant, boog zich over naar de dames of keek om zich heen om andere vrouwen te observeren. Hij sprak rustig, smaakvol, terwijl hij de kaart bestudeerde:

– Hors d’oeuvres … kaviaar … mayonaise … poularde… Dessert: ananas, mokka … pommard, chablis, cognac en likeuren.

Ik bestelde:

– Kaviaar … mayonaise … poularde… Dessert: ananas, mokka … pommard, chablis, cognac en likeuren.

Het duurde lang. De advocaat at veel, met name van de poularde, en ik moest mezelf geweld aandoen. Ik dacht werkelijk dat ik het einde niet meer zou halen en ik keek met angst toe of hij opnieuw zou opscheppen. Hij bediende zich zonder ophouden en at met smaak, met grote happen, hij at zonder mededogen, glas na glas drinkend, totdat het voor mij een ware kwelling werd. Ik dacht dat ik nooit meer een poularde zou kunnen zien noch een hap mayonaise zou kunnen doorslikken, tenzij … tenzij we weer eens samen naar een restaurant zouden gaan, en dan zou het iets anders zijn, dan, dat wist ik zeker, dan zou ik het doorstaan. Hij dronk ook een grote hoeveelheid wijn, zodat mijn hoofd langzamerhand begon te draaien. Een spiegel weerkaatste zijn beeld. Hoe schitterend boog hij zich! Hoe handig en kundig wist hij een cocktail te bereiden! Hoe elegant maakte hij grappen, de tandenstoker tussen zijn tanden! Op zijn kruin was hij lichtelijk kaal, aan zijn verzorgde handen droeg hij een zegelring en hij had een diepe baritonstem, zacht en strelend. Zijn vrouw onderscheidde zich nergens in, zij was hem, kan men zeggen, onwaardig. Maar dan die van de dokter! Ik had direct al gemerkt dat zijn stem, als hij zich tot haar wendde, weker en ronder van toon werd. Maar natuurlijk, het was duidelijk! De vrouw van de dokter leek werkelijk voor hem gemaakt: zij was slank, slangachtig, elegant, lui, een echt katje met wonderlijke vrouwelijke grillen. En wanneer hij het woord ‘klauwtjes’ uitsprak, klonk dat volmaakt, men voelde dat hij liefhad, dat hij de kunst verstond. ‘Klauwtjes’, ‘vrouwtje’, ‘schoffie’, ‘pretmaker’, ‘drinkebroer’, ‘ja, ja, u bent me een drinkebroer, doktertje!’ En dat ‘o, alstublieft!’, zo welsprekend en onweerstaanbaar, zo welopgevoed, maar geen tegenspraak duldend, alsof die paar woorden alle triomf in zich bevatten. En hij had roze nagels, een in het bijzonder, die van de pink.

Pas tegen twee uur ’s nachts keerde ik naar huis terug en wierp me met kleren en al op bed. Ik was volgestopt, vetgemest, uitgeteld. Ik had de hik, mijn oren suisden, en die fijne gerechten teisterden mijn maag. Een orgie! Orgie en drinkgelag, een braspartij! Een nacht in het restaurant, mompelde ik, een nachtelijke braspartij! Voor de eerste keer, een nachtelijke braspartij! Door hem en voor hem!

Van toen af bracht ik mijn dagen door op het terras van de crèmerie om op de advocaat te wachten en hem te volgen wanneer hij verscheen. Iemand anders zou niet dagelijks zes of zeven uur aan dit wachten hebben kunnen besteden. Maar ik had zo veel tijd dat ik niet wist wat ik ermee aan moest. Mijn ziekte (epilepsie) was mijn enige bezigheid, en dat dan nog alleen op hoogtijdagen, niet zomaar doordeweeks. Daarnaast had ik geen enkele verplichting, ik had de tijd aan mijzelf. Ik werd niet afgeleid, zoals anderen, door ouders of kennissen, vrienden, vrouwen of dansen; ik kende geen enkele dans, behalve de vitusdans, en geen enkele vrouw. Een zeer bescheiden inkomen was voldoende om in mijn behoeften te voorzien, en voor het overige waren er tekenen dat mijn verzwakt organisme het niet lang meer zou maken – waarom zou ik dus sparen? Van de morgen tot de avond een vrije, arbeidsloze dag, als een eindeloze feestdag, ik – een sultan en de uren mijn harem.

Kom dan eindelijk, dood!

