Viet Thanh Nguyen -

De vrouwen met de zwarte ogen

Leestijd 31 - 41 min

Roem kon iedereen ten deel vallen, meestal van het soort waar weldenkende mensen niet op zitten te wachten: ontvoerd worden en jarenlang gevangengehouden worden, of de vernedering van de betrokkenheid bij een seksschandaal, of iets overleven wat gewoonlijk met de dood eindigt. Die overlevenden hadden iemand nodig die hen kon helpen bij het schrijven van hun memoires, en hun agenten konden dan uiteindelijk bij mij terechtkomen. ‘Nou ja, in ieder geval staat niet overal je naam op’, zei mijn moeder een keer. Toen ik opmerkte dat ik er geen bezwaar tegen had als ik bij de Dankbetuigingen werd genoemd, zei ze: ‘Ik zal je een verhaaltje vertellen. In ons vaderland was er eens een journalist die zei dat de overheid de mensen in de gevangenis martelde. Toen deed de overheid met hem precies hetzelfde als ze met de anderen had gedaan. Hij werd op transport gezet en niemand heeft hem ooit teruggezien. Dat gebeurt er met schrijvers die ergens hun naam op zetten.’ Tegen de tijd dat Victor Devoto mij had uitgekozen, had ik me erbij neergelegd dat ik een van die schrijvers was wier naam niet op de omslag werd vermeld. Zijn agent had hem een boek gegeven dat ik als ghostwriter had geschreven; de zogenaamde auteur was de vader van een jongen die op zijn school een aantal mensen had doodgeschoten. ‘Met het schuldgevoel van de vader kan ik me identificeren’, zei Victor tegen me. Hij was de enige overlevende van een vliegtuigcrash waarbij de honderddrieënzeventig anderen waren omgekomen, onder wie zijn vrouw en kinderen. Wat er nog van hem was overgebleven, verscheen in alle praatprogramma’s, zijn lichaam was er, maar meer ook niet. Hij had een zachte monotone stem en in zijn ogen leek je op de momenten dat hij ze opsloeg de silhouetten van verdrietige mensen te kunnen zien. Volgens zijn uitgever was het noodzakelijk dat hij zijn verhaal afmaakte nu het publiek zich de tragedie nog kon herinneren, en daar was ik druk mee bezig op de dag dat mijn dode broer terugkwam.

Het was buiten nog donker toen mijn moeder me wakker maakte en zei: ‘Schrik niet.’

Door de open deur van mijn kamer schetterde uit de gang het licht naar binnen. ‘Waarom zou ik schrikken?’

Toen ze mijn broers naam zei, dacht ik niet aan mijn broer. Hij was al lang geleden overleden. Ik deed mijn ogen dicht en zei dat ik niemand kende met die naam, maar ze hield vol. ‘Hij wil ons spreken’, zei ze, terwijl ze mijn dekens wegtrok en net zo lang aan me sjorde tot ik met mijn ogen nog halfdicht opstond. Ze was drieënzestig en enigszins vergeetachtig, en toen ze voor mij uit de woonkamer in liep en een gil gaf, was ik niet verrast. ‘Net was hij hier nog’, zei ze, toen ze gehurkt naast haar gebloemde leunstoel aan de vloerbedekking voelde. ‘Het is nat.’ Kruipend in haar katoenen pyjama volgde ze het spoor naar de voordeur. Ik voelde aan de vloerbedekking en die was vochtig. Even geloofde ik het en trok er een huivering door me heen; om vier uur ’s ochtends voelde de stilte in huis onheilspellend aan. Toen hoorde ik de regen in de goot kletteren en mijn door angst verstijfde nek ontspande zich. Mijn moeder had natuurlijk de deur opengedaan, was nat geworden en was toen weer naar binnen gegaan.

Ze zat nu gehurkt bij de deur met één hand op de deurknop en ik knielde naast haar neer en zei: ‘Je beeldt je dingen in.’

‘Ik weet heus wel wat ik zag.’ Ze duwde mijn hand van haar schouder en stond op, haar donkere ogen flikkerend van woede.

