Frits Hopman -

De bode

Leestijd 23 - 30 min

Artwork: Janine Rewell

In de winter van 1869 had ik voor korte tijd mijn drukke praktijk aan een paar colle­ga’s overgedragen en Parijs verlaten om het internationaal geneeskundig congres te Moskou bij te wonen. Reeds de eerste zittingen waren zeer belangwekkend. Een paar beroemdheden van de dag hielden verhandelingen, waarin nieuwe theorieën en methoden werden aangeprezen (nu reeds lang vergeten) en heftige discussies volgden, waaraan ik, jong en geestdriftig als ik destijds was, hartstochtelijk deelnam. Desavonds gingen wij naar diners, concerten en de opera, zoals dat bij zulke gelegenheden gebruikelijk is.

Op de derde dag had een jonge Zweedse professor in de sectievergadering gespro­ken over de behandeling van beginnende epilepsie met ‘mesmerisme’, zoals men de psychische geneeswijze destijds noemde. Bij de vinnige debatten, welke daarop los­ kwamen, hoorde ik voor het eerst scherpzinnige en belezen mannen, naar wie ik met eerbied moest luisteren, in alle ernst spreken over zulke wondere zaken als telepathie, voorzeggende dromen, geestverschijningen, helderziendheid, die ik tot dusver voor bijgelovige verzinsels had gehouden en ik ging naar mijn hotel terug, voorvoelend dat ik het materialisme van mijn studententijd had overleefd en wel­dra mijn wereldbeschouwing zou moeten herzien.

Ik vermeld deze ogenschijnlijk onbeduidende bijzonderheden tot staving van het verschijnsel dat zich in de loop van mijn lange leven herhaaldelijk aan mij heeft voorgedaan, dat namelijk, zodra onze geest zich moedig heeft geopend, om weer een nieuw aspect der waarheid te onderzoeken, het leven zelf zich haast om het be­wijsmateriaal te leveren.

Ter ere van de congresleden werd die avond een galadiner gegeven in het paleis van de gouverneur. In de vestibule brandden rijke lusterkronen, zwaar van spectrum­flitsende kristalprisma’s en breloques, met de naakte vlammen van koolgaslicht: een betrekkelijke nieuwheid in die dagen. De rosse gloor lag op de donkere verven van meubeltrijp, uniformen en japonnen, die duisterlijk gloeiden met kleurverheimelijkende, doffe glanzingen van rouwviolen en zwartrode rozen van ertsig-blin­kende keverschilden of de pluimagie der siervogels – en te midden dier gedempte toonwaarden van granaatrood, pauwblauw, befloerst violet en sepia, straalde te we­liger wat blank en fonkelend was. De marmerbeelden bloeiden rijp en mild tussen giftig-kopergroene waaierbladen van kaspalmen en over de dikvacht-tapijten van Samarkand drentelden in slecht passende avondkleding de grootste denkers en geleerden van Europa tussen aristocratische gardeofficieren, overheidspersonen en jonge vrouwen uit de grote wereld, met de boucles en chignons,de zware oorjuwelen en geborduurde crinolines van het Tweede Keizerrijk. In de langssmeurende drom van gasten overgutst door warm licht, trof even het glimmer-goudrag van epauletten op sombergroene tuniek, een vonkensproeiende, zilveren adelaarshelm, geblikker in lovertjes en galon van diplomatenrok, een fraai gebootste vrouwenschhouder, een schrandere, gegroefde wijsgeerkop, een aigrette-kapsel. En steeds bleef de stoet van genodigden aanstuwen: zwartgefrakte mannen, lachende jonge meisjes, grootwaardigheidsbekleders, corpulente douairières; en de grote, betreste lakeien stonden onbeweeglijk op de brede statietrap. Walsmuziek kwam van verre, uit de open vleugeldeuren der ontvangzaal.

