James Joyce -

De Doden

Leestijd 80 - 110 min

Lily, de dochter van de huisbewaarder, liep zich letterlijk de benen uit het lijf. Nauwelijks had ze de ene heer naar het bijkeukentje achter het kantoor op de benedenverdieping gebracht en hem uit zijn jas geholpen, of daar rinkelde de hijgerige bel van de voordeur weer en moest ze door de kale gang hollen om de volgende binnen te laten. Het was maar goed dat ze niet ook de dames moest helpen. Maar Miss Kate en Miss Julia hadden daaraan gedacht en hadden de badkamer boven in een dameskleedkamer veranderd. Daar waren Miss Kate en Miss Julia, roddelend en lachend en drukdoend, die om de beurt naar de trap liepen, over de leuning naar beneden keken en naar beneden riepen om Lily te vragen wie er nu weer was gekomen.

Het was altijd een groots festijn, het jaarlijkse bal van de dames Morkan. Iedereen die ze kende ging erheen, familieleden, oude vrienden van de familie, de leden van Julia’s koor, alle leerlingen van Kate die er maar oud genoeg voor waren en zelfs een paar leerlingen van Mary Jane. Niet één keer was het een mislukking geworden. Zolang men zich kon herinneren was het uitstekend verlopen; sinds de dag dat Kate en Julia, na de dood van hun broer Pat, het huis in Stoney Batter hadden verlaten en Mary Jane, hun enige nicht, met zich hadden meegenomen om in het donkere, sombere huis op Ushers Island te gaan wonen, waar zij het bovendeel hadden gehuurd van Mr. Fulham, de graanhandelaar op de benedenverdieping. Dat was om en nabij dertigjaar geleden, op z’n minst. Mary Jane, toen nog een klein meisje in kinderkleren, was nu de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden, want zij speelde op het orgel in Haddington Road. Ze had de Academie doorlopen en gaf ieder jaar een voorspeelavond in de bovenzaal van de Antient Concert Rooms. Veel van haar leerlingen hoorden tot de families uit de betere kringen aan de Kingstown-en-Dalkeylijn. Hoe oud ze ook waren, ook haar tantes droegen hun deel bij. Julia, al was ze dan helemaal grijs, was nog steeds de eerste sopraan in de Adam en Eva, en Kate, die te zwak was om er veel op uit te gaan, gaf muzieklessen aan beginners op de oude tafelpiano in de achterkamer. Lily, de dochter van de huismeester, deed het werk van een dienstmeisje voor ze. Hoewel hun inkomen bescheiden was, geloofden ze in goed eten, van alles het beste: biefstuk van de haas, thee van drie shilling en de beste stout op fles. Maar Lily maakte zelden een vergissing in de bestellingen, zodat ze het goed kon vinden met haar drie mevrouwen. Ze deden druk, dat was alles. Maar het enige waar ze niet tegen konden was een grote mond.

Natuurlijk hadden ze op zo’n avond alle reden om zenuwachtig te zijn. Bovendien was het al ver na tienen en nog waren Gabriel en zijn vrouw nergens te bekennen. Ook waren ze vreselijk bang dat Freddy Malins zat zou komen opdagen. Voor geen goud wilden ze dat een van de leerlingen van Mary Jane hem onder invloed zou zien; en als hij in die toestand verkeerde, viel er soms niets met hem te beginnen. Freddy Malins kwam altijd te laat, maar ze vroegen zich af waar Gabriel zo lang bleef; en daarom liepen ze om de minuut naar de trap om Lily te vragen of Gabriel of Freddy al was aangekomen.

– O, Mr. Conroy, zei Lily tegen Gabriel toen ze hem opendeed, Miss Kate en Miss Julia dachten dat u nooit meer zou komen. Goedenavond, Mrs. Conroy.

– Ja, dat dacht ik al, zei Gabriel, maar ze vergeten dat mijn vrouw er drie eeuwigdurende uren over doet om zich te kleden.

Hij stond op de mat en veegde de sneeuw van zijn galoches, terwijl Lily zijn vrouw onder aan de trap bracht en naar boven riep:

– Miss Kate, hier is Mrs. Conroy.

Kate en Julia kwamen onmiddellijk van de donkere trap af gestruikeld. Beiden kusten ze Gabriels vrouw, zeiden dat ze wel bevroren moest zijn en ze vroegen of Gabriel met haar mee was gekomen.

– Hier ben ik, zoals besteld, tante Kate! Ga maar naar boven. Ik kom eraan, riep Gabriel vanuit het donker.

Hij was nog steeds krachtig z’n voeten aan het vegen, toen de drie vrouwen lachend naar boven liepen, naar de garderobe voor de dames. Een lichte franje sneeuw lag als een cape over de schouders van zijn jas en als teenstukken op de tenen van zijn galoches; en toen de knopen van zijn jas met een piepend geluid uit het van sneeuw verstijfde fries gleden, ontsnapte er een koude geurige buitenlucht uit vouwen en plooien.

– Sneeuwt het weer, Mr. Conroy? vroeg Lily.

Ze was hem voorgegaan naar de keuken om hem te helpen met zijn jas. Gabriel glimlachte om de drie lettergrepen waarmee ze zijn achternaam had uitgesproken en keek haar aan. Ze was een tenger, opgroeiend meisje met een bleke gelaatskleur en met strokleurig haar. Het gaslicht in de bijkeuken maakte haar nog bleker. Gabriel kende haar al van toen ze nog een kind was en altijd op de onderste tree van de trap speelde met een lappenpop.

– Ja, Lily, antwoordde hij, en ik denk dat we er de hele nacht aan vastzitten.

Hij keek omhoog naar het plafond van de keuken, dat schudde door het gestamp en geschuifel van de voeten op de vloer erboven, luisterde even naar de piano en keek toen naar het meisje, dat zijn jas zorgvuldig opvouwde op het eind van een boekenplank.

– Zeg Lily, zei hij vriendelijk, ga je nog steeds naar school?

– O nee Mr., antwoordde ze. Ik ben d’r al meer dan een jaar van af.

– O, zei Gabriel vrolijk, nou dan denk ik dat we binnenkort op een mooie dag wel naar de bruiloft van jou en je vriend toe moeten, hè?

Het meisje keek hem over haar schouder aan en zei met grote bitterheid:

– De mannen van tegenwoordig zijn een en al praatjes en wat hun van je willen.

Gabriel kreeg een kleur, alsof hij voelde dat hij een fout had gemaakt, en zonder haar aan te kijken schopte hij zijn galoches uit en sloeg ijverig met zijn handschoen over zijn lakschoenen.

Hij was een grote, zwaargebouwde jongeman. De hoogrode kleur van zijn wangen bereikte zelfs zijn voorhoofd en verspreidde zich in een paar vormeloze, bleekrode vlekken; en op zijn onbehaarde gezicht twinkelden rusteloos zijn geslepen brillenglazen en het blinkende vergulde montuur dat zijn gevoelige en rusteloze ogen afschermde. Zijn glanzende zwarte haar had een scheiding in het midden en was in een lange golf tot achter z’n oren gekamd, waar het enigszins krulde onder de groef die de rand van zijn hoed had achtergelaten.

Toen hij z’n schoenen glanzend had geslagen, stond hij op en trok zijn vest strakker rond zijn plompe gestalte. Toen haalde hij snel een muntstuk uit zijn zak

– O Lily, zei hij en stopte het haar in de hand, het is toch kerst. Hier… een klein…

Hij liep snel naar de deur.

– O nee, meneer! riep het meisje terwijl ze hem achterna liep. Echt meneer, dat kan ik niet aannemen.

– Kerst! Kerst! zei Gabriel, bijna dravend naar de trap en wuifde afwerend naar haar.

Het meisje zag dat hij al bij de trap was en riep hem na:

– Nou, dank u wel meneer.

Hij wachtte voor de deur van de salon tot de wals voorbij was en luisterde naar de rokken die tegen de deur aan ruisten en naar het schuifelen van de voeten. Hij was nog steeds van zijn stuk door de bittere en plotse repliek van het meisje. Het had hem in een sombere stemming gebracht, die hij van zich af probeerde te zetten door zijn manchetten en de strikken van zijn dasje recht te trekken. Toen nam hij uit zijn vestzak een papiertje en liet zijn blik gaan over de punten die hij had opgeschreven voor zijn speech. Hij was nog niet zeker over de regels van Robert Browning, want hij was bang dat die te hoog gegrepen waren voor zijn toehoorders. Een citaat dat ze kenden, uit Shakespeare of de Melodies, zou beter zijn. Het lompe geklak van de mannenhakken en het geschuifel van hun zolen herinnerde hem eraan dat hun cultuur verschilde van de zijne. Hij zou zich alleen maar belachelijk maken door poëzie voor hen te citeren die ze niet konden begrijpen. Ze zouden denken dat hij koketteerde met zijn superieure opleiding. Hij zou hen verkeerd aanpakken, zoals hij het meisje in de keuken verkeerd had aangepakt. Hij was op een verkeerde toon begonnen. Zijn hele speech was een vergissing van begin tot eind, een complete afgang.

Net op dat ogenblik kwamen zijn tantes en zijn vrouw uit de dameskleedkamer. Zijn tantes waren twee kleine, eenvoudig geklede oude vrouwen. Tante Julia was met een paar centimeter verschil de grootste. Haar haar, strak achter haar oren gekamd, was grijs; en grijs ook, met donkere schaduwen, was haar grote weke gezicht. Hoewel ze fors en recht gebouwd was, gaven haar lusteloze oogopslag en wijkende lippen de indruk van een vrouw die niet wist waar ze zich bevond of waar ze heenging. Tante Kate was vitaler. Haar gezicht, gezonder dan dat van haar zuster, was een en al kreukel en plooi, als een verschrompelde rode appel, en haar haar, gekapt in dezelfde ouderwetse stijl, had zijn fijne notenkleur nog niet verloren.

Allebei gaven ze Gabriel een dikke zoen. Hij was hun favoriete neef, de zoon van hun overleden oudste zuster Ellen, die getrouwd was geweest met T.J. Conroy van Port and Docks.

– Gretta vertelt me net dat je vannacht geen rijtuig terug wilt nemen naar Monkstown, Gabriel, zei tante Kate.

– Nee, zei Gabriel, en hij wendde zich tot zijn vrouw, daar hebben we wel genoeg van, na vorig jaar, nietwaar? Weet u nog, tante Kate, wat voor kou Gretta er toen aan overhield? De hele weg klapperende ramen en dan die oostenwind die ons tegemoet kwam toen we Merrion voorbij waren. Heel leuk was dat. Gretta heeft toen verschrikkelijk kougevat.

Tante Kate fronste streng en knikte bij elk woord.

– Groot gelijk, Gabriel, groot gelijk, zei ze. Je kunt niet voorzichtig genoeg zijn.

– Maar als het aan Gretta lag, zei Gabriel, liep ze door de sneeuw naar huis als ze de kans kreeg.

Mrs. Conroy lachte.

– Let u maar niet op hem, tante Kate, zei ze. Het is werkelijk een afschuwelijke zeur, met die groene oogbeschermers voor Tom ’s nachts, en dan laat hij hem met halters werken en dan dwingt hij Eva om haar pap te eten. Het arme kind! Ze wordt er al misselijk van als ze ernaar kijkt… O, maar u raadt nooit wat ik nu weer van hem aan moet!

Zij barstte in schaterlachen uit en keek haar man aan, die zijn bewon­derende en gelukkige ogen had laten dwalen van haar japon naar haar gezicht en haar haren. Haar twee tantes lachten ook hartelijk, want Gabriels bezorgdheid was bij hen een vaste grap.

– Gáloches, zei Mrs. Conroy. Dat is het nieuwste. Zo gauw het nat is onder de voeten, moet ik mijn gáloches aan. Zelfs vanavond wilde hij dat ik ze aantrok, maar ik deed het niet. Straks koopt hij nog een duikerpak voor me.

Gabriel lachte nerveus en klopte geruststellend op zijn das, terwijl tante Kate bijna dubbel lag, zo hartelijk genoot ze van de grap. De glimlach van tante Julia’s gezicht verdween algauw en zij richtte haar vreugdeloze ogen op het gezicht van haar neef. Een poosje later vroeg ze:

– En wat zijn gáloches, Gabriel?

– Gáloches, Julia, riep haar zuster uit. Lieve hemel, weet je niet wat gáloches zijn? Je draagt ze over je … over je laarzen, Gretta, ja toch?

– Ja, zei Mrs. Conroy. Dingen van gummi. We hebben allebei een paar.

Gabriel zegt dat in Europa iedereen ze heeft.

– O, in Europa, mompelde tante Julia, langzaam knikkend.

Gabriel kneep z’n wenkbrauwen samen en zei alsof hij een beetje boos was:

– Het is niets bijzonders, maar Gretta vindt het heel grappig, want ze zegt dat het woord haar doet denken aan die shuffelaars, die tapdansers met hun zwartsel.