De advocaat was een lekkerbek en ik kan moeilijk zeggen hoe mooi ik dat vond. Altijd als hij terugkwam van de rechtbank ging hij een banketzaak binnen en at daar twee appelbollen. Ik bespiedde hem door de winkelruit en zag hoe hij ze, voor het buffet staande, met zorg naar zijn mond bracht, om niet te morsen, waarna hij delicaat zijn vingers aflikte of ze met een papieren servetje afveegde. Ik dacht er lang over na en ten slotte ging ik op een dag de zaak binnen.

– Kent u Mr. Kraykowski? vroeg ik aan de eigenares. Hij eet hier elke dag twee appelbollen. Ja? Wel, ik betaal ze u voor een maand vooruit. Als hij komt, neemt u dan geen geld aan, maar zegt u alleen glimlachend: ‘Dat is al geregeld.’ Het betekent verder niets, mevrouw, ik heb gewoon een weddenschap verloren.

De volgende dag kwam hij zoals gewoonlijk, at en wilde betalen; men weigerde zijn geld; hij maakte zich boos en gooide het in een liefdadigheidsbusje. Wat kon mij dat schelen? Een lege formaliteit. Hij kon voor de weeskinderen zo veel geven als hij wilde, dat veranderde niets aan het feit dat hij twee van mijn appelbollen had gegeten. Maar ik ga niet alles beschrijven, en trouwens, kun je alles beschrijven? Het was als een oceaan, van de morgen tot de avond en vaak ook ’s nachts. Het was wreed, zoals die keer toen wij, oog in oog, tegenover elkaar plaats hadden genomen in de tram; en heerlijk, wanneer ik hem de een of andere dienst kon bewijzen; en soms ook belachelijk. Belachelijk, heerlijk en wreed? Ja, niets is zo moeilijk en delicaat, zo heilig zelfs als de menselijke persoon, niets kan de machtige begeerte van die geheimzinnige verbindingen evenaren die, onaanzienlijk en willekeurig, tussen onbekenden ontstaan om hen ongemerkt met verschrikkelijke ketenen te binden. Stelt u zich een advocaat voor die een openbaar toilet uitkomt, drie stuivers wil pakken en hoort … dat er al betaald is! Wat zal hij voelen op zo’n moment? Stelt u zich voor dat hij op bewijzen van bewondering, dienstbetoon en respect stuit, op trouw en ijzeren plichtsbetrachting, op fanatieke toewijding.

Maar de vrouw van de dokter! Haar gedrag kwelde me ontzettend. Voelde zij zich dan niet aangesproken door de avances van de advocaat, hadden de tandenstoker en de cocktail in Polonia dan geen enkele indruk op haar gemaakt? Het was duidelijk dat zij hem afwees – op een dag zag ik hem woedend van haar vandaan komen, met een scheve das… Wat een vrouw! Wat moest ik doen, hoe haar te stimuleren, hoe haar te overtuigen, opdat zij het ook meteen zou inzien, opdat zij het uit de grond van haar hart zou begrijpen, zoals ik, opdat zij het zou voelen? Na lang aarzelen besloot ik dat een anonieme brief het beste zou zijn.

Mevrouw!

Hoe kunt u! Uw gedrag is onbegrijpelijk. Nee, zo kan men zich niet gedragen! Bent u dan ongevoelig voor die vormen, die gebaren, die stembuigingen, dat parfum? Begrijpt u die perfectie niet? Waarvoor bent u dan een vrouw? Ik in uw plaats zou heel goed weten wat ik moest doen als hij zich verwaardigde zijn pink uit te steken naar mijn klein, armzalig en onbeholpen vrouwelijk lichaam.

Enkele dagen later (het was laat in de avond in een verlaten steegje) bleef Mr. Kraykowski staan, draaide zich om en wachtte, zijn wandelstok in de hand. Het was onmogelijk me terug te trekken. Ik liep dus verder, hoewel mijn hele wezen door onmacht bevangen werd – ten slotte pakte hij me bij de arm en schudde me door elkaar, terwijl hij met zijn stok op de grond sloeg.

– Wat hebben die idiote grappen te betekenen? Schreeuwde hij. Waarom dringt u zich aan mij op? Waarom sluipt u achter mij aan? Wat moet dat? Ik zal u met mijn stok afranselen! Ik zal uw botten breken!