Het is voor mij, oude man, een wrede en zinvolle gedachte, triviaal genoeg overi­gens, voor wie de waarheid niet als onze grote Villon doorleden heeft, dat er niets meer over is van de jeugd en vrolijkheid, liefde en eerzucht, mooiheid en kracht, die toen wemelden en werkten en beraamden en praalden in dat oude winterpaleis. Ach, onze dag is voorbij! De hartstochten zijn geluwd, de aspiraties zijn uit, het spel van de liefde is ten bitter einde. De rijzige, struise luitenants met hun wuft opge­draaide knevel zijn stuntelige, stramme, oude generaals, verzuurd door teleurstel­ling en podagra. De rozige, liefdesmachtende meisjes (het zwart fluwelen medail­lonlint om de rondende hals en de azalea’s in de teer welvende boezem), zijn dommelende, gierige grootmoeders. De meesten liggen wel al jaren in hun graf.

Ik stond in een hoek bij een glazen tochtdeur te badineren met een chirurg uit Dorpat, die voortreffelijk Frans sprak en voelde mij extatisch gelukkig. Ik was de jaren van heldenverering nog niet te boven en leefde in de beschroomde bewonde­ring voor de vergeten wetenschapsarchonten van die dagen, welke een jongeling van later tijd moet hebben doorpulst, die voor het eerst Pasteur of Lister, Metchni­koff of Virchow zou hebben ontmoet. Voor mijn romantische geest geleken zij illu­minanten of wezens van hoger orde. Te aanbidden en te dienen waren levensbehoef­ten van mijn ziel en ik verliefde die avond op minstens een dozijn jonge prinsessen en hoogadellijke jonkfers, allen, in mijn dwepende ogen, uitgelezen typen van Sla­visch brunettenschoon en nauw-betoomde hartstochtelijkheid. En bekoring was er ook in de gedachte, dat ik, arme jongen, voor een ogenblik de gelijke was der machtigen in de wondere, Russische wereld.

Iemand legde bescheiden de hand op mijn arm. Ik keerde mij half om en was ver­baasd een onbekende vrouw te zien, die mij in het Russisch aansprak. Het was een markante, fijnraadselige verschijning: een kleine, soepelslanke figuur in een nauwsluitende lange mantel van blauwglanzend sabelpels. Haar opvallend bleek gezicht stond bezorgd onder een muts van vossenbont en zij bracht in die warme, knusse vestibule vol vrolijke mensen een strijdig element van leed en onrust. Het voelde alsof een raam was open gewaaid en een ijstocht de sneeuw naar binnen joeg. Daar ik Russisch niet versta, keerde ik mij naar de chirurg om een verklaring en vertolkend zei hij, dat de vrouw van mijn succes in het behandelen van hartziekten had gehoord en mij kwam halen om een familielid te bezoeken die plotseling doodziek was geworden.

Met jeugdig-impulsieve ridderlijkheid was ik onmiddellijk bereid om mee te gaan, misschien te geredelijker omdat het mij werkelijk teleurstelde het galadiner mis te lopen: het is de onverklaarde wens der jonkheid om te worden geofferd. Ook was het vleiend te zijn gekozen uit een hele zwerm van vakgeleerden. Hoe het zij: ik deed geen vragen, maar haalde hoed en jas.

Nauwkeurig herinner ik mij het tafereel voor de deur, waardoor wij naar buiten slopen. Uit een grote, lage koets stapte juist een meisje in witte avondmantel en fichu om het hoofd gewikkeld en tripte over de loper de stoeptreden op. Het licht uit de open deuren achter ons scheen haar recht tegemoet en bescheen zwakjes de knollige koppen van een groep toeschouwers. Ik zie het alles als een bruin verbleek­te daguerrotype met gele vochtstippels – een reliek uit een onhervindbaar verleden, dat nog slechts leeft in het hoofd van een oude man.

Er is voor mij iets kwijnend-weemoedigs in de herinnering aan de verwelkte tijd en tegelijk toch ook weer wat belachelijks in de ‘wonderen der techniek’, zeventig jaar oud en de karikatuurmodes, die toen nouveautés waren. Waren het werkelijk levende en voelende mensen als wij, die zo gekleed gingen? Konden die vrouwen waarlijk liefhebben in die spencers en hoepelrokken en was het mogelijk om zelf­moord te begaan met zo’n pandjas aan?