– Maar zeg eens Gabriel, zei tante Kate met kordate tact. Je hebt natuurlijk voor een kamer gezorgd. Gretta zei net…

– O, de kamer is geregeld, antwoordde Gabriel. Ik heb er een in het Gresham genomen.

– Natuurlijk, zei tante Kate, verreweg het beste wat je kan doen. En de kinderen, Gretta, maak je je niet ongerust over ze?

– O, voor één nachtje, zei Mrs. Conroy. En bovendien, Bessie past op.

Natuurlijk, zei tante Kate weer. Het is een hele geruststelling om zo’n meisje te hebben, eentje waar je van op aan kunt! Nee, dan Lily. Ik zou niet weten wat ze heeft de laatste tijd. Ze is helemaal niet meer wie ze was.

Gabriel wilde zijn tante daar net een paar vragen over stellen, maar zij brak plotseling af om haar zuster na te kijken, die de trap af was gedwaald en haar hals over de leuning uitstrekte.

– Nou vraag ik je, zei ze bijna kregel, waar gaat Julia heen? Julia! Julia! Waar ga je heen?

Julia, die halverwege de eerste trap was, kwam terug en meldde neutraal:

– Daar is Freddy.

Op hetzelfde ogenblik kondigden applaus en een laatste loopje van de pianiste aan, dat de wals voorbij was. De deur van de salon ging van binnenuit open en enkele paren kwamen naar buiten. Tante Kate nam Gabriel haastig terzijde en fluisterde hem in het oor:

– Alsjeblieft Gabriel, loop ’s vlug naar beneden en kijk hoe het met hem is, en laat hem niet naar boven komen als hij aangeschoten is. Hij is vast aangeschoten, vast en zeker.

Gabriel liep naar de trap en luisterde over de leuning. Hij kon twee mensen horen praten in de keuken. Toen herkende hij de lach van Freddy Malins. Hij liep luidruchtig de trap af.

– Het is toch zo’n opluchting, zei tante Kate tegen Mrs. Conroy, dat Gabriel er is. Julia, kijk Miss Daly en Miss Power willen iets drinken. Wel bedankt voor uw mooie wals, Miss Daly. Iedereen heeft zich geweldig geamuseerd.

Een grote man met een verschrompeld gezicht, een stijve grijsachtige snor en een donkere huid, die met z’n partner naar buiten kwam, zei:

– En mogen wij ook een drankje, Miss Morkan?

– Julia, zei tante Kate snel, en hier zijn Mr. Browne en Miss Furlong. Neem ze mee naar binnen, Julia, met Miss Daly en Miss Power.

– Voor dames ben ik de man, zei Mr. Browne en hij trok zijn lippen samen tot zijn snor rechtovereind stond en hij lachte in al zijn rimpels. U weet, Miss Morkan, de reden dat ze zo gek op me zijn, dat is…

Hij maakte zijn zin niet af, maar, toen hij zag dat tante Kate buiten bereik was, bracht hij de drie jongedames direct de achterkamer in. Het midden van de kamer werd in beslag genomen door twee vierkante tafels die tegen elkaar waren gezet. Hierop legden tante Julia en de huisbewaar­der net een groot tafellaken recht en streken het glad. Op het buffet waren schalen en borden neergezet, en glazen en bundels messen en vorken en lepels. Het deksel van de gesloten tafelpiano deed ook dienst als buffet voor spijzen en desserts. Aan een kleiner buffet in de hoek stonden twee jongemannen hopbier te drinken.

Mr. Browne leidde zijn volgelingen daarheen en nodigde hen allen uit, voor de grap, om wat damespunch te drinken, heet, sterk en zoet. Toen ze zeiden dat ze nooit iets sterks dronken, opende hij drie flesjes limonade voor ze. Toen vroeg hij een van de jongelieden opzij te gaan, pakte de karaf en schonk zichzelf een behoorlijke bel whisky in. De jongelieden keken hem eerbiedig aan terwijl hij een teug nam om te proeven:

– God sta me bij, zei hij met een lach, het is het recept van de dokter.

Op zijn gerimpelde gezicht brak een nog bredere lach door, en de drie jongedames lachten in een muzikale echo om zijn grap, hun lichaam heen en weer wiegend, nerveus schokschouderend. De brutaalste zei:

– Maar Mr. Browne, zoiets kan de dokter toch niet hebben voorge­schreven.

Mr. Browne nam nog een teug whisky en zei, schuchterheid imite­rend:

– Ja, ziet u, ik ben als de beroemde Mrs. Cassidy, die gezegd zou heb­ben: Vooruit Mary Grimes, als ik het niet neem, zorg dan dat ik het neem, want ik voel dat ik het nodig heb.

Zijn verhit gezicht was net een beetje te vertrouwelijk dichterbij geko­men, en hij had zich een heel plat Dublins accent aangemeten, zodat de jonge vrouwen als op één teken zijn verhaal stilzwijgend aanhoorden. Miss Furlong, een van de leerlingen van Mary Jane, vroeg aan Miss Daly hoe de leuke wals heette die ze had gespeeld; en Mr. Browne draaide zich, toen hij zag dat hij werd genegeerd, bruusk om naar de twee jongelieden, die meer waardering betoonden.

Een jonge vrouw met een blozend gezicht en gekleed in een bloemetjesjurk kwam de kamer binnen, klapte opgewonden in haar handen en riep:

– Quadrilles! Quadrilles!

Vlak achter haar aan kwam tante Kate:

– Twee heren en drie dames, Mary Jane!

– O, hier zijn Mr. Bergin en Mr. Kerrigan al, zei Mary Jane. Mr. Kerrigan, zorgt u voor Miss Power? Miss Furlong, mag ik u aan Mr. Bergin toe­ vertrouwen? Zo, dat is alweer geregeld.

– Drie dames, Mary Jane, zei tante Kate.

De twee heren vroegen de dames of ze het genoegen mochten hebben, en Mary Jane wendde zich tot Miss Daly:

– O Miss Daly, het was echt geweldig van u, dat u daarnet de wals wilde begeleiden, maar we komen dames tekort vanavond.

– Ik vind het helemaal niet erg, Miss Morkan.

– Nou dan heb ik een leuke partner voor u, Mr. Bartell D’Arcy, de tenor. Hij zingt vast nog wel iets voor ons. Heel Dublin is weg van hem.

– Mooie stem, mooie stem, zei tante Kate.

Omdat de piano al voor de tweede maal begonnen was met de prelude van de eerste figuur, leidde Mary Jane haar rekruten snel de kamer uit. Ze waren nauwelijks weg of tante Julia kwam langzaam de kamer binnen terwijl ze omkeek naar iets achter haar.

– Wat is er, Julia? vroeg tante Kate bezorgd. Wie is het?

Julia, die een stapel servetten naar binnen droeg, wendde zich tot haar zuster en zei eenvoudig, alsof de vraag haar had verrast:

– Het is Freddy maar, Kate, en Gabriel is bij hem.

Inderdaad konden ze Gabriel Freddy door het trapportaal zien loodsen. De laatste, een man van om en nabij de veertig, had dezelfde lengte en bouw als Gabriel, maar met zeer ronde schouders. Zijn gezicht was vlezig en bleek, met alleen een beetje kleur op de dikke hangende lellen van zijn oren en de wijduitstaande vleugels van zijn neus. Hij had grove gelaatstrekken, een stompe neus, gebogen en uit elkaar staande wenkbrauwen en gezwollen en vooruitspringende lippen. Zijn zware oogleden en de wan­orde van z’n dunne haar gaven hem een slaperig uiterlijk. Hij was luid en hartelijk aan het lachen om een verhaal dat hij aan Gabriel op de trap had verteld en wreef tegelijk de knokkels van zijn linkervuist naar voor en naar achter in zijn linkeroog.

– Goedenavond, Freddy, zei tante Julia.

Freddy Malins zei de dames Morkan goedenavond op voor zijn doen vlotte wijze, want gewoonlijk sloeg zijn stem over. Toen hij zag dat Mr. Browne bij het buffet naar hem grijnsde, liep hij op nogal wankele benen de kamer door en begon op zachte toon weer aan het verhaal dat hij zojuist aan Gabriel had verteld.

– Het is niet zo erg met hem, hè? zei tante Kate tegen Gabriel.

Gabriels gezicht stond somber, maar hij trok vlug z’n wenkbrauwen op en antwoordde:

– O nee, het is haast niet te merken.

– Is hij niet verschrikkelijk, zei ze. En z’n arme moeder liet hem nog op oudejaarsavond beloven nooit meer te drinken. Maar vooruit Gabriel, op naar de salon.

Voor ze met Gabriel de kamer uit ging, gaf ze Mr. Browne een teken door haar wenkbrauwen te fronsen en waarschuwend haar wijsvinger tegen hem op te heffen. Mr. Browne knikte ten antwoord en toen ze weg was, zei hij tegen Freddy Malins:

– Nu zal ik jou ’s een goed glas limonade inschenken, Freddy, daar kik­ker je van op.

Freddy Malins, die bijna de clou van zijn verhaal had bereikt, wuifde het aanbod ongeduldig weg, maar Mr. Browne, die eerst Freddy Malins attent maakte op een kleine ongerechtigheid in zijn kleding, schonk een glas limonade vol en reikte het hem aan. Freddy Malins’ linkerhand nam het glas werktuiglijk aan, omdat zijn rechterhand werktuiglijk zijn kle­ding in orde aan het brengen was. Mr. Browne, met een gezicht dat weer eens rimpelde van de pret, schonk zichzelf een glas whisky in terwijl Fred­dy Malins, voor hij goed en wel de clou van z’n verhaal bereikt had, uit­barstte in een piepende bronchitisachtige lachstuip, zijn onaangeroerd en overlopend glas neerzette, met de knokkels van zijn linkervuist naar voor en naar achter in zijn linkeroog wreef en de woorden van zijn laatste zin herhaalde, voor zover zijn lachbui dat toeliet.

Gabriel slaagde er niet in te luisteren naar Mary Jane, die haar conser­vatoriumstuk met vele loopjes en moeilijke passages speelde in de stille salon. Hij hield van muziek, maar het stuk dat ze speelde, had voor hem geen melodie en hij betwijfelde of het ook maar enige melodie had voor de andere luisteraars, hoewel die Mary Jane gesmeekt hadden om iets te spe­len. Vier jongemannen, die op het geluid van de piano uit de buffetkamer waren gekomen om in de deuropening te gaan staan, waren na een paar minuten twee aan twee stilletjes weggegaan. De enigen die de muziek schenen te volgen, waren Mary Jane zelf, haar handen snellend over de toetsen of tijdens de rusten daarboven opgeheven als de handen van een priesteres bij een kortstondige bezwering, en tante Kate, die naast haar stond om de bladzijden om te slaan.

Gabriels ogen, geïrriteerd door de vloer, die onder de zware luchter blonk van de boenwas, dwaalden naar de wand boven de piano. Daar hing een afbeelding van de balkonscène uit Romeo en Julia met daarnaast een voorstelling van de twee vermoorde prinsen in de Tower, die tante Julia in rode, blauwe en bruine wol geborduurd had toen ze nog een meisje was. Waarschijnlijk hadden ze dat soort werk gekregen op de school die ze als meisje hadden bezocht want voor één verjaardag had zijn moeder voor hem, als cadeau, een vest van purperen tabijn geborduurd met kleine vossenkopjes, afgezet met bruin satijn en ronde moerbeiknopen. Het was vreemd dat zijn moeder niet muzikaal was geweest, al noemde tante Kate haar het brein van de Morkan-familie. Zij en Julia schenen altijd een beet­je trots geweest te zijn op hun serieuze en matrone-achtige zuster. Haar foto stond voor de penantspiegel. Ze hield een open boek in haar schoot en wees daarin Constantine, die gekleed in een matrozenpak aan haar voeten lag, iets aan. Zij was het die de namen voor haar zoons had gekozen, want ze was erg gevoelig voor de waardigheid van het familieleven. Het was aan haar te danken dat Constantine nu eerste predikant in Balbriggan was en dankzij haar was Gabriel zelf aan de Royal University afgestudeerd. Een schaduw trok over zijn gezicht toen hij zich haar knorrig verzet tegen zijn huwelijk herinnerde. Een paar geringschattende woorden die zij had gebezigd spookten nog steeds door zijn hoofd: zij had Gretta eens een boe­renschoonheid genoemd en dat ging helemaal niet op voor Gretta. Gretta was het die haar tijdens haar laatste lange ziekte verpleegd had in hun huis in Monkstown.

Hij wist dat Mary Jane bijna aan het eind van haar optreden moest zijn, want ze speelde weer de beginmelodie met de toonladderloopjes na iedere maat, en terwijl hij stond te wachten op het slot, ebde de wrok in zijn hart weg. Het stuk eindigde met een tremolo van octaven in de rech­terhand en een laatste diepe octaaf in de bas. Luid applaus viel Mary Jane ten deel, toen ze blozend en nerveus met haar muziek haspelend de kamer uit vluchtte. Het krachtigste applaus kwam van de vier jongelieden in de deuropening, die na het begin van het stuk naar het buffet waren gegaan maar waren teruggekomen toen de piano zweeg.