Ik kon niet spreken. Ik was gelukkig. Ik nam het in me op als een hostie en sloot de ogen. Ik bukte me slechts, nog steeds zwijgend, en bood hem mijn rug aan. Ik wachtte – en doorleefde enkele volmaakte ogenblikken, zoals alleen diegene ze kan kennen die nog maar weinig dagen te leven heeft. Toen ik me weer oprichtte ging hij er snel vandoor, driftig met zijn stok op de straatstenen tikkend. Met overvol hart, in gezegende en genadevolle staat, ging ik door de verlaten straten naar huis.

Maar wroeging vermengde zich met mijn dankbaarheid. ‘Het is te weinig,’ dacht ik, ‘te weinig! Nog altijd te weinig! Er is meer nodig, nog meer!’ Inderdaad, zij had mijn brief als een dwaze grap beschouwd, als een belachelijke streek, en zij had hem aan de advocaat laten zien. In plaats van ’n handje te helpen had ik de zaak schade berokkend, en dat allemaal omdat ik te lui was, er te veel mijn gemak van nam, te weinig van mijzelf gaf, omdat het me ontbrak aan ernst en zin voor verantwoordelijkheid, omdat ik niet in staat was tot begrip te inspireren.

Mevrouw!

Om het u goed in te prenten, om uw geweten te treffen, verklaar ik dat ik me van deze dag af zal onderwerpen aan verschillende verstervingen (vasten, etc.) tot het is gebeurd. U bent schaamteloos! Welke woorden moet ik gebruiken om u duidelijk te maken dat het een noodzaak is, een plicht, een heilig moeten? Zal het nog lang duren? Wat betekent die koppigheid? Vanwaar die trots?!

En de volgende dag, toen ik me een belangrijk detail herinnerde, schreef ik nog:

Als parfum alleen ‘Violette’. Daar houdt hij van.

Sindsdien hield de advocaat op de vrouw van de dokter te bezoeken. Het vrat aan me, ik kon ’s nachts niet slapen. Ik ben geen naïeveling en, men zou het niet verwachten, ik voel heel wat dingen aan. Ik weet bijvoorbeeld welke indruk zo’n brief kan maken op een dame uit de betere kringen, zoals zij. Ik kan zelfs, op momenten van de grootste emotionele aandoening, stilletjes in mezelf lachen – maar wat hielp me dat? Werd daardoor mijn lijden soms minder hevig en de kwellingen die ik mezelf oplegde minder smartelijk? Mijn verontwaardiging minder reëel? Mijn eerbied voor de advocaat minder waarachtig? Welnee! Wat is wezenlijk? De gezondheid, het leven! Welnu, ik zweer dat ik, op dezelfde wijze in mezelf lachend, mijn gezondheid en mijn leven zou hebben gegeven, als zij maar … als zij maar deed wat er van haar gevraagd werd. Maar misschien had die vrouw ethische scrupules? Wat betekent een stompzinnige ethiek tegenover Mr. Kraykowski! Voor alle zekerheid besloot ik haar ook in dit opzicht gerust te stellen.

U moet het doen! De dokter, dat is een nul, lucht!

Maar het was geen ethiek, in haar geval; het was simpelweg trots, of de absurde grillen van een wijfje en gebrek aan begrip voor heilige, elementaire zaken. Ik liep op en neer onder haar ramen – wat gebeurde er daar achter het dichtgetrokken gordijn (zij stond laat op), in welk stadium bevond zij zich? Vrouwen zijn werkelijk al te oppervlakkig. Ik beproefde magische formules: ‘Je zult het doen, je zult het doen,’ herhaalde ik keer op keer, terwijl ik naar het raam keek, ‘vandaag nog, vanavond nog, als je man niet thuis is.’

Toen herinnerde ik me opeens dat de advocaat me wilde afranselen; als hij het die andere keer op straat niet had gedaan, was het dan misschien uit tijdgebrek?

Ik laat onmiddellijk alles voor wat het is en spoed me naar de rechtbank, waar hij, naar ik wist, elk ogenblik naar buiten kon komen. Inderdaad verschijnt hij na enkele minuten, vergezeld van twee heren. Ik treed op hem toe en bied hem, zwijgend, mijn rug aan.

Ik voel de verbazing van de twee heren in de lucht hangen, maar dat laat me koud, de hele wereld zou me koud laten. Ik sluit mijn ogen, krom mijn schouders en wacht vol vertrouwen – maar er gebeurt niets. Ten slotte stamel ik tegen de straattegels:

– Nu misschien?… Altijd, altijd, altijd…

– Dat is de een of andere idioot, klinkt zijn stem boven mij.