Wij liepen achterom de snoer van rijtuigen en equipages, die hun beurt wacht­ten, om voor te rijden en vonden een slee met een driespan: de gewone troika der Moskouse straten. Terwijl de vrouw met de koetsier sprak, bestudeerde ik zijn tro­nie bij het licht van een straatlantaarn. Zijn wangen waren rood door een netwerk van fijne aderen onder de onreine, bruine huid en gerimpeld juist als een winterap­pel. Hoog kroop de doffe, warrige baard op de brede jukbeenderen en de neus was een onbeduidende knobbel, zoals alle Russische neuzen. Wij stapten in de slee en reden door vrolijk verlichte winkelstraten vol warm ingepakte mensen en over wij­de, verlaten sneeuwpleinen, waar grote, donkere ruiterstandbeelden stonden. Hier en daar tekenden kerken hun witte bizarre koepels uit op de donkere luchten. Een soldatenpatrouille met lantaarn en geweren, een eenzame, schreeuwende dronk­aard waren de enige voorbijgangers. Door armelijke buitenwijken heen bereikten wij een landweg en weldra lagen de lichten en het gerucht der oude stad ver achter. Buiten strekte de bezonnen, geruchtloze winterwereld, vorstgepuurd en sprokig; ongemeten wersten van sneeuw, zwak lichtend, fosforig schimmerend onder het laagbroedend nachtzwerk – een onherbergzaam natuurdomein, sombervervaar­lijk, van elementale oermachten, maar omvangen door een vaag ontwaard empy­reum van licht (het romig heillicht van dwaalsterren) – en wij-louterheid, waarvan herinnering natrilt uit een morgendroom.