Men stelde zich op voor de lanciers. Gabriel kwam tegenover Miss Ivors te staan. Zij was een vrijgevochten, spraakzame jongedame, met een sproetig gezicht en bolle, bruine ogen. Haar jurk was hooggesloten en de grote broche, die voor op haar kraag gespeld was, droeg een Ierse spreuk en een embleem.

Toen zij hun plaatsen hadden ingenomen, zei ze opeens:

– Ik heb nog een appeltje met u te schillen.

– Met mij? zei Gabriel.

Zij knikte ernstig.

– Wat heb ik gedaan? vroeg Gabriel en hij lachte om haar plechtige wijze van doen.

– Wie is G. C.? vroeg Miss Ivors en zij richtte haar ogen op hem.

Gabriel kreeg een kleur en wilde net z’n wenkbrauwen fronsen alsof hij haar niet begreep, toen ze plotseling zei:

– O, heilige onschuld! Ik heb ontdekt dat u voor de Daily Express schrijft. Nou vraag ik u, schaamt u zich eigenlijk niet?

– Waarom zou ik me schamen? vroeg Gabriel knipogend en hij pro­beerde te lachen.

– Ik geneer me wel voor u, zei Miss Ivors. Schrijven voor zo’n vod. Ik wist niet dat u een Brit was.

Gabriel keek stomverbaasd. Het was waar dat hij iedere woensdag een literaire rubriek verzorgde in de Daily Express, waarvoor hij vijftien shil­ling kreeg. Maar daarom was hij nog geen Brit. De boeken die hij ter recensie kreeg, bevielen hem trouwens beter dan de miserabele cheque. Hij vond het fijn de banden te voelen en de bladzijden van de pas gedruk­te boeken om te slaan. Haast iedere dag, als hij klaar was met lesgeven op de universiteit, wandelde hij langs de kaden naar de tweedehands boek­winkels, naar Hickey in Bachelor’s Walk, naar Webb of Massey op Aston’s Quay of O’Clohissey in de steeg. Hij wist niet hoe hij haar aanval moest pareren. Hij wilde zeggen dat literatuur boven politiek stond. Maar ze waren al jaren bevriend en hun carrières waren gelijk op gegaan, eerst op de universiteit en toen in het onderwijs: hij kon zich tegenover haar geen duur klinkende frase permitteren. Hij bleef met zijn ogen knipperen en probeerde te glimlachen en mompelde slapjes dat hij niets politieks zag in het schrijven van boekbesprekingen.

Toen het hun beurt was voor de kruising, was hij nog totaal in de war en lette niet op. Miss Ivors nam hem onmiddellijk warm bij de hand en zei op zachte vriendelijke toon:

– Natuurlijk, ik maakte maar een grapje. Kom, de kruising.

Toen ze weer tegenover elkaar stonden, sprak zij over de universiteits­kwestie en daarbij voelde Gabriel zich meer op z’n gemak. Een van haar vrienden had Gabriels bespreking van de gedichten van Browning laten lezen. Zo was ze achter het geheim gekomen: maar ze vond de recensie heel erg goed. Toen zei ze plotseling:

– O, Mr. Conroy, hebt u zin om deze zomer mee te gaan op een tocht naar de Aran-Eilanden? Wij blijven er een hele maand. Het zal prachtig zijn daar in de Atlantische Oceaan. U moet echt meegaan. Mr. Clancy gaat mee, en Mr. Kilkelly en Kathleen Keamey. Gretta zal het ook geweldig vin­den om mee te gaan. Zij komt toch uit Connacht, nietwaar?

– Haar familie, zei Gabriel kortaf.

– Maar u gaat mee, hè? zei Miss Ivors en zij legde haar warme hand met aandrang op zijn arm.

– De zaak is, zei Gabriel, ik heb al afgesproken om naar…

– Naar? vroeg Miss Ivors.

– Ja ziet u, ieder jaar maak ik met een paar vrienden een fietstocht en daarom…

– Maar waarheen dan? vroeg Miss Ivors.

– Meestal gaan we naar Frankrijk of België, eventueel Duitsland, zei Gabriel.

– En waarom gaat u naar Frankrijk of België? zei Miss Ivors, in plaats van naar uw eigen land?

– Gedeeltelijk, zei Gabriel, om mijn talen bij te houden en gedeeltelijk voor de verandering.

– Hoeft u dan uw eigen taal niet bij te houden – het Iers? vroeg Miss Ivors.

– Ah, zei Gabriel, als het daarom gaat: Iers is mijn taal niet.

De mensen in hun buurt hadden zich omgedraaid om het kruisverhoor beter te kunnen volgen. Gabriel keek nerveus naar links en naar rechts en probeerde zijn goede humeur te bewaren onder de beproeving, terwijl een donkerrode kleur over zijn voorhoofd trok.

– En u vindt het dan niet nodig uw eigen land te leren kennen, ging Miss Ivors verder, waar u niets van weet, uw eigen volk, en uw eigen land.

– Om u de waarheid te zeggen, viel Gabriel plotseling uit, ik ben ziek van mijn eigen land, ziek!

– Waarom? vroeg Miss Ivors.

Gabriel gaf geen antwoord, want zijn uitval had hem verhit.

– Waarom? herhaalde Miss Ivors.

Ze waren nu aan de beurt voor een nieuwe figuur en omdat hij haar geen antwoord had gegeven, zei Miss Ivors warm:

– Natuurlijk, u kunt hier niets op zeggen.

Gabriel probeerde zijn opwinding te verbergen door met grote energie aan de dans deel te nemen. Hij vermeed haar aan te kijken, want hij had een norse trek op haar gezicht gezien. Maar toen ze elkaar in de lange keten tegemoet kwamen, was hij verbaasd toen hij haar hand stevig in de zijne voelde. Zij keek hem een ogenblik spottend van onder haar wenk­brauwen aan tot hij glimlachte. Toen, net op het moment dat de keten weer in beweging kwam, ging ze op haar tenen staan en fluisterde in zijn oor:

– Brit!

Toen de lanciers voorbij was, liep hij naar een afgelegen hoek van de kamer, waar de moeder van Freddy Malins zat. Zij was een grote, zwakke, oude vrouw met wit haar. Haar stem haperde als die van haar zoon en ze stotterde een beetje. Men had haar verteld dat Freddy er was en dat hij vrijwel nuchter was. Gabriel vroeg haar of ze een goede overtocht had gehad. Ze woonde bij haar getrouwde dochter in Glasgow en kwam een­ maal per jaar naar Dublin. Zij antwoordde rustig dat ze een schitterende overtocht had gehad en dat de kapitein bijzonder aardig voor haar was geweest. Zij vertelde ook over het prachtige huis waar haar dochter werkte in Glasgow en over alle aardige vrienden die ze daar hadden. Terwijl ze maar doorratelde, probeerde hij het onplezierige incident met Miss Ivors geheel uit zijn geest te bannen. Natuurlijk was het meisje of de vrouw, of wat ze dan ook was, een idealiste, maar alles op zijn tijd. Misschien had hij haar niet zo van repliek moeten dienen. Maar daarom had zij nog geen recht hem een Brit te noemen waar iedereen bij was, zelfs niet voor de grap. Ze had geprobeerd hem ten overstaan van iedereen belachelijk te maken door hem aan de tand te voelen en hem aan te staren met haar konijnenogen.

Hij zag dat zijn vrouw naar hem toekwam door de walsende paren heen. Toen ze bij hem was, fluisterde ze in zijn oor:

– Gabriel, tante Kate vraagt of jij de gans weer voorsnijdt. Miss Daly snijdt de ham en ik doe de pudding.

– Goed, zei Gabriel.

– Ze laat eerst de jongeren naar binnen gaan, meteen als deze wals voorbij is, zodat wij de tafel voor onszelf hebben.

– Heb je gedanst? vroeg Gabriel.

– Natuurlijk. Heb je me niet gezien? Had je woorden met Molly Ivors?

– Hoezo woorden? Zei ze dat?

– Zoiets. Ik probeer Mr. D’Arcy aan het zingen te krijgen. Hij stikt van verbeelding, geloof ik.

– We hadden geen woorden, zei Gabriel uit zijn humeur, ze wilde alleen dat ik meeging op een reis naar het westen van Ierland en ik zei dat ik dat niet deed.

Zijn vrouw klapte opgewonden in haar handen en maakte zelfs een sprongetje.

– O, asjeblieft Gabriel, riep ze. Ik zou het heerlijk vinden om Galway weer te zien.

– Jij kan gaan, als je daar zin in hebt, zei Gabriel koud.

Ze keek hem even aan, wendde zich toen naar Mrs. Malins en zei:

– Hier hebt u nog eens een aardige echtgenoot voor u, Mrs. Malins.

Terwijl ze weer door de kamer meanderde, begon Mrs. Malins, zonder acht te slaan op de onderbreking, weer te vertellen wat voor mooie steden en landschappen er in Schotland waren. Haar schoonzoon nam hen ieder jaar mee naar de meren en daar gingen ze dan vissen. Haar schoonzoon was een geweldige visser. Op een dag had hij een vis gevangen, een hele mooie, grote vis, en de man van het hotel had die gekocht voor hun avondmaal…

Gabriel hoorde nauwelijks wat ze zei. Nu het tijd werd voor het sou­per, moest hij weer denken aan zijn speech en aan het citaat. Toen hij Freddy Malins door de kamer zag aan komen lopen om zijn moeder gedag te zeggen, maakte Gabriel de stoel voor hem vrij en trok zich terug in een vensternis. De kamer was al leeggelopen, en vanuit de achterkamer klonk het gekletter van borden en messen. Zij die nog in de salon waren geble­ven, schenen het dansen moe en stonden in kleine groepjes rustig te praten. Gabriels warme, trillende vingers trommelden op het koude kozijn. Wat zou het buiten fris zijn! Wat zou het heerlijk zijn om buiten te lopen, alleen, eerst langs de rivier en dan door het park! De sneeuw zou op de takken van de bomen liggen en een blinkende kap vormen op het Wel­lington Monument. Hoeveel heerlijker zou het daar zijn dan aan het souper!

Hij liep de punten van zijn speech nog eens na: Ierse gastvrijheid, droeve herinneringen, de Drie Gratiën, Paris, het citaat van Browning. In zichzelf herhaalde hij een zin die hij in zijn bespreking had geschreven: Je hebt het gevoel dat je luistert naar een door denken getourmenteerde muziek. Miss Ivors had de recensie geprezen. Meende ze dat? School er wel een eigen leven achter al die propaganda van haar? Er was nooit een spoor van wrijving tussen hen geweest voor die avond. De gedachte dat zij aan tafel zou zitten, naar hem opkijkend met haar kritische, spottende ogen als hij sprak, maakte hem nerveus. Misschien zou ze het wel leuk vinden als hij in zijn speech zou blijven steken. Een idee schoot hem te binnen dat hem moed gaf. Hij zou zeggen met een toespeling op tante Kate en tante Julia: Dames en Heren, de generatie die nu in ons midden in haar herfsttij is, mag dan haar fouten hebben gehad, maar in mijn ogen beschikte diezelfde generatie over bepaalde gaven van gastvrijheid, humor en menselijkheid, die de jonge en zeer serieuze en hyperonderlegde generatie die nu om ons heen opgroeit mij schijnt te ontberen. Heel goed. Dat sloeg op Miss Ivors. Dat zijn tantes twee domme, oude vrouwen waren, deed er minder toe.

Een geroezemoes in de kamer trok zijn aandacht. Mr. Browne kwam naar voren, op galante wijze tante Julia begeleidend, die op zijn arm leun­de, glimlachte; en haar hoofd gebogen hield. Een onregelmatig salvo van applaus begeleidde haar ook tot aan de piano en stierf geleidelijk weg toen Mary Jane op de kruk ging zitten, en tante Julia, die nu niet meer glim­lachte, zich half omdraaide om haar stem vrijuit in de kamer te laten klin­ken. Gabriel herkende het voorspel. Het was een oud lied van tante Julia – Getooid voor de bruiloft. Haar stem, krachtig en helder van toon, stortte zich met groot elan op de coloraturen die de loopjes verrijkten, en hoewel ze heel snel zong, miste ze nog niet de geringste versiering. Als men die stem volgde zonder naar het gezicht van de zangeres te kijken, was het alsof men deelhad aan de opwinding van een snelle en zekere vlucht. Gabriel applaudisseerde luid mee met al de anderen aan het einde van het lied, en luid applaus werd binnengedragen vanuit de onzichtbare soupertafel. Het klonk zo hartelijk dat een blosje over tante Julia’s gezicht trok toen ze zich vooroverboog om het oude, in leer gebonden liedboek met haar initialen op het omslag weer op de muziekstandaard te zetten. Freddy Malins, die zijn hoofd opzij had gebogen om beter naar haar te kunnen luisteren, klapte nog toen iedereen was opgehouden en praatte opgewonden met zijn moeder, die ernstig en langzaam instemmend knikte. Ten slotte stond hij, toen hij niet meer kon applaudisseren, op en liep haastig door de kamer naar tante Julia toe. Hij greep haar hand, hield die met beide handen vast en schudde hem alsof hij geen woorden kon vinden of het stokken van zijn stem niet de baas kon worden.