Maar wat ben ik verstrooid. Ik ben vergeten dat ik een bespreking heb. We zullen er een andere keer over spreken, tot ziens, mijne heren. Pak aan, arme jongen, hier heb je een paar stuivers. Ik hoop u spoedig terug te zien.

En hij dook in een taxi. O, die taxi’s! Intussen begon een van de twee heren in zijn zak te graaien. Ik hield hem met een handbeweging tegen.

– Ik ben geen bedelaar en ook geen idioot. Ik heb mijn waardigheid, en aalmoezen accepteer ik alleen van Mr. Kraykowski.

Ik nam nu mijn toevlucht tot hypnose, tot een voortdurende en systematische druk met behulp van duizenderlei kleine feitjes, symbolische verwijzingen die, zonder tot haar bewustzijn door te dringen, een onderbewust determinisme zouden creëren. Ik tekende bijvoorbeeld met krijt op de muur van het huis waar zij woonde een pijltje met de letter K. Ik zal hier niet al mijn handige of minder handige intriges uit de doeken doen, maar zij raakte verwikkeld in een net van vreemde gebeurtenissen. In een modezaak sprak de verkoper haar bij wijze van vergissing aan met: ‘Mevrouw de advocaat!’ De conciërge die zij op de trap tegenkwam zei dat mijnheer de rechter Krajewski had gevraagd of zijn paraplu al was teruggestuurd: Krajewski-Kraykowski, rechter-advocaat, je moet voorzichtig zijn, vele druppels hollen ten slotte de steen uit. Niemand weet door welk wonder zij, als ze de stad in was geweest, op haar jurk het parfum van de advocaat meedroeg, de verfrissende geur van zijn viooltjeszeep en zijn eau de cologne. Of bijvoorbeeld een voorval als dit: laat in de nacht rinkelt de telefoon, zij schrikt op uit haar slaap, loopt ernaar toe en hoort een onbekende, bevelende stem die alleen maar zegt: ‘Direct!’ en verder niets. Of een in de kier van de deur gestoken stukje papier, met niets dan deze regel: ‘Kraai jij of kraai ik?

Maar langzamerhand begon ik de hoop te verliezen. De advocaat bracht haar geen bezoek meer en al mijn moeite leek voor niets te zijn geweest. Ik voorzag reeds de uiteindelijke capitulatie en was bang; ik voelde dat ik dat niet zou kunnen verwerken. De advocaat op dit punt versmaad te zien zou voor mij onverdraaglijk zijn geweest, zelfs als hij er zich niet over had opgewonden. Dat zou voor mij een definitieve vernedering, onrechtvaardigheid en schande zijn geweest. Ja, ik zeg welbewust: definitief. Zonder erin te kunnen geloven, sidderde ik voor het onontkoombare, naderende einde…

Maar werkelijk… Er bestaat toch nog genade op deze wereld! En hoe doortrapt waren ze geweest! Tussen haakjes, ik neem het de advocaat wel een beetje kwalijk: waarom had hij het verborgen? Wist hij niet dat ik eronder leed? Toeval? O nee, het was geen toeval; eerder het hart. Ik keerde op een avond door de Lanen naar huis terug, toen iets me ertoe aanzette het park in te lopen. Ik had eigenlijk op tijd moeten gaan slapen, want ik wilde de volgende dag in alle vroegte op de deur van de advocaat een verguld naambord vastspijkeren met het opschrift MR. KRAYKOWSKI, maar iets zei me: ga het park in. Ik liep het park binnen, en helemaal aan het eind, achter de vijver, zag ik … ach! zag ik haar brede hoed en zijn bolhoed. O, de schoffies, de schelmen, de rakkers! Terwijl ik mezelf kwelde, hadden zij elkaar hier buiten mijn weten ontmoet – en hoe doortrapt! Zij hadden zelfs van taxi’s gebruik moeten maken! Zij sloegen een zijpaadje in … en gingen op een bank zitten.

Ik verborg me in de struiken om hen te bespieden. Ik verwachtte niets, ik dacht nergens aan, ik wilde van niets weten, ik zat alleen maar onder een struik gehurkt en telde de bladeren, snel, werktuiglijk, alsof ik er niet was.

Plotseling omhelsde de advocaat haar, drukte haar tegen zich aan en fluisterde:

– Hier … de natuur. Hoor je? De nachtegaal. Nu, vlug, terwijl hij zingt… Tegelijk, op de maat van de nachtegaal! O, alsjeblieft!