Toen doken wij in een duister woud van sparren. De heerlijkheid des daags: de tere rondingen der plompe, losgepakte sneeuwklodders, overpuilend de neerge­drukte takken met hun nestelkwasten van donkergroene naalden; de vlokken, hooggestapeld tegen de ruige, zwarte, harsbedropen stammen van scheepsmastho­ge dennen; de halfdoorschijnende, grote ijspegels en verwrongen kristallijnen zui­len tussen knoestige, vermolmde kronkelwortels; de mystisch-reine witheid, glin­sterend met fijnste lichtsprankels op de open bosplaatsen, gebaarde zich donkerlijk achter de kripschaduwen van de nacht. Het zwijgend rennen door de stille donker­heid had mij aanvankelijk opgevoerd tot diep-rustige, zelfvergeten verheugenis; de aura van omzwevende kleinmenselijkheid, van beuzelende gedachten en nietige zorgen scheen vervluchtigd en het heelal lag open. Maar toen geen einde leek te ko­men aan de wondere tocht, begonnen twijfel en argwaan zich in mij te strekken en ik vloekte mijn goedgelovigheid, die mij had verleid tot dwaas avontuur. Ik verlang­de terug naar licht en warmte, naar de feestvreugde en goede sier, die ik lichtvaardig had verlaten. Wij joegen immer verder over de hardbevroren grond, zo vlot en smij­dig dat ons dolzinnig voortjakkeren bijna niet te bemerken was en het bij wijlen roerloos zweven leek. In het vlokkige donker was niets te zien dan de langs zwiet­sende boomschimmen en niets te horen dan het dromerig ruisgetinkel der bellen op het paardentuig. Ik vermoed dat de eentonigheid der gewaarwordingen mijn zinnen floerste en een soort van hypnotische halfslaap bracht. Het toongebroken klokjesrinkelen, dat als uit ontzaglijke verten tot mij kwam, werd tot het spokig koorgezang van verdoemde zielen. Ik wist mij oud als de wereld en duizenden eeu­wen, zwaar van smartelijke ervaring, grijnsden mij aan. Soms, aan mijn lichaam ontstegen naar het scheen, zag ik mijzelf zitten, suffend ineengedoken, dan weer voelde het of ik alleen in de slee reed en de plaats aan mijn rechterzij leeg was. Ik dacht aan een overval van wolven en betreurde het mijn revolver te hebben thuis­gelaten. Ik vermoeide mij met gissingen over het doel van onze tocht. Kon het zijn dat ik in een val werd gelokt? Maar wie kon belang hebben bij mijn verdwijnen? Werd ik van nihilisme verdacht? – want elk mens is een spion in een land van zo wijd­vertakte geheime genootschappen. Wilde men mij beroven? Maar waarom dan niet liever een rijke professor gekozen? Ik bouwde en verwierp honderden theorieën. Toen ik bijna was ingeslapen, eindigde het woud en voor ons lag een klein dorp van verspreide huizen met hier en daar een oranjetintig verlicht raam. De dampende, stoomsnuivende paarden hielden stil voor een soort herberg. De deur ging open en een blok van warmgeel licht stond plotseling en hinderlijk in de nacht, alles binnen zijn gebied (een paardenschoft, de schouderronding van onze koetsier, de welvende reisdeken) met scherpomtrokken oppervlakken tot stand brengend. In het verlich­te deurvlak doemde uit doorschenen tabaksmist het zwart silhouet van een man in wijde kiel en kaplaarzen; zijn lange, zwarte slagschaduw lag als een donkere loper voor zijn voeten uitgerold. Wij stegen uit en ik was blij mijn gekrampte benen te strekken. De voerman begon met de waard te spreken, maar de vrouw voerde mij mee, verder de duisternis in, terwijl ik waaks en vastberaden naast haar ging, beslo­ten mij met de uiterste inspanning te verdedigen voor het geval ik mocht worden overrompeld. Het was zo wonderstil op de landweg, toen wij sprakeloos en onhoor­baar over de sneeuw voortstapten. Een onverklaarbare kerkhofstemming troebelde en verdichtte mijn levensfluïeden. Zonder twijfel werkten de occultistische debat­ten van die middag na. Ik moest denken aan de verhalen, die mijn min als kind bij het uitkleden vertelde, van de schimmen die dolen boven pas gesloten graven. Ik zag in gedachten zerken en doodkisten, omfloerste lantaarns, bleek brandend in grijs daglicht, rouwdragers en alle macabere mommerijen waarmee wij de dood hebben ontwijd en gruwelijk gemaakt. De zwijgende, donkere gestalte naast mij, in haar nimbus van kille geheimzinnigheid, leek zelf een bode van het generzijds.

Wij gingen ten slotte door het hek van een hoge tuinmuur op het groot en don­ker blok van een landhuis toe. Ik belde. Toen voetstappen in de gang naderden, keerde ik mij om, daar ik verwachtte dat de vrouw het woord zou doen. Tot mijn schrik en verbazing was zij verdwenen. Ik stond alleen. Waarheen zij zo snel en stil was geslopen kan ik niet begrijpen, maar er was geen tijd voor verwondering, want de deur ging open en een jong meisje stond voor mij. Ik zei haar in het Frans wat het doel van mijn komst was en zij antwoordde hakkelend dat ik mij moest vergis­sen, want dat alle huisgenoten gezond waren; verzocht mij evenwel binnen te ko­men en haar vader te spreken, die beter dan zijzelf Frans sprak en verstond. Geheel verplet volgde ik haar naar een achterkamer.

Achter een blinkende samovaar zat een oude man in een grote leunstoel naast een porseleinen kachel. Er was waarlijk geen specialiteit nodig om dadelijk te zien, dat hij leed aan een vitium cordis. Zijn gezicht was een vervig grauwpaars, zijn neus rood als die van een drinker; de bleke hand, welke een sigaret hield, schokte bij iede­re hartslag, zodat het fijne rookstraaltje trilde.