– Ik zei net tegen mijn moeder, zei hij, dat ik u nog nooit zo mooi heb horen zingen, nooit. Nee, ik heb uw stem nog nooit zo mooi gehoord als hij vanavond is. Ja, u gelooft het niet. Het is de waarheid. Op mijn woord van eer, het is de waarheid. Ik heb uw stem nog nooit zo fris en zo … zo hel­der en fris gehoord, nooit.

Tante Julia lachte voluit en mompelde iets over complimentjes en bevrijdde haar hand uit zijn greep. Mr. Browne strekte zijn open hand naar haar uit en zei tegen degenen die bij hem stonden, als een impresario die een wonderkind aan zijn publiek voorstelt:

– Miss Julia Morkan, mijn laatste ontdekking!

Hij lachte hier zelf bijzonder hartelijk om, toen Freddy Malins zich omdraaide en tegen hem zei:

– Nou, Browne, je zou waarachtig een slechtere ontdekking kunnen doen. Ik kan niet anders zeggen dan dat ik haar nog nooit ook maar half zo goed heb horen zingen, zolang ik hier al kom. En dat is de volle waarheid.

– Ik ook niet, zei Browne. Ik vind dat haar stem er erg op vooruit gegaan is.

Tante Julia haalde haar schouders op en zei bescheiden maar trots:

– Dertig jaar geleden was die ook zo slecht nog niet.

– Ik heb Julia vaak gezegd, zei tante Kate met klem, dat ze haar talenten in dat koor verspilt. Maar van mij heeft ze nooit iets aangenomen.

Ze draaide zich om, als om bij de anderen begrip te vragen voor een weerspannig kind, terwijl tante Julia voor zich uit staarde en er een vage glimlach van herinnering over haar gezicht speelde.

– Nee, ging tante Kate verder, ze wilde zich door niemand iets laten vertellen en sloofde zich maar uit in dat koor, dag en nacht, dag en nacht. Om zes uur op kerstochtend! En waar diende het allemaal voor?

– Misschien ter ere van God, toch, tante Kate? vroeg Mary Jane, die zich op de pianokruk omdraaide en glimlachte.

Tante Kate wendde zich geprikkeld tot haar nicht en zei:

– Ik weet alles van de eer van God, Mary Jane, maar ik geloof dat het weinig eervol is van de paus om vrouwen uit het koor te verwijderen die zich daar hun leven lang hebben uitgesloofd, en snotapen aan te stellen. Misschien is het in het belang van de Kerk als de paus zoiets doet, maar rechtvaardig is het niet, Mary Jane, en goed is het ook niet.

Ze had zich kwaad gemaakt en zou het nog verder voor haar zuster opgenomen hebben, want dat was een teer punt voor haar, als niet Mary Jane, die zag dat alle dansers teruggekomen waren, vreedzaam tussenbei­de was gekomen:

– Maar, tante Kate, misschien neemt Mr. Browne, die niet van ons ge­loof is, daar aanstoot aan.

Tante Kate wendde zich tot Mr. Browne, die grinnikte om deze toespe­ling op zijn geloof, en zei haastig:

– O, maar ik vraag me niet af of de paus gelijk heeft. Ik ben maar een domme oude vrouw en zoiets zou ik niet durven. Maar er bestaat ook nog zoiets als gewone alledaagse beleefdheid en erkenning. En in Julia’s plaats zou ik pater Healy dat recht in zijn gezicht zeggen…

– En daar komt bij, tante Kate, zei Mary Jane, dat we allemaal echt honger hebben en als we honger hebben dan zijn we allemaal erg prikkel­baar.

– En als we dorst hebben zijn we ook prikkelbaar, voegde Browne eraan toe.

– Daarom kunnen we nu beter gaan souperen, zei Mary Jane, en de dis­cussie later voortzetten.

Op de trap voor de salon trof Gabriel zijn vrouw en Mary Jane, die Miss Ivors trachtten over te halen om te blijven voor het souper. Maar Miss Ivors, die haar hoed had opgezet en haar mantel dichtknoopte, wilde niet blijven. Ze had helemaal geen honger en ze was toch al langer gebleven dan ze van plan was.

– Tien minuten nog, Molly, zei Mrs. Conroy, wat maakt dat nu uit?

– Een klein hapje maar, zei Mary Jane, na al dat dansen.

– Echt niet, zei Miss Ivors.

– Ik ben bang dat je het niet leuk hebt gevonden, zei Mary Jane ontmoedigd.

– O juist wel, heus, zei Miss Ivors, maar nu moeten jullie me toch echt laten.

– Maar hoe komt u dan thuis? vroeg Mrs. Conroy.

– O, het is maar een klein eindje langs de kade.

Gabriel aarzelde even en zei toen:

– Als u mij toestaat, Miss Ivors, dan breng ik u thuis, als u echt moet gaan.

Maar Miss Ivors maakte zich van hen los.

– Geen sprake van, riep ze. Laten jullie alsjeblieft je eten niet koud wor­den en let niet op mij. Ik kan heel goed voor mezelf zorgen.

– Je bent wel een rare, hoor, Molly, zei Mrs. Conroy ferm.

Beannacht libh, riep Miss Ivors, met een lach, terwijl ze de trap af rende.

Mary Jane keek haar na met een geërgerde, verbaasde uitdrukking op haar gezicht en Mrs. Conroy luisterde over de leuning naar de buitendeur. Gabriel vroeg zich af of hij de oorzaak was van haar plotselinge vertrek. Maar ze scheen niet in een slecht humeur te zijn: ze was lachend wegge­gaan. Hij staarde wezenloos de trap af.

Op dat moment kwam tante Kate uit de kamer getrippeld, bijna wan­hopig haar handen wringend:

– Waar is Gabriel? riep ze. Waar is Gabriel in ’s hemelsnaam? Iedereen zit binnen te wachten, een vol huis en niemand om de gans te snijden.

– Hier ben ik, tante Kate! riep Gabriel, plotseling weer oplevend, klaar om een hele vlucht ganzen voor te snijden als het moest.

Een vette bruine gans lag aan het ene uiteinde van de tafel en aan de andere kant, op een bed van geplooid papier bestrooid met peterselie, lag een grote ham, opengesneden en overdekt met beschuitkruimels, en daarnaast lag weer een rond stuk pekelvlees. Tussen deze twee uiteinden lie­pen evenwijdige lijnen van bijgerechten: twee kleine bouwsels van gelei, rood en geel, een ondiepe schaal met blokjes blanc-manger en rode jam, een grote groene bladvormige schaal met een stengelvormig handvat, waarop trossen blauwe druiven en gepelde amandelen lagen, een bijbeho­rende schaal waarop een compacte rechthoek van Smyrna-vijgen lag, een schaal custard met geraspte nootmuskaat erover, een kleine bokaal met chocolaatjes en bonbons in goud- en zilverpapier en een glazen vaas waar­in selderijstengels stonden. In het midden van de tafel stonden, als schild­wachten bij een fruitschaal die een piramide van sinaasappelen en Amerikaanse appels schraagde, twee ouderwetse bolle karaffen van kristal, één met port en de ander met donkere sherry. Op de gesloten tafelpiano lag in een reusachtige gele schaal de pudding te wachten met daarachter drie regimenten van flessen stout en ale en mineraalwater, opgesteld naar de kleur van hun uniform, de eerste twee zwart met bruine en rode etiketten, het derde regiment wit, met groene banden overdwars.

Gabriel nam resoluut zijn plaats in aan het hoofd van de tafel, en, na de snijkant van het mes te hebben beproefd, plantte hij zijn vork stevig in de gans. Hij voelde zich nu helemaal op zijn gemak, want hij was een vol­leerde voorsnijder en zat graag aan het hoofd van een welvoorziene dis.

– Miss Furlong, wat mag ik voor u afsnijden? vroeg hij. Een vleugel of een borststuk?

– Een klein stukje van de borst.

– En u, Miss Higgins?

– O, maakt niet uit, Mr. Conroy.

Terwijl Gabriel en Miss Daly borden met gans en ham en gekruid rundvlees uitwisselden, ging Lily rond met een schaal hete bloemige aardappelen, gewikkeld in een wit servet. Dat was een idee van Mary Jane, en zij had ook appelsaus bij de gans voorgesteld, maar tante Kate had gezegd dat gewone geroosterde gans zonder appelsaus altijd goed genoeg voor haar was geweest en dat ze mocht hopen dat ze nooit iets slechters te eten kreeg. Mary Jane bediende haar leerlingen en zag erop toe dat zij de beste stukken kregen, en tante Kate en tante Julia openden de flessen en namen ze mee van de piano, stout en ale voor de heren en flessen mine­raalwater voor de dames. Er heerste door het gelach en het lawaai een grote verwarring – het lawaai van orders en tegenorders, van messen en vorken, van kurken en glazen stoppen. Gabriel begon de tweede porties voor te snijden zodra hij klaar was met de eerste, zonder zichzelf te bedie­nen. Iedereen protesteerde luid, waaraan hij tegemoet kwam door een fikse teug stout te nemen, want hij kreeg het warm van het snijden. Mary Jane ging rustig aan tafel zitten, maar tante Kate en tante Julia trippelden nog steeds rond de tafel, trapten elkaar op de hielen, liepen elkaar voor de voeten en gaven elkaar orders die ze niet opvolgden. Mr. Browne drong erop aan dat ze zouden gaan zitten en eten en Gabriel deed hetzelfde, maar ze zeiden dat daar nog tijd genoeg voor was, tot ten slotte Freddy Malins opstond, tante Kate ving en haar onder algemene hilariteit op haar stoel duwde.

Toen iedereen goed voorzien was, zei Gabriel lachend:

– Als iemand nog iets wil van wat het volk voer noemt, laat hij het dan zeggen.

Zij smeekten hem in koor om zelf te gaan eten en Lily kwam naar voren met drie aardappelen die ze voor hem had bewaard.

– Goed dan, zei hij minzaam en nam nog een slok bij wijze van aperi­tief, wees zo goed, dames en heren, mijn bestaan een paar minuten te ver­geten.

Hij begon te eten en nam geen deel aan de conversatie, die het lawaai dat Lily bij het afruimen maakte, overstemde. Onderwerp van gesprek was het operagezelschap dat toen in het Theatre Royal optrad. Mr. Bartell D’Arcy, de tenor, een donker uitziende jongeman met een fraaie snor, sprak vol lof over de eerste alt van het gezelschap, maar Miss Furlong vond haar vertolkingen nogal vulgair. Freddy Malins zei dat er een negerstam­hoofd zong in het tweede deel van de Gaiery-pantomime, die een van de mooiste tenoren had die hij ooit had gehoord.

– Hebt u hem gehoord? vroeg hij over de tafel aan Mr. Bartell D’Arcy.

– Nee, antwoordde Mr. Bartell D’Arcy onverschillig.

– Want, legde Freddy Malins uit, ik zou uw mening over hem wel eens willen horen. Ik vind dat hij een geweldige stem heeft.

– Je hebt altijd Teddy nodig om ontdekkingen te doen, zei Mr. Browne familiair tegen het gezelschap.

– En waarom. zou hij geen geweldige stem hebben? vroeg Freddy Malins scherp. Omdat hij maar een neger is?

Niemand gaf antwoord op deze vraag en Mary Jane bracht het gesprek weer op de echte opera. Een van haar leerlingen had haar een vrijkaartje gegeven voor de Mignon. Het was natuurlijk heel mooi, zei ze, maar toch had ze steeds moeten denken aan wijlen Georgina Bums. Mr. Browne kon nog verder teruggaan, naar de oude Italiaanse gezelschappen die vroeger geregeld Dublin aandeden.

– Tietjens, Ilma de Murzka, Campanini, de grote Trebelli, Giuglini, Ravelli, Aramburo. Dat waren de dagen, zei hij, toen er nog een beetje gezongen werd in Dublin. Hij vertelde ook hoe de enge­lenbak in het oude Koninklijk avond aan avond stampvol zat, hoe een Italiaanse tenor vijf encores van Laat mij sneven als een soldaat had gezongen, met iedere keer een hoge c erin en hoe de jongens van het schellinkje in hun enthousiasme soms de paarden van de koets van een grote prima don­na uitspanden en het rijtuig zelf door de straten naar haar hotel reden. Waarom gaven ze de grote oude opera’s nooit meer, vroeg hij, Dinorah, Lucrezia Borgia? Omdat ze de stemmen er niet voor kunnen vinden: daar­om.

– Ach, zei Mr. Bartell D’Arcy, ik denk dat er nu net zoveel goede zan­gers zijn als vroeger.