En toen … o, het was iets kosmisch, ik kon me niet meer inhouden – het was alsof alle krachten van het universum zich in mij hadden opgehoopt in een kortsluiting van heilige waanzin, alsof een enorme stroomstoot me een verschrikkelijke schok had gegeven. Ik sprong op en begon met luide stem door heel het park te schreeuwen:

– Mr. Kraykowski heeft haar…! Mr. Kraykowski heeft haar…! Mr. Kraykowski heeft haar…!

Algemene opschudding. De een kwam aanlopen, de ander vluchtte weg, van alle kanten kwamen plotseling mensen te voorschijn, en ik, ik kreeg het opnieuw te pakken, een tweede maal, een derde maal, en daarna danste ik, het schuim op de lippen, in rillingen en stuiptrekkingen, een bacchantische dans. Wat er daarna gebeurd is, herinner ik me niet meer. Ik kwam weer tot bewustzijn in het ziekenhuis.

Het gaat steeds slechter met me. De laatste gebeurtenissen hebben me uitgeput. Mr. Kraykowski vertrekt morgen in het geheim (maar ik weet het) naar een klein plaatsje in het oosten van de Karpaten. Hij wil voor een paar weken de wijk nemen in de bergen, in de hoop dat ik hem zal vergeten. Ik moet hem volgen! Ja, volgen! Overal deze man volgen die mijn poolster is! Maar ik vraag me af of ik levend van deze reis zal terugkeren, de emoties zijn te sterk. Ik loop de kans plotseling op straat te sterven, bij een hek. Mocht dat gebeuren (ik moet een laatste wens nalaten), dan wil ik dat mijn lijk naar Mr. Kraykowski wordt gezonden.

Dit verhaal uit 1926 verscheen voor het eerst in de bundel Bacacay uit 1957. Wij publiceren het met toestemming van Uitgeverij IJzer, bij wie een gebonden en genummerde dundrukeditie (met leeslint!) verscheen van vier romans (Ferdydurke / Trans-Atlantisch / Pornografie / Kosmos) en negen verhalen van Witold Gombrowicz. Voor deze editie zijn alle vertalingen door Paul Beers waar noodzakelijk herzien.

Witold Gombrowicz
Foto: Wikimedia Commons

Witold Gombrowicz (1904-1969) is een Poolse schrijver van verhalen, romans, toneelstukken, dagboeken en essays. Hij wordt naast Bruno Schulz en Stanisław Ignacy Witkiewicz beschouwd als voorman van de Poolse avant-garde. Zijn eerste bundel korte verhalen publiceerde hij in 1933. Zes jaar later, vlak voor de Duitse inval in Polen, vertrok hij naar Buenos Aires, Argentinië, waar hij aanvankelijk zo moeilijk kon rondkomen dat hij begrafenissen van volslagen vreemden bezocht om aan eten te komen. Later vond hij een vaste betrekking de Argentijnse tak van de Poolse staatsbank. In 1964 vestigde hij zich in Parijs; later dat jaar verhuisde hij naar Vence, bij Nice. Veel van zijn werk werd gepubliceerd in het Poolse emigrantentijdschrift Kultura, van Jerzy Giedroyć. In het communistische Polen was het werk van Gombrowicz lang verboden.

Gombrowicz’ literaire werk kenmerkt zich door een zekere obsessieve sacraliteit, waarbij op het eerste gezicht onbeduidende zaken en handelingen tot in het absurde worden uitvergroot. De personages in zijn romans en verhalen zijn vaak slachtoffers van een op de spits gedreven, groteske logica, waarop ze zelf geen vat lijken te hebben en waarin ze hun identiteit geheel lijken te verliezen. Dit levert vaak hilarische situaties op, die echter niet een louter onderhoudende functie hebben, maar de vraag oproepen naar betekenis en eigenheid.

Zijn bekendste roman is Ferdydurke (1937), waarin een volwassen man terug naar school wordt gestuurd om weer onvolwassen te worden. De roman werd geprezen door Bruno Schulz en Zofia Nałkowska. Andere noemenswaardige romans zijn Trans-Atlantisch (1953), Pornografie (1960), en Kosmos (1965) die door velen als zijn meest geslaagde roman wordt beschouwd. Deze vier boeken zijn ook als bundel te koop. Naast zijn romans schreef hij enkele absurdistische toneelstukken. Ook hield hij een uitgebreid dagboek bij. Zijn werk wordt vaak vergeleken met Kafka, Beckett, Ionesco, en de Franse existentialisten.