Ik boog en herhaalde mijn boodschap. De oude heer tuurde fronsend met bor­stelige wenkbrauwen over zijn bril heen. Het was duidelijk dat hij geen woord ge­loofde van wat ik vertelde en zich bezorgd maakte over mijn bedoelingen. Om hem gerust te stellen en ook om mijn binnendringen in zijn vredig huis op dat uur te rechtvaardigen – want ik was danig met mijn figuur verlegen – vertelde ik hem mijn avontuur in bijzonderheden. Hij schoof zijn bril op het voorhoofd en luisterde aan­dachtig. Toen ik geëindigd had, zei hij: ‘Wel, ik weet niet wat ik ervan denken moet. In ieder geval bent u aan een ver­keerd adres. Er zijn hier geen zieken. Maar nu u dat hele eind voor niets gekomen bent, zou ik zeggen: blijf nog een ogenblik praten. U kunt vanavond toch niet meer naar stad terug en zult in de herberg moeten overnachten. Ik had u graag gastvrij­heid bewezen, maar wij zien nooit mensen en zijn niet op logés ingericht.’

Hij schoof mij de sigarettenkist van Siberisch lakwerk toe en de dochter maakte mij een glas thee met citroen en rum. Intussen bouwde ik mijn theorie, zoals wij dat min of meer bewust doorlopend doen. De vrouw zei ik mij, heeft begrepen dat de oude heer een hartlijder is, die van zijn kwaal niet afweet. Zij zag in dat medische hulp noodzakelijk was en heeft een geraffineerde truc gebruikt om een dokter te zenden, zonder zelf in de zaak betrokken te worden. Ik zou zeer diplomatiek te werk moeten gaan en was daartoe, na de vermoeienissen van de dag, niet in het minst ge­disponeerd.

‘Bent u zelf goed gezond?’ vroeg ik vrij onhandig. De oude heer glimlachte.

‘Ik ben eenenzestig jaar geworden, zonder een dag op bed te zijn gebleven. Na­tuurlijk, wanneer men ouder wordt, komen de gebreken. Ik ben niet zo sterk meer als vroeger en heb wat last van kortademigheid, maar voel mij best voor het overige. Neen, dokter, er is hier geen roebel voor u te verdienen.’

Daarop bracht hij het gesprek op ons congres en het leven te Parijs, waarvan hij veel gelezen had. De dochter, een klein, stil meisje van ten hoogste twintig jaar, zat mij met donkere peinsogen te monsteren, maar nam alleen deel aan het gesprek wanneer zij er opzettelijk in werd betrokken. De vader was een vrolijke, geestige prater, wat ik in het minst niet van een kluizenaar zou hebben verwacht. Mogelijk fleurden mijn verhalen van de Parijse studenten hem op, want hij sprak van zijn ei­gen academietijd en van de dolle streken die hij toen en nog als jong advocaat had uitgehaald. Hij was een uur lang weer terug in zijn vergeten jeugd en herleefde glunderend de oude roes van jool. Daarop begon onverwacht de lamp lager te bran­den en dreigde uit te gaan. Ik weet niet waarom dit alledaagse kleine voorval mij zo ontstemde. Er werden kaarsen gebracht, maar de stemming van gemoedelijkheid was gebroken. Ik hervond de somberheid, wachtend op de achtergrond van mijn ziel en voelde mij als een bruiloftsgast die een boos voorteken heeft gezien. De gangklok sloeg juist twaalf, toen ik afscheid nam. De oude raadsheer verzocht mij de volgende morgen vóór mijn vertrek nog even aan te komen. Dat beloofde ik na­tuurlijk en ik nam mij voor met meer tact te werk te gaan. De dochter liet mij uit en zei: ‘Ik ben blij dat u hier bent gekomen, dokter, al was het bij vergissing. Papa is in jaren niet zo vrolijk geweest. U moet morgen zeker terugkomen. Ik wou dat wij meer mensen spraken. Het zou zeker goed voor hem zijn.’

Ik had een zwak vermoeden, dat ik mijn zwijgende geleidster op de landweg zou terugvinden, maar zag niemand. Er brandde nog licht in de herberg. Ik ging binnen en vond de waard onder een kleine olielamp staan met een opengevouwen nieuws­blad in de handen. Hij hield het op armslengte en las zijn gasten voor met luide stem. Het waren blijkbaar allen boeren. Zij droegen de Russische kiel om het mid­del met een gordel vastgemaakt. Hun haar en baard waren lang en onverzorgd, hun gezichten stonden dof en somber. Zij zaten in lompe houding, de kin op de vuist ge­steund of voorovergebogen met gekruiste armen. Enkelen dronken wodka; de meesten rookten.