– Waar zijn ze dan? vroeg Mr. Browne uitdagend.

– In Londen, Parijs, Milaan, zei Mr. Bartell D’Arcy gloedvol. Caruso bijvoorbeeld is, veronderstel ik, even goed, zo niet beter dan de zangers die u noemde.

– Misschien, zei Mr. Browne, maar ik zeg u dat ik dat waag te betwij­felen.

– O, ik zou er alles voor over hebben als ik Caruso kon horen zingen, zei Mary.

– Voor mij, zei tante Kate, die net een beentje had afgekloven, was er maar één tenor; die ik goed vond, bedoel ik. Maar ik denk niet dat iemand ooit van hem gehoord heeft.

– Wie was het dan, Miss Morkan? vroeg Mr. Bartell D’Arcy beleefd.

– Hij heette Parkinson, zei tante Kate. Ik hoorde hem toen hij nog op z’n best was en ik geloof dat hij toen de zuiverste tenor had die ooit uit een mannenkeel geklonken heeft.

– Vreemd, zei Mr. Bartell D’Arcy, ik heb nooit van hem gehoord.

– Ja, ja, Miss Morkan heeft gelijk, zei Mr. Browne. Ik herinner me dat ik wel eens wat over de oude Parkinson gehoord heb. Maar toen was ik nog te jong.

– Een mooie, zuivere, zachte, warme, Engelse tenor, zei tante Kate enthousiast.

Toen Gabriel klaar was, werd de reusachtige pudding opgediend. Het kletteren van vorken en lepels begon opnieuw. Gabriels vrouw schepte lepels vol pudding op en gaf de borden door over de tafel. Halverwege wer­den ze tegengehouden door Mary Jane, die ze vollaadde met frambozen­ of sinaasappelgelei of met blanc-manger en jam. De pudding was het werk van tante Julia en ze ontving er van alle kanten complimenten voor. Zijzelf zei dat hij niet helemaal bruin genoeg was.

– Dan hoop ik maar, Miss Morkan, zei Mr. Browne, dat ik bruin genoeg voor u ben, want zoals u weet, ik ben helemaal bruin.

Alle heren behalve Gabriel aten uit respect voor tante Julia een stukje pudding. Omdat Gabriel niet van zoetigheid hield, was voor hem de selde­rij achtergehouden. Freddy Malins nam ook een stengel selderij en at die bij zijn pudding. Men had hem verteld dat selderij prima was voor het bloed en hij was juist onder doktersbehandeling. Mrs. Malins, die tijdens het hele souper gezwegen had, zei dat haar zoon over een week of wat naar Mount Melleray ging. Het gesprek aan tafel kwam toen op Mount Melle­ray, hoe verkwikkend de lucht daar was, hoe gastvrij de monniken waren en dat ze nooit ook maar een stuiver vroegen van hun gasten.

– Wilt u daarmee zeggen, vroeg Mr. Browne ongelovig, dat je erheen kan gaan en je er kan installeren alsof het een hotel is, om het vette der aarde te genieten en dan weer te vertrekken zonder één cent te betalen?

– O, de meeste mensen geven het klooster wel een gift als ze weggaan, zei Mary Jane.

– Ik wou dat we in onze Kerk zo’n instelling hadden, zei Mr. Browne oprecht.

Hij was stomverbaasd toen hij hoorde dat de monniken nooit spraken, om twee uur ’s nachts opstonden en in hun doodskist sliepen. Hij vroeg waarom ze dat deden.

– Dat is de regel van hun orde, zei tante Kate ferm.

– Ja, maar waarom? vroeg Mr. Browne.

Tante Kate herhaalde dat het de regel was, dat was alles. Mr. Browne scheen het nog steeds niet te begrijpen. Freddy Malins legde hem zo goed en zo kwaad als hij kon uit, dat de monniken probeerden te boeten voor alle zonden, begaan in de hele wereld. De uitleg was niet erg duidelijk, want Mr. Browne grinnikte en zei:

– Die gedachte bevalt me bijzonder goed, maar zou een gemakkelijk springveren bed niet net zo geschikt zijn als een doodskist?

– De doodskist is er, zei Mary Jane, om hen te herinneren aan hun laat­ste uur.

Nu het gesprek zo’n lugubere wending had genomen, werd het onder tafel gewerkt, maar in de stilte kon men Mrs. Malins nauwelijks verstaan­baar nog tegen haar buurman horen zeggen:

– Het zijn heel goede mensen, de monniken, heel vrome mensen.

De druiven en amandelen en vijgen en appels en sinaasappels en chocolaatjes en bonbons werden nu doorgegeven en tante Julia bood alle gas­ten een port of een sherry aan. Eerst bedankte Mr. Bartell D’Arcy voor bei­de, maar een van zijn tafelgenoten stootte hem aan en fluisterde hem iets toe, waarop hij zijn glas liet vullen. Toen ook de laatste glazen gevuld waren, hield de conversatie op. Een pauze volgde, alleen onderbroken door het geluid van de wijn en verschuivingen van stoelen. De dames Morkan, alle drie, keken naar het tafellaken. Iemand kuchte een paar keer en toen trommelden een paar heren zachtjes op de tafel om tot stilte te manen. De stilte kwam en Gabriel schoof zijn stoel achteruit en stond op.

Het getrommel klonk onmiddellijk luider, bij wijze van aanmoedi­ging, en hield toen helemaal op. Gabriel steunde met zijn tien trillende vingers op het tafelkleed en glimlachte nerveus naar het gezelschap. Toen hij de rij opgeheven gezichten zag, sloeg hij zijn ogen op naar de luchter. De piano speelde een wals en hij kon de rokken tegen de deur van de salon horen ruisen. Misschien stonden er mensen buiten in de sneeuw op de kade te kijken naar de verlichte vensters en te luisteren naar de walsmu­ziek. Daar was de lucht zuiver. In de verte lag het park, waar de bomen be­laden waren met sneeuw. Het Wellington Monument droeg een blinken­de sneeuwkap, die westwaarts lichtte over het witte veld van Fifteen Acres.

Hij begon:

– Dames en heren.

– Mij viel deze avond, zoals in voorgaande jaren, de eer te beurt, mij van een bijzonder plezierige taak te kwijten, een taak die, naar ik vrees, mijn krachten als spreker te boven gaat.

– Welnee, zei Mr. Browne.

– Maar, hoe het ook zij – ik kan u alleen maar vragen vanavond de intentie boven het resultaat te stellen en mij voor weinige ogenblikken het oor te lenen, als ik voor u met woorden probeer uit te drukken wat bij deze gelegenheid mijn gevoelens zijn.

– Dames en heren. Het is niet de eerste keer dat wij hier verenigd zijn onder dit gastvrij dak, rond deze gastvrije tafel. Het is niet de eerste keer dat wij mogen genieten – of misschien moet ik zeggen: dat wij het slacht­offer zijn – van de gastvrijheid van een paar vriendelijke dames.

Hij beschreef met zijn arm een cirkel in de lucht en pauzeerde. Allen glimlachten of knikten naar tante Kate, tante Julia en Mary Jane, die alle drie een kleur kregen van genoegen. Gabriel vervolgde met iets meer zelfvertrouwen:

– Ieder jaar weer raak ik er meer van overtuigd dat ons land geen tradi­tie heeft die het zo tot eer strekt en die het zo angstvallig in ere zou moe­ten houden als die van zijn gastvrijheid. Het is een traditie die in de moderne wereld uniek is, voorzover ik het kan bezien (en ik heb niet wei­nig plaatsen in het buitenland bezocht). Sommigen zullen misschien zeg­gen dat het bij ons meer een zwak van ons is, dan iets om trots op te zijn. Maar zelfs als dat zo is, ben ik de mening toegedaan dat het een vorstelijk zwak is, en één dat, naar ik vertrouw, nog lang door ons in ere gehouden zal worden. Van één ding ben ik in ieder geval zeker: zo lang dit dak de lieve dames, die ik zojuist noemde, beschut – en ik hoop van harte dat dat nog vele jaren zo moge zijn – zo lang leeft de traditie van echte, hartelijke, hoffelijke Ierse gastvrijheid, die wij erfden van onze voorouders en die wij op onze beurt moeten doorgeven aan ons nageslacht, nog voort.

Een hartelijk, instemmend gemompel klonk rond de tafel. Het schoot Gabriel te binnen dat Miss Ivors er niet was en dat zij onbeleefd was weg­gegaan, en hij zei vol zelfvertrouwen:

– Dames en heren. Een nieuwe generatie groeit op in ons midden, een generatie voortgestuwd door nieuwe idealen en nieuwe principes die hun ernst zijn. Het enthousiasme voor deze nieuwe ideeën is, geloof ik, zelfs als het verkeerd gericht is, in het algemeen oprecht. Maar we leven in een sceptische en als ik het zo mag uitdrukken, in een door denken getourmenteerde eeuw; en soms ben ik bang dat deze nieuwe generatie, gevormd en hypercultureel als zij is, die eigenschappen van menselijkheid, van gastvrijheid, van milde humor, eigenschappen die een vroeger tijdperk kenmerkten, zal mis­sen. Toen ik vanavond de namen van al die grote zangers uit het verleden hoorde, kwam het me voor, moet ik bekennen, dat wij in een minder ruimbedeelde tijd leven: de dagen van weleer mogen, zonder overdrijving, ruim bedeeld genoemd worden: en als ze dan voorgoed voorbij zijn, laten we dan tenminste hopen dat op bijeenkomsten als deze wij nog steeds met trots en liefde erover zullen spreken, dat wij nog steeds in ons hart de herinnering zullen koesteren aan die vervlogen grote geesten, wier faam de wereld niet vrijwillig zal laten uitsterven.

– Bravo, bravo! riep Mr. Browne luid.

– Maar toch, vervolgde Gabriel en hij liet zijn stem dalen, zijn er altijd op bijeenkomsten als deze droeviger gedachten die bij ons opkomen: gedachten aan het verleden, aan jonge jaren, aan veranderingen, aan gezichten die wij hier vanavond node missen. Onze weg door het leven is bezaaid met zulke droeve herinneringen, en indien wij die altijd zouden koesteren, dan zouden wij niet meer de kracht vinden onze levenstaak moedig te vervullen. Allen hebben wij in ons volle bestaan levende plich­ten en genegenheden die onze energie en kracht opeisen, en zo hoort het ook.

– Daarom wil ik bij het verleden niet stil blijven staan, geen somber moraliseren mag hier vanavond op ons inwerken. Wij zijn hier bijeen, voor een ogenblik verlost van het gewoel en gejacht van onze dagelijkse sleur. Wij zijn hier bijeen als vrienden, in de geest van ware vriendschap, als collega’s en ook, tot op zekere hoogte, in de waarachtige geest van camaraderie, en als gasten van – hoe zal ik ze noemen – de Drie Gratiën van Dublins muziekleven.

Bij deze tournure barstte applaus los en klonk het gelach van alle kan­ten. Tante Julia vroeg tevergeefs om de beurt aan haar tafelgenoten wat Gabriel gezegd had.

– Hij zegt dat wij de Drie Gratiën zijn, tante Julia, zei Mary Jane.

Tante Julia begreep het niet, maar ze keek stralend op naar Gabriel, die op dezelfde toon vervolgde:

– Dames en heren.

– Ik zal niet proberen de rol te spelen die Paris bij een andere gelegenheid speelde. Ik zal niet proberen tussen hen te kiezen. Die taak zou nete­lig zijn en mijn krachten te boven gaan. Want als ik hen om beurten aan­zie, of het nu onze eerste gastvrouw zelf is, wier goede hart, wier te goede hart, spreekwoordelijk is geworden bij allen die haar kennen; of haar zus­ter, die begiftigd schijnt te zijn met de eeuwige jeugd en wier zang van­avond voor ons allen een verrassing en een openbaring geweest moet zijn, of, last but not least, als ik onze jongste gastvrouw aanzie, begaafd, vrolijk, ener­giek, een nicht zoals er geen tweede te vinden is – dan moet ik bekennen, dames en heren, dat ik niet weet aan wie van hen ik de prijs zou moeten toekennen.

Gabriel wierp een blik op zijn tantes en toen hij de brede lach op tante Julia’s gezicht zag en de tranen die waren opgeweld in de ogen van tante Kate, repte hij zich naar zijn conclusie. Hij hief galant het glas, terwijl allen hun glas verwachtingsvol in de hand namen, en zei luid:

– Laten wij klinken op alle drie. Laten wij klinken óp hun gezondheid, rijkdom, lang leven, geluk en voorspoed, en mogen zij nog lang de trotse en door eigen kracht verworven plaats, die zij in ons hart innemen, behouden.

Alle gasten stonden op, hieven het glas en richtten zich tot de drie dames, die waren blijven zitten. Mr. Browne zette in en zij zongen in koor:

Want zij zijn vrolijke vrienden,
Want zij zijn vrolijke vrienden,
Want zij zijn vrolijke vrienden,
En niemand vindt van niet.