Het was heet onder de lage balkenzoldering, en licht bewogen lagen van tabakswalm zweefden langzaam opwaarts. Ik wist de herbergier met gebaren aan zijn ver­stand te brengen dat ik een kamer voor de nacht verlangde en hij bracht mij dade­lijk naar een ruim vertrek, waar een ruwhouten ledikant stond.

Een paar prentjes van heiligen der Grieks-Katholieke kerk (bontgekleurde kop­pen, herinnerend in hun primitieve, zwaaromlijnde starheid aan Byzantijnse mo­zaïeken), hingen versierd met een palmtakje aan de witte muurvlakken. De waard bracht kaarsen en bouwde een flakkerend blokkenvuur op de haard. Ik had nog geen lust om te gaan slapen, maar stak een sigaar aan en zat neer in een leunstoel voor de gloed, om het avontuur van die avond te overdenken. Ik gooide juist het laatste stuk van mijn Speciosa in het vuur, toen ik gestommel op de trap hoorde. Ik erken dat ik een ogenblik van dwaze angst had, denkend dat men mij nu ten slotte toch in een val had gelokt en kwam beroven. Maar het was de waard en de dochter van mijn gastheer van die avond, kwam met hem. Ze was opgewonden, maar beheerst.

‘Wat een geluk dat u nog hier bent, dokter. Mijn arme vader heeft juist toen hij naar bed was gegaan, een vreselijke benauwdheid gekregen. Misschien had hij zich wat druk gemaakt, vanavond. Het spijt mij dat ik u nog zo laat moet lastigvallen, maar zoudt u dadelijk met mij mee willen gaan? U kunt hem misschien helpen.’

Het was een hoog en ongezellig vertrek, waar een weeë geur van verdampte eau-de-cologne hing en prikkelvleugjes van ammoniak. Een moderateurlamp stond op tafel tussen de gewone slaapkameronbenulligheden; haarborstel, scheerkwastje, zwaar repetitiehorloge, stropdas, grote cameedoekspeld, die eensklaps door hun betrekking tot de dode ik weet niet wat voor fijn-weemoedigs hadden gekregen. Op de leeggebrande haard wapperde een laatste vlam met steeds langer tussenpo­zen. Voor het bed, waarvan de groen damasten gordijnen terzijde waren geplooid, lag een oude knecht knielend te bidden, en een oude meid in een paars gebloemd nachtjak zat op een stoel stil te schreien.

Ik onderzocht de oude man voor de vorm, maar er was geen ruimte voor twijfel. De rigor mortis was reeds ingetreden. Ik vertelde de dochter zo delicaat ik kon, dat haar vader was gestorven. Zij had het al begrepen en beheerste zich met vrouwelijke geestkracht.

Toen ik na de lijkschouw mijn handen stond te wassen, denkend over de vreem­de toevalligheden van de dag, vond mijn dwalend oog een goudomlijst olieverfpor­tret boven het rococo lofwerk van de schoorsteenmantel. Het was geschilderd in de droge, ‘gelikte’ stijl van de dertiger jaren en gaf een gedecolleteerde, jonge vrouw met angstvallig gescheiden, geplakt haar. Maar zonder weifeling herkende ik de ge­heimzinnige voerster die mij in de vestibule van het winterpaleis was komen zoe­ken.

Ik was zo verbaasd, dat ik uitriep. De drie zagen mij aan.

‘Wie is dat?’ vroeg ik en wees met een bevende, ingezeepte wijsvinger naar het portret. ‘Dat is de vrouw die mij hierheen heeft gebracht.’ Het meisje zag mij star aan. Even krulde haar bovenlip ongelovig, maar toen zij mijn ernstgespannen ge­zicht zag, werd zij nog bleker. ‘Dat is mijn moeder,’ zei ze krachteloos. ‘Zij is bij mijn geboorte gestorven – meer dan twintig jaar geleden.’