Tante Kate maakte rijkelijk gebruik van haar zakdoek en zelfs tante Julia scheen ontroerd. Freddy Malins sloeg de maat met zijn dessertlepel en de zangers richtten zich tot elkaar alsof het een beurtzang was en zon­gen met nadruk:

Of’ ’t is een stuk verdriet,
Of ’t is een stuk verdriet.

Toen richtten zij zich weer tot hun gastvrouwen en zongen:

Want zij zijn vrolijke vrienden,
Want zij zijn vrolijke vrienden,
Want zij zijn vrolijke vrienden,
En niemand vindt van niet.

Het gejuich dat daarop volgde, werd overgenomen achter de deur van de eetkamer door velen van de andere gasten en telkens weer herhaald, waarbij Freddy Malins met zijn lepel in de hoogte als dirigent optrad.

***

De snijdende ochtendlucht drong door in de hal waar ze stonden, zodat tante Kate zei:

– Laat iemand toch de deur dichtdoen. Mrs. Malins hier sterft nog van de kou.

– Mr. Browne staat buiten, tante Kate, zei Mary Jane.

– Browne is overal, zei tante Kate, die haar stem liet zakken. Mary Jane lachte om de toon waarop ze dat zei.

– Maar hij is heus erg attent, zei ze olijk.

– Hij geeft overal gas, zei tante Kate op dezelfde toon, in de dagen rond Kerstmis.

Zij lachte nu zelf ook hartelijk en voegde er toen snel aan toe:

– Maar laat hem toch binnen, Mary Jane, en doe de deur dicht. Ik hoop in ’s hemels naam dat hij me niet gehoord heeft.

Op dat moment ging de buitendeur open en stapte Mr. Browne over de drempel, en hij lachte zo hard dat hij niet meer bij scheen te komen. Hij droeg een lange groene jas met manchetten en kraag van namaak as­trakan en had een ovale bontmuts op. Hij wees langs de met sneeuw bedekte kade, waarvandaan een schril aanhoudend gefluit klonk:

– Teddy fluit alle rijtuigen van Dublin bij elkaar, zei hij.

Gabriel kwam uit de kleine keuken achter het kantoor, worstelde zich in zijn jas, keek de hal rond en zei:

– Is Gretta nog niet beneden?

– Ze pakt haar spullen, Gabriel, zei tante Kate.

– Wie speelt daarboven? vroeg Gabriel.

– Niemand. Ze zijn allemaal weg.

–  O nee, tante Kate, zei Mary Jane. Bartell D’Arcy en Miss O’Callaghan zijn er nog.

– Iemand zit in ieder geval te pingelen, zei Gabriel.

Mary Jane keek Gabriel en Mr. Browne aan en zei trillend:

– Ik krijg het gewoon koud als ik twee van die mannen zich zo zie inpakken. Ik zou niet graag naar huis gaan op dit uur.

– Ik zou nu juist niets liever willen dan buiten een verduiveld fijne wandeling maken of een snelle rit met een mooi, fel paard voor mijn wagen, zei Mr. Browne.

– We hadden vroeger een mooie, felle draver en een kleine koets, zei tante Julia droevig.

– De onvergetelijke Johnny, zei Mary Jane, lachend. Tante Kate en Gabriel lachten ook.

– O ja, wat was er dan zo bijzonder aan Johnny? vroeg Mr. Browne.

– Wijlen mijn grootvader, de diep betreurde Patrick Morkan, verklaarde Gabriel, op zijn oude dag beter bekend als de oude heer, was een lijmzieder.

– Ach nee, Gabriel, zei tante Kate lachend, hij had een stijfselmolen.

– Nou ja, lijm of stijfsel, zei Gabriel, de oude heer had een paard dat luisterde naar de naam Johnny. En Johnny placht te werken in de molen van de oude heer en liep maar rond en rond, om de molen aan de gang te houden. Tot zover ging alles goed; maar nu komt het tragische deel van het verhaal van Johnny. Op een goede dag kreeg de oude heer zin om mét de adel te gaan kijken naar de militaire parade in het park.

– God hebbe zijn ziel, zei tante Kate vol mededogen.

– Amen, zei Gabriel. De oude heer dus, zoals ik al zei, spande Johnny in en zette z’n allerbeste hoge hoed op en deed z’n allerbeste boordje om en vertrok in grote stijl van het slot van zijn voorvaderen, ergens bij Back Lane geloof ik.

Iedereen, zelfs Mrs. Malins, lachte om Gabriels manier van vertellen, en tante Kate zei:

– Nee toch Gabriel. Hij woonde niet in Back Lane, echt. De molen stond daar alleen maar.

– Van het slot van zijn voorvaderen, ging Gabriel door, reed hij met Johnny. En alles ging prachtig, tot Johnny in het zicht kwam van het standbeeld van koning Billy; en of hij nu verliefd werd op het paard waar­op koning Billy zit, of dat hij dacht dat hij weer terug was in de molen, dat weet ik niet – maar in ieder geval begon hij rond het standbeeld te lopen.

Gabriel liep in zijn galoches met grote passen in een cirkel door de hal en alle anderen lachten.

– Hij liep rond en rond, zei Gabriel, en de oude heer, die een bijzonder deftige oude heer was, werd hogelijk verontwaardigd. Vooruit, meneer! Wat is de bedoeling, meneer! Johnny! Johnny! Hoogst zonderling gedrag. Begrijp dat paard niet!

De lachsalvo’s die volgden op Gabriels imitatie van het voorval werden onderbroken door een luid gebons op de buitendeur. Mary Jane deed snel open en liet Freddy Malins binnen. Freddy Malins, met zijn hoed ver ach­ter op z’n hoofd en zijn schouders gebogen van de kou, hijgde en blies na zijn vertwijfelde pogingen.

– Ik kon maar één rijtuig krijgen, zei hij.

– O, wij vinden er nog wel een op de kade, zei Gabriel.

– Ja, zei tante Kate, we kunnen Mrs. Malins niet op de tocht laten staan.

Mrs. Malins werd door haar zoon en Mr. Browne de stoep af geholpen en na veel gemanoeuvreer in het rijtuig gehesen. Freddy Malins stapte na haar in en besteedde veel tijd om haar te installeren, terwijl Mr. Browne hem van advies diende. Eindelijk zat ze op haar gemak, en Freddy Malins nodigde Mr. Browne uit om in het rijtuig plaats te nemen. Er ontstond een verward gesprek, maar ten slotte klom Mr. Browne toch in het rij­tuig. De koetsier schikte een plaid over zijn knieën en boog zich opzij om naar het adres te vragen. De verwarring werd nog groter en de koetsier kreeg verschillende instructies van Freddy Malins en Mr. Browne, die bei­den hun hoofd uit een raam staken. De moeilijkheid was de vraag waar Mr. Browne onderweg afgezet moest worden en tante Kate, tante Julia en Mary Jane namen vanaf de stoep deel aan de discussie met aanwijzingen en tegenaanwijzingen en uitbundig gelach. Freddy Malins van zijn kant kon niet meer praten van het lachen. Hij stak elke keer zijn hoofd naar binnen en naar buiten, met groot gevaar voor zijn hoed, en hield zijn moeder op de hoogte van de gang van zaken, tot Mr. Browne ten slotte boven het oorverdovend gelach tegen de verbijsterde koetsier uitriep:

– Weet u waar Trinity College is?

– Ja meneer, zei de koetsier.

– Rechttoe rechtaan dan naar de ingang van Trinity College, zei Mr. Browne, en daar zien we dan wel weer. Begrijpt u het nu?

– Ja meneer, zei de koetsier.

– Vliegensvlug naar Trinity College.

– Goed meneer, zei de koetsier.

Het paard kreeg de zweep en het rijtuig ratelde weg langs de kade onder een koor van lachen en afscheidsgroeten.

Gabriel was niet met de anderen naar de deur gegaan. Hij stond in een donker gedeelte van de hal naar de trap te kijken. Een vrouw stond daar op de eerste verdieping, eveneens in de schaduw. Hij kon haar gezicht niet zien, maar wel de terracotta en zalmkleurige banen van haar japon, die door de schaduw zwart en wit leken. Het was zijn vrouw. Ze stond tegen de trapleuning en luisterde naar iets. Gabriel verbaasde zich over haar ver­stilling en spitste zijn oren om ook te luisteren. Maar hij hoorde weinig meer dan het gelach en het dispuut op de stoep, een paar akkoorden op de piano en een paar noten gezongen door een mannenstem.

Hij stond stil in het duister van de hal en probeerde het lied te volgen dat de man zong en keek op naar zijn vrouw. In haar houding was iets van gratie en mysterie, alsof zij een symbool was. Hij vroeg zich af waarvan een vrouw die op de trap in de schaduw staat te luisteren naar verre muziek, een symbool was. Als hij een schilder was, zou hij haar in deze houding schilderen. Haar blauwe vilten hoed zou het brons van haar haar doen uitkomen tegen het donker, en de donkere banen van haar japon zouden contrasteren met de lichte. Verre muziek zou hij het schilderij noe­men als hij een schilder was.

De deur ging dicht; en tante Kate, tante Julia en Mary Jane kwamen, nog steeds lachend; de hal binnen.

– Is Freddy niet verschrikkelijk? zei Mary Jane. Hij is echt verschrikke­lijk.

Gabriel zei niets, maar wees naar boven, waar zijn vrouw op de trap stond. Nu de buitendeur dicht was, klonken de stem en de piano duidelij­ker. Gabriel stak zijn hand op om hen tot stilte te manen. Het lied scheen in de oude Ierse toonzetting te zijn en de zanger leek onzeker over de woorden en over zijn stem. De stem, die door de afstand en de heesheid van de zanger klaaglijk klonk, onderstreepte zwakjes de cadans van het lied, met woorden die smart uitdrukten:

O, de regen valt op mijn zware lokken
En de dauw maakt mijn huid nat,
Mijn kindje ligt koud…

– O, riep Mary Jane uit. Dat is Bartell D’Arcy die daar zingt en hij wou de hele avond door niet zingen. Ik zal hem nog wel een lied laten zingen voor hij weggaat.

-Hè ja, Mary Jane, zei tante Kate.

Mary Jane duwde de anderen opzij en holde naar de trap, maar voor ze er was, hield het zingen op en ging de piano abrupt dicht.

– O, maar wat jammer! riep ze. Komt hij naar beneden, Gretta?

Gabriel hoorde zijn vrouw ja antwoorden en zag haar naar beneden naar hen toekomen. Een paar passen achter haar liepen Mr. Bartell D’Arcy en Miss O’Callaghan.

– O, D’Arcy, riep Mary Jane, het is gewoon gemeen van u om zo ineens af te breken, terwijl wij helemaal verrukt naar u stonden te luisteren.

– Mrs. Conriy en ik hebben hem de hele avond vervolgd, zei Miss O’Callaghan, maar hij zei dat hij ontzettend verkouden was en niet kon zingen.

– Maar Mr. D’Arcy, zei tante Kate, was dat nu niet een leugentje.

– Merkt u dan niet dat ik zo schor ben als een kraai? zei Mr. D’Arcy ruw.

Hij liep haastig de keuken in en trok zijn jas aan. De anderen, geschrok­ken door zijn ruwe woorden, wisten niets terug te zeggen. Tante Kate trok haar wenkbrauwen samen en gebaarde naar de anderen om het onder­werp te laten rusten. Mr. D’Arcy stond zorgvuldig en fronsend zijn hals te omzwachtelen.

– Het komt door het weer, zei tante Julia na een ogenblik.

– Ja, iedereen heeft kou gevat, zei tante Kate vlug, iedereen.

– Ze zeggen, zei Mary Jane, dat we in geen dertig jaar zoveel sneeuw gehad hebben; en ik las vanmorgen in de krant dat het sneeuwt in heel Ierland.

– Ik vind sneeuw zo mooi om te zien, zei tante Julia droevig.

– Ik ook, zei Miss O’Callaghan. Ik vind Kerstmis pas echt Kerstmis als er sneeuw op de grond ligt.

– Maar de arme Mr. D’Arcy houdt niet van de sneeuw, zei tante Kate, met een glimlach.

Mr. D’Arcy kwam uit de keuken, helemaal ingepakt en tot z’n hals toe dichtgeknoopt en hij vertelde hun berouwvol hoe grieperig hij zich voel­de. Allemaal gaven ze hem goede raad en zeiden dat het erg jammer was en ze maanden hem aan heel voorzichtig te zijn met zijn keel in de nachtlucht. Gabriel keek naar z’n vrouw, die niet deelnam aan het gesprek. Zij stond recht onder het stoffige bovenlicht en de gasvlam ver­lichtte de prachtige bronskleur van het haar, dat hij haar een paar dagen geleden had zien drogen bij het vuur. Ze had nog steeds dezelfde hou­ding en leek zich niet bewust van het gepraat om haar heen. Eindelijk draaide ze zich om en Gabriel zag dat ze een blos op haar wangen had en dat haar ogen schitterden. Een plotselinge golf van vreugde stroomde door hem heen.

– Mr. D’Arcy, zei ze, hoe heet het lied dat u daarnet zong?

– Het heet Het meisje van Aughrim, zei Mr. D’Arcy, maar ik ken het niet helemaal meer. Waarom wilt u het weten? Kent u het misschien?

Het meisje van Aughrim, herhaalde ze, ik kon niet op de naam komen.

– De melodie is erg aardig, zei Mary Jane, het is jammer dat u niet bij stem bent vanavond.

– Pas op, Mary Jane, zei tante Kate, maak D’Arcy niet ongelukkig. Ik wil niet dat hij zich ongelukkig gaat voelen.

Toen ze zag dat iedereen klaarstond om te vertrekken, loodste ze hen naar de deur, waar afscheid genomen werd.

– Goedenacht, tante Kate, en wel bedankt voor de heerlijke avond.

– Goedenacht Gabriel. Goedenacht, Gretta!

– Goedenacht, tante Kate, en ook nog bedankt voor alles.

– Goedenacht, tante Julia.

– O, goedenacht Gretta. Ik had je niet gezien.

– Goedenacht, Mr. D’Arcy. Goedenacht, Miss O’Callaghan .

– Goedenacht Miss Morkan.

– Goedenacht.

– Goedenacht, allemaal. Wel thuis.

– Goede nacht. Goede nacht.

Het was ’s ochtends nog donker. Een flauw, geel schijnsel hing over de huizen en de rivier; en de hemel leek omlaag te komen. Het was glibberig op straat; er lagen slechts een paar strepen en hoopjes sneeuw op de daken, op de kademuren en op de tuinhekken. De lampen brandden nog steeds hun rode gloed in de sombere lucht, en aan de overkant van de rivier stak het paleis van Four Courts dreigend af tegen de zware lucht.

Zij liep voor hem uit met Mr. Bartell D’Arcy, haar schoenen in een bruin pakket onder een arm gedrukt en ze hield met haar handen haar rok op vanwege de blubber. Haar houding was nu niet langer gracieus, maar Gabriels ogen straalden nog steeds van geluk. Het bloed joeg door zijn aderen; en de gedachten stormden door zijn brein, trots, vrolijk, teder, ridderlijk.

Zij liep voor hem, zo licht en rechtop dat hij zin had geluidloos naar haar toe te rennen, haar bij de schouders te pakken en iets geks en liefs in haar oor te fluisteren. Zij leek hem zo fragiel dat hij verlangde haar tegen iets te verdedigen en dan alleen met haar te zijn. Momenten uit hun intie­me leven schoten als sterren in zijn geheugen. Een mauve envelop lag naast zijn ontbijtbord en hij liefkoosde die met zijn hand. Vogels kwetterden in de klimop en het zonnige web van het gordijn glinsterde over de vloer; hij kon niet meer eten van geluk. Ze stonden op het overvolle per­ron en hij duwde een kaartje in de warme palm van haar handschoen. Hij stond met haar in de kou te kijken door een tralievenster naar een man die flessen maakt in een loeiende oven. Het was erg koud. Haar gezicht, geu­rend in de koude lucht, was heel dicht bij het zijne; en plotseling riep zij naar de man bij de oven:

– Is het vuur heet, meneer?

Maar de man hoorde haar niet door het lawaai van de oven, wat mis­schien maar goed was ook. Hij zou misschien een grof antwoord hebben gegeven.

Een golf van nog tederder vreugde ontsprong aan zijn hart en stroomde warm door zijn aderen. Als het tedere vuur van sterren straalden de ogenblikken van hun leven waar niemand iets van wist of ooit iets van zou weten, en zij lichtten door zijn geheugen. Hij verlangde ernaar om haar aan die ogenblikken te herinneren, om haar de jaren van hun saaie bestaan met elkaar te doen vergeten en alleen de ogenblikken van extase te herinneren, want de jaren, voelde hij, hadden zijn ziel of die van haar niet uitgeblust. Hun kinderen, zijn schrijven, haar huishoudelijke be­slommeringen hadden niet al het tedere vuur van hun zielen gedoofd. In een brief die hij haar toen had geschreven, had hij gezegd: waarom lijken woorden als deze mij zo saai en koud? Komt dat, omdat er geen woord teder genoeg is om jouw naam te zijn?

Als verre muziek kwamen deze woorden, die hij jaren geleden had geschreven, tot hem uit het verleden. Hij verlangde ernaar alleen met haar te zijn. Als de anderen weg waren, als hij en zij in de kamer in het hotel waren, dan zouden ze alleen zijn samen. Hij zou haar zacht roepen:

– Gretta!

Misschien zou ze het niet onmiddellijk horen: ze zou zich uitkleden. Dan zou iets in zijn stem haar treffen. Ze zou zich omdraaien om hem aan te zien…

Op de hoek van Winetavern Street namen ze een rijtuig. Hij was blij dat het geratel hem verloste van een gesprek. Zij keek uit het raam en zag er moe uit. De anderen zeiden maar weinig, wezen soms naar een gebouw of straat. Het paard draafde vermoeid voort onder de donkere ochtendhe­mel, zijn oude ratelende kist achter zich aan slepend, en Gabriel zat weer met haar in een rijtuig, galopperend om de boot te halen, galopperend naar hun huwelijksreis.

Toen het rijtuig over O’Connell Bridge reed, zei Miss O’Callaghan:

– Je kan O’Connell Bridge niet oversteken, zeggen ze, zonder een wit paard te zien.

– Ik zie een witte man dit keer, zei Gabriel.

– Waar? vroeg Mr. Bartell D’Arcy.

Gabriel wees naar het standbeeld waarop plekken sneeuw lagen. Toen knikte hij vertrouwelijk naar het beeld en wuifde met z’n hand.

– Goeienacht, Dan, zei hij vrolijk.

Toen de koets voor het hotel stilhield, sprong hij eruit en betaalde de koetsier, ondanks de protesten van Mr. Barcell D’Arcy. Hij gaf de man een shilling fooi. De man tikte aan zijn pet en zei:

– Een voorspoedig nieuwjaar, meneer.

– Insgelijks, zei Gabriel hartelijk.

Zij leunde bij het uitstappen even op zijn arm en groette de anderen toen ze nog op de treeplank stond. Zij leunde lichtjes op zijn arm, even licht als toen ze een paar uur geleden met hem gedanst had. Hij had zich toen trots en gelukkig gevoeld, gelukkig omdat ze van hem was, trots op haar gratie en vrouwelijke verschijning. Maar nu er zoveel herinneringen in hem wakker geworden waren, joeg de eerste aanraking met haar lichaam, dat als muziek was en vreemd en geurig, een vloed van intens ver­langen door hem heen. Aangemoedigd door haar zwijgen drukte hij haar arm dicht tegen zijn zij; en hij voelde toen ze voor de deur van het hotel stonden, dat zij ontsnapt waren aan hun dagelijkse plichten, ontsnapt aan huis en vrienden, en samen weggevlucht met wilde, stralende harten naar een nieuw avontuur.

Een oude man zat in een grote stoel met baldakijn te dutten in de hal. Hij stak een kaars aan in het kantoor en ging hen voor de trap op. Zij volg­den hem in stilte, hun voetstappen smoorden in de dikke traploper. Zij klom na de portier de trap op, haar hoofd bij het omhooggaan gebogen, haar frêle schouders gebogen als onder een last, haar rok strak om zich heen geplooid. Hij had zijn armen wel om haar middel willen slaan en haar tegenhouden, want zijn armen trilden van verlangen om haar te grijpen en alleen door zijn nagels in zijn handen te drukken hield hij de wilde impuls van zijn lichaam in toom. De portier bleef stilstaan op de trap om zijn druipende kaars recht te zetten. Zij bleven ook stilstaan, op de treden onder hem. In de stilte kon Gabriel het vallen van het gesmolten kaarsvet op de houder horen en het bonzen van zijn eigen hart tegen zijn ribben.

De portier leidde hen door een gang en opende een deur. Toen zette hij zijn wankele kandelaar neer op een toilettafel en vroeg hoe laat ze ’s och­tends gewekt moesten worden.

– Om acht uur, zei Gabriel.

De portier wees naar het knopje van het elektrisch licht en begon een excuus te mompelen, maar Gabriel onderbrak hem:

– Wij hebben geen licht nodig. Er komt licht genoeg van de straat. Dus, m’n beste man, voegde hij eraan toe, u kunt dat fraaie ding van u wel weer meenemen.

De portier nam zijn kandelaar weer op, maar langzaam, alsof hij verrast was door zo’n originele gedachte. Toen mompelde hij goeienacht en verdween. Gabriel deed de deur op slot.

Het bleke licht van de straatlantaarn lag in een baan dwars door de kamer van een van de ramen naar de deur. Gabriel gooide zijn jas en hoed op een divan en liep door de kamer naar het raam. Hij keek naar buiten om zijn opwinding enigszins te laten bedaren. Toen draaide hij zich om en leunde tegen een buffet met zijn rug naar het licht. Zij had haar hoed afgezet en haar jas uitgetrokken en stond voor een grote draaispiegel de band van haar onderrok los te maken. Gabriel bleef even wachten, naar haar kijkend en zei toen:

– Gretta.

Zij draaide zich langzaam om en liep over de baan licht naar hem toe. Haar gezicht stond zo ernstig en vermoeid, dat Gabriel geen woord kon uitbrengen. Nee, dat was nog niet het juiste moment.

– Je ziet er moe uit, zei hij.

– Een beetje, antwoordde ze.

– Voel je je wel goed?

– Ja, alleen wat moe.

Ze ging naar het raam en bleef daar staan en keek naar buiten. Gabriel wachtte weer even en zei toen plotseling uit angst dat zijn gebrek aan zelfvertrouwen hem de baas zou worden:

– Zeg Gretta.

– Wat is er?

– Ken jij die arme Malins? vroeg hij snel.

– Ja, wat is er met hem?

– Nou ja, die arme man is eigenlijk best een goeie kerel, vervolgde Gabriel op een toon die onecht klonk. Hij gaf me het geld terug dat ik hem geleend had, en dat had ik echt niet verwacht. Het is jammer dat hij niet uit de buurt blijft van die Browne, want zelf is hij zo kwaad nog niet.

Hij trilde nu van ingehouden woede. Waarom deed ze zo afwezig? Hij wist niet meer hoe hij moest beginnen. Was zij ook ergens kwaad over? Als ze zich alleen maar omdraaide of uit eigen beweging naar hem toe kwam! Haar vastpakken zoals ze daar stond, zou bruut zijn. Nee, hij moest eerst een teken van verlangen in haar ogen zien. Hij wilde in ieder geval haar vreemde stemming de baas worden.

– Wanneer heb je hem dat geld geleend? vroeg ze even later.

Gabriel moest zich beheersen om niet uit te barsten in grove bewoor­dingen over die gek van een Malins en z’n geld. Uit het diepst van zijn wezen riep hij naar haar, vol verlangen om haar lichaam tegen het zijne te persen, haar te overmeesteren. Maar hij zei:

– O, met Kerstmis, toen hij dat kerstkaartenwinkeltje in Henry Street opende.

Hij werd gegrepen door zo’n koorts van woede en verlangen dat hij haar niet van het raam hoorde aankomen. Ze stond even voor hem stil en keek hem vreemd aan. Toen ging ze plotseling op haar tenen staan en liet ze haar handen lichtjes op zijn schouders rusten en kuste hem.

– Je bent een edelmoedig man, Gabriel, zei ze.

Gabriel beefde van verrukking door haar plotselinge kus en die vreemde zin. Hij legde zijn handen op haar haar en streek het achterover, waar­bij hij het nauwelijks met z’n vingers aanraakte. Het was door het wassen soepel en glanzend geworden. Zijn hart vloeide over van geluk. Juist toen hij het zo erg wilde, was zij uit eigen beweging naar hem toegekomen. Misschien liepen hun gedachten parallel. Misschien had ze het heftige verlangen gevoeld, dat in hem woedde en zou haar dat tot overgave bren­gen. Nu ze zo gemakkelijk gezwicht was, vroeg hij zich af waarom hij zo aarzelend was opgetreden.

Hij stond daar, hield haar hoofd tussen zijn handen. Toen legde hij snel zijn arm rond haar middel en trok haar naar zich toe; hij zei zacht­jes:

– Gretta, liefste, waar denk je aan?

Zij gaf geen antwoord en beantwoordde de druk van zijn arm niet vol­uit. Hij zei weer, zachtjes:

– Vertel ’s wat er is, Gretta. Ik denk trouwens dat ik weet wat er is. Weet ik het?

Zij antwoordde niet direct. Toen barstte ze in tranen uit en zei:

– O, ik moet denken aan dat lied, Het meisje van Aughrim.