Frits Hopman
Foto: niet bekend

Frits Hopman (1877-1932) werd in Amsterdam geboren aan de Leliegracht, waar zijn vader een behangselpapierwinkel had. Een voorvader van deze vader was de eerste ballonvaarder van Nederland. Hopman ging naar de HBS, maar werd er door zijn vader vanaf gehaald omdat hij geen huiswerk maakte. Hij tekende en schilderde veel en hield zich bezig met sterrenkunde. Later deed hij een zelfstudie Engels en slaagde voor Acte A. Pas acht jaar later slaagde hij ook voor Acte B en kon hij leraar worden, in Winterswijk.

Hopman was melancholiek en neigde naar depressiviteit. Samen met zijn vrouw sloot hij zich aan bij de theosofische Christian Science Movement in Engeland. Hij overleed na een langdurig ziekbed aan leukemie.

Tijdens zijn leven werd hij bekroond met de Prijs voor Meesterschap (1925) en de C.W. van der Hoogtprijs (1925, 1926). Hij schreef m.n. verhalen en vertaalde werk van Johan Huizinga.

Enkele citaten over Hopman:

‘Uit zijn gevoel van alleenheid en verlatenheid temidden dezer wereld der koude zintuiglijk-waarneembare dingen; en uit zijn heimwee en rusteloos zoeken naar wat als een schoon vermoeden is àchter die dingen, hijgt, jaagt en snakt naar de eindelijke ontdekking van een arcanum, naar iets dat wijding schenken kan en heiliging aan het als duldloos saai en ledig aangevoelde leven!’ (D.Th. Jaarsma, Den Gulden Winckel, 1918)

‘De stof voor zijn verhalen ontleende Hopman aan voorvallen en personen uit zijn directe omgeving. Voor een intimus is iedere persoon haast met een naam te beleggen van het model; in dit opzicht komt zijn neiging tot exacte wetenschappen, tot observeeren en nauwkeurig beschrijven voor den dag, die hem hielpen waar zijn begrensde fantasie hem in den steek liet. Het beste is hij dan ook daar, waar hij alleen de werkelijkheid observeerde en weergaf; zwakker dadelijk waar hij fantaseert en niet bijeenbehoorende stukken der werkelijkheid aaneenkit met fictie. Hier ligt ook wellicht het geheim van de betrekkelijk zwakke structuur van zijn grooter werk, zijn romans.’ (A.J. van Pesch, Levensbericht)

‘De plaats van Hopman in de literatuur aan te wijzen is niet gemakkelijk. Hij staat er ietwat buiten, zoals hij buiten het literaire leven stond. Er in meegeleefd heeft hij niet en hij waande zich reeds lang vergeten, toen juist de toenmalige jongeren zijn werk waardeerden. Toen ik hem daarop wees en eraan herinnerde, dat men voor Erts toch een bijdrage van hem gevraagd had, zei hij me: “Ja, dat heeft me zéér verbaasd.” Maar het heeft hem ook verheugd, wat ik aan zijn gelaatsuitdrukking zien kon.

Bij zijn dood heeft Bernard Verhoeven, een oud-leerling van Hopman te Arnhem, in De Maasbode hem herdacht en hem ‘een merkwaardig leeraar, die een diepen mysterieuzen indruk op zijn leerlingen maakte’ genoemd. Ook bij de begrafenis van Hopman op Oud Eik en Duinen in Den Haag bleek welk een liefde men voor hem voelde. Wat geen wonder was, want hij was een door en door eerlijk, meelevend mens. En daarvan zijn er helaas te wening in het leven.’ (G.H. ’s-Gravesande, Vergeten en gebleven, blz. 142)

Het leven was te veel voor deze bange, zwakke man die leed aan moordende zelfkwellerij. (Boudewijn Büch, NRC, 16-06-1983)

(Vrij naar Schrijversinfo.nl)