Zij rukte zich van hem los, rende naar het bed, sloeg haar armen om de spijlen en verborg haar gezicht. Gabriel stond een ogenblik stokstijf van verbazing en liep haar toen achterna. Toen hij langs de spiegel kwam, zag hij zichzelf ten voeten uit, het brede, welvende front van zijn vest, het gezicht met de uitdrukking die hem altijd voor raadsels stelde als hij die in een spiegel zag, en de glinsterende goudomrande brillenglazen. Hij bleef op een paar passen van haar vandaan staan en zei:

– Wat is er met dat lied? Waarom moet je erom huilen?

Zij tilde haar hoofd van haar armen en droogde haar ogen met de rug van haar hand als een kind. Een vriendelijker toon dan hij gewild had, klonk door in zijn stem:

– Waarom, Gretta? vroeg hij.

– Ik moet denken aan iemand van lang geleden, die dat lied altijd zong.

– En wie was die iemand van lang geleden? vroeg Gabriel, glimlachend.

– Iemand die ik kende in Galway, toen ik bij mijn grootmoeder woonde, zei ze.

De glimlach verdween van Gabriels gezicht. In zijn achterhoofd voelde hij opnieuw een doffe woede opkomen en de gedoofde vuren van zijn ver­langen begonnen weer dreigend aan te gloeien in zijn aderen.

– Iemand van wie je hield, zei hij ironisch.

– Het was een jongen die ik kende, antwoordde zij. Hij heette Michael Furey. Hij zong dat lied altijd, Het meisje van Auhrim. Hij had een heel zwakke gezondheid.

Gabriel zweeg. Hij wilde niet dat ze dacht dat hij belang stelde in die zwakke jongen.

– Ik zie hem nog goed voor me, zei ze even later. De ogen die hij had: grote donkere ogen! En de uitdrukking die daarin lag – die uitdrukking!

– Hield je dan van hem? zei Gabriel.

– Ik ging met hem wandelen, zei ze, als ik in Galway was. Een gedachte flitste Gabriel door het hoofd.

– Wou je daarom misschien naar Galway met dat meisje van Ivors? zei hij koud.

Zij keek hem aan en vroeg vol verwondering:

– Waarom?

Haar ogen brachten Gabriel van zijn stuk. Hij haalde zijn schouders op en zei:

– Weet ik het? Om hem op te zoeken misschien.

Zij keek van hem weg langs de baan licht naar het raam en zweeg.

– Hij is dood, zei ze ten slotte. Hij stierf toen hij pas zeventien was. Is het niet verschrikkelijk om zo jong te sterven?

– Wat deed hij? vroeg Gabriel, nog steeds ironisch.

– Hij werkte in de gasfabriek, zei ze.

Gabriel voelde zich vernederd door de machteloosheid van zijn ironie en door het oproepen van deze figuur uit de dood, een jongen van de gasfabriek. Terwijl hij vol was geweest van herinneringen aan hun intieme leven, vol van tederheid en vreugde en verlangen, had zij hem in gedach­ten met een ander vergeleken. Een gevoel van schaamte besprong hem. Hij zag zichzelf als een belachelijk figuur die als een loopjongen optrad voor zijn tantes, een nerveuze, sentimentele man van goede wil, toespra­ken houdend voor vulgaire mensen en zijn eigen clowneske verlangens idealiserend, de meelijwekkende, onbenullige zak van wie hij een glimp had opgevangen in de spiegel. Onwillekeurig draaide hij zijn rug meer naar het licht zodat ze de blos van schaamte die op zijn voorhoofd brand­de niet kon zien.

Hij probeerde zijn koude ondervragende toon vast te houden, maar zijn stem klonk, toen hij sprak, nederig en vlak:

– Ik neem aan dat je hield van deze Michael Furey, Gretta, zei hij.

– Ik kon het heel goed met hem vinden toen, zei ze.

Haar stem klonk gesluierd en droef. Gabriel, die nu besefte hoe zinloos het zou zijn om haar zover te krijgen als hij van plan was geweest, streelde één van haar handen en zei, eveneens droef:

– En waaraan stierf hij zo jong, Gretta? Tbc zeker?

– Ik geloof dat hij voor mij gestorven is, antwoordde ze.

Een vage angst greep Gabriel bij dit antwoord aan, alsof in het uur  waarin hij gehoopt had te zegevieren, een ongrijpbare engel der wrake tegen hem optrok, tegen hem machten opriep uit een vage wereld. Maar met een uiterste krachtsinspanning van zijn verstand zette hij dit uit zijn hoofd en bleef haar hand sttelen. Hij vroeg haar niets meer, want hij voelde dat ze het uit zichzelf zou vertellen. Haar hand was warm en vochtig: zij beantwoordde zijn aanraking niet, maar hij bleef haar hand strelen zoals hij haar eerste brief aan hem gestreeld had, die morgen in de lente.

– Het was in de winter, zei ze, in het begin van de winter toen ik bij mijn grootmoeder uit huis zou gaan, om hier naar het klooster te gaan. En hij lag toen ziek op zijn kamer in Galway en mocht er niet uit; zijn familie in Oughterard werd op de hoogte gebracht. Hij ging achteruit, zeiden ze, ofiets dergelijks. Ik heb het nooit geweten.

Ze hield even op en zuchtte.

– Arme jongen, zei ze. Hij was gek op me en zo aardig. Wij gingen vaak wandelen, weet je, Gabriel, zoals ze dat doen buiten. Hij zou zang gaan studeren als z’n gezondheid het toeliet. Hij had een hele goeie stem, arme Michael Furey.

– En toen? vroeg Gabriel.

– En toen ik uit Galway weg zou gaan naar het klooster, werd hij nog veel zieker en ik mocht hem niet opzoeken en toen schreef ik hem dat ik naar Dublin zou gaan en terug zou komen in de zomer en hoopte dat hij dan beter zou zijn.

Ze zweeg weer om haar stem onder controle te krijgen en ging toen verder:

– De avond voor mijn vertrek, ik was in het huis van mijn grootmoe­der op Nun’s Island, bezig met inpakken, toen hoorde ik dat er grind tegen het raam gegooid werd. Het raam was zo nat dat ik niets kon zien, dus ik rende naar beneden, glipte door de achterdeur de tuin in en daar stond de arme jongen, achter in de tuin, trillend van de kou.

– En zei je toen niet dat hij terug moest gaan? vroeg Gabriel.

– Ik smeekte hem dat hij onmiddellijk naar huis moest gaan en zei hem dat de regen zijn dood zou worden. Maar hij zei dat hij niet wilde leven. Ik zie zijn ogen nog net zo goed voor me als toen. Hij stond daar aan het eind van de muur, bij de boom.

– En ging hij naar huis? vroeg Gabriel.

– Ja, hij ging naar huis. En toen ik nog pas een week in het klooster was, ging hij dood en werd hij begraven in Oughterard, waar z’n familie  vandaan kwam. O, de dag dat ik dat hoorde, dat hij dood was!

Zij hield op, schokkend van het huilen en wierp zich overstelpt door haar verdriet met haar gezicht omlaag op bed, snikkend in het kussen. Gabriel hield haar hand nog een ogenblik vast, besluiteloos, en liet de hand toen zachtjes los alsof hij zich geneerde haar in haar verdriet te sto­ren, en hij liep rustig naar het raam.

***

Zij was in een diepe slaap.

Gabriel, steunend op z’n ellebogen, keek gedurende enkele ogenblikken ­zonder gevoelens van wrok naar haar verwarde haar en halfopen mond, en luisterde naar haar diepe ademhaling. Zij had dus deze romance in haar leven gekend: een man was voor haar gestorven. Het stak hem nauwelijks als hij dacht wat een povere rol hij, haar echtgenoot, in haar leven had gespeeld. Hij keek naar haar zoals ze daar sliep, alsof ze nooit als man en vrouw hadden samengeleefd. Zijn onderzoekende ogen bleven lang rusten op haar gezicht en haar haar, en toen hij zich voorstelde hoe ze geweest moest zijn, in die tijd van haar eerste, meisjesachtige schoonheid, vervulde een vreemd, mild mededogen zijn hart. Hij wilde het zich­zelf niet toegeven, dat haar gezicht niet langer mooi was, maar hij wist dat het niet meer het gezicht was waarvoor Michael Furey de dood had getrotseerd.

Misschien had ze hem nog niet alles verteld. Zijn ogen gleden naar de stoel waarover ze een deel van haar kleren had gegooid. De band van haar onderrok bungelde op de vloer. Eén laars stond overeind, de bovenkant omgekruld; de andere was omgevallen. Hij verbaasde zich over zijn storm van emoties van een uur tevoren. Waar was die vandaan gekomen? Van het souper bij zijn tante, van zijn eigen dwaze speech, van de wijn en het dansen, de pret bij het afscheid nemen in de hal, de fijne wandeling in de sneeuw langs de rivier. Arme tante Julia! Ook zij zou spoedig een schaduw zijn naast de schaduw van Patrick Morkan en z’n paard. Hij had heel even die verwilderde blik opgevangen op het moment toen ze Getooid voor de bruiloft zong. Misschien zou hij spoedig in diezelfde salon zitten, in het zwart gekleed, zijn zijden hoed op zijn knieën. De gordijnen zouden neer­gelaten zijn en tante Kate zou naast hem zitten te huilen en haar neus te snuiten. En hem te vertellen hoe Julia was doodgegaan. Hij zou naar woorden zoeken om haar te troosten en hij zou slechts nietszeggende en nutteloze woorden vinden. Ja, ja: dat zou spoedig gebeuren.

De temperatuur in de kamer verkilde zijn schouders. Hij strekte zich behoedzaam uit onder de dekens en ging naast zijn vrouw liggen. Een voor een waren ze allemaal schaduwen aan het worden. Maar, beter moe­dig naar die andere wereld over te gaan, in de volle glorie van een liefde, dan weg te kwijnen en ellendig met de jaren te verdorren. Hij dacht hoe zij die hier naast hem lag, zoveel jaren dat beeld van de ogen van haar lief­ste, toen hij vertelde dat hij niet meer verder wilde leven, in haar hart had bewaard.

Milde tranen vulden Gabriels ogen. Zelf had hij zich nog nooit zo gevoeld tegenover een vrouw, maar hij wist dat zo’n gevoel liefde moest zijn. De tranen welden steeds dichter in zijn ogen op en in de gedeeltelijke duisternis verbeeldde hij zich de gestalte van een jongeman te zien, onder een druipende boom. Andere gestalten waren in de nabijheid. Zijn ziel was dat gebied genaderd, waar de uitgestrekte scharen van de doden dwa­len. Hij was zich bewust van hun grillig en flakkerend bestaan, maar vat­ten kon hij het niet. Zijn eigen identiteit loste op in een grijze, ongrijpba­re wereld – de wereld der dingen zelf, waarin deze doden eens geleefd en gewerkt hadden, loste langzaam op om te verdwijnen in het niets.

Een paar zachte tikjes tegen de ruit trokken zijn blikken naar het raam. Het was weer begonnen te sneeuwen. Hij keek slaperig naar de vlokken, zilver en donker, die schuin tegen het licht van de lantaarn invie­len. Zijn tijd was gekomen om de reis westwaarts te aanvaarden. Ja, de kranten hadden gelijk: het sneeuwde in heel Ierland. Het viel op heel de donkere vlakte, op de boomloze heuvels, het viel zacht over het veen van Allen en, verder westwaarts, viel het zacht in de donkere opstandige gol­ven van de Shannon. Het viel ook op heel het eenzame kerkhof op de heu­vel waar Michael Furey begraven lag. De sneeuw lag dicht opeen gewaaid tegen de gekromde kruisen en grafstenen, op de punten van het kleine hek, op de kale doornstruiken. Zijn ziel ebde langzaam weg, toen hij het zachtjes hoorde sneeuwen door het heelal en zachtjes hoorde sneeuwen als daalde hun laatste einde neer, over de levenden en de doden.

Vertaling: Rein Bloem. In 2004 herzien door Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes voor de heruitgave van de bundel Dubliners (1914) door Singel Uitgeverijen.

James Joyce (1882 – 1941) was een Iers schrijver die wordt beschouwd als een van de belangrijkste schrijvers van de 20e eeuw. Zijn bekendste werken zijn Ulysses en Dubliners. Joyce voltooide Dubliners al in 1907, maar het duurde jaren voordat hij een uitgevers zo ver kreeg om het boek te publiceren. Dat het zo lang duurde, komt doordat uitgevers vreesden dat zij voor het gerecht gesleept zouden worden door Dubliners die zich in bepaalde personages meenden te herkennen.

Joyce zag de vijftien verhalen in Dubliners als een realistisch exposé van het leven van de middenklasse in de Ierse hoofdstad aan het begin van de twintigste eeuw. Op de achtergrond speelt het Ierse nationalisme en de vraag wat het betekent om ‘Iers’ te zijn een belangrijke rol. De meeste personages lijden aan een vorm van mentale verlamming. Ze zijn toeschouwers in hun eigen leven. Vaak hebben de personages wel een plotseling moment van inzicht, iets wat Joyce een ‘epiphany‘ noemde.