‘Hij liep. Hij sprak. Hij wilde jou spreken.’

‘Waar is hij dan, ma? Ik zie niemand.’

‘Natuurlijk niet.’ Ze zuchtte bij zoveel domheid. ‘Hij is toch een geest?’

Sinds mijn vader enkele jaren geleden was overleden, woonden mijn moeder en ik behoedzaam samen. We deelden een passie voor taal, maar ik gaf de voorkeur aan de stilte van het schrijven terwijl zij liever sprak. Ze overvoerde me met roddels en verhalen, maar ik genoot eigenlijk alleen van de verhalen over de man die mijn vader was voordat ik hem kende, jong en gelukkig. Verder waren er de enge verhalen zoals die over de journalist, waarvan de moraal was dat het lot, net zoals de politie, ervan geniet om af en toe mensen af te tuigen. Ten slotte was er nog haar lievelingsverhaal, het spookverhaal, waarvan zij er vele kende, soms uit de eerste hand.

‘Tante Six stierf op haar zesenzeventigste aan een hartaanval’, vertelde ze me, een, twee of misschien wel drie keer – ze herhaalde nu eenmaal graag alles. Ik nam haar verhalen nooit serieus. ‘Ze woonde in Vung Tau en wij zaten in Nha Trang. Ik diende net het avondeten op toen ik tante Six zag zitten in haar nachtpon. Haar lange grijze haar, dat ze anders altijd in een knot droeg, hing los over haar schouders en voor haar gezicht. Bijna liet ik de borden uit mijn handen vallen. Toen ik vroeg wat ze kwam doen, glimlachte ze alleen maar. Ze stond op, gaf me een kus en draaide me naar de keuken. Toen ik me weer omdraaide om haar te kunnen zien, was ze verdwenen. Het was haar geest geweest. Oom bevestigde dat toen ik hem belde. Ze was die ochtend overleden, in haar eigen bed.’

Volgens mijn moeder stierf tante Six een goede dood, thuis en omringd door familie, en haar geest ging alleen maar bij iedereen langs om afscheid te nemen. De ochtend dat ze beweerde mijn broer, haar zoon, te hebben gezien, vertelde ze aan de keukentafel weer dat verhaal over mijn tante. Ik had een pot groene thee voor haar gezet en ik had haar temperatuur opgenomen, ook al protesteerde ze heftig, maar ze had geen koorts, zoals ze al had voorspeld. Met de thermometer naar me opgestoken zei ze dat hij moest zijn weggegaan omdat hij moe was. Hij had tenslotte net een reis van duizenden kilometers over de Grote Oceaan achter de rug.

‘Hoe heeft hij dat dan gedaan?’

‘Zwemmend.’ Ze keek me meewarig aan. ‘Daarom was hij nat.’

‘Hij kon heel goed zwemmen’, zei ik om haar een plezier te doen. ‘Hoe zag hij eruit?’

‘Nog precies hetzelfde.’

‘Het is vijfentwintig jaar geleden. Is hij dan helemaal niet veranderd?’

‘Ze zien er altijd net zo uit als de laatste keer dat je ze hebt gezien.’

Ik wist nog hoe hij er de laatste keer had uitgezien en ik vond er niets grappigs meer aan. Zijn verbijsterde blik, zijn opengesperde ogen die zelfs niet knipperden toen de gesplinterde plank van het dek van de boot tegen zijn wang drukte – ik wilde hem niet weer zien, aangenomen dat er iemand of iets te zien viel. Toen mijn moeder naar haar werk in de nagelstudio was, probeerde ik weer te slapen maar dat lukte niet. Telkens als ik mijn ogen dichtdeed, staarden die van hem me aan. Nu pas besefte ik dat ik al maanden niet meer aan hem had gedacht. Lange tijd had ik krampachtig geprobeerd hem te vergeten, maar bij iedere willekeurige gebeurtenis of gedachte kon ik hem tegenkomen, mijn beste vriend. Zo lang als ik mij kan herinneren hoorde ik hem voor ons huis mijn naam roepen. Dat was voor mij het teken om met hem mee te gaan over de straten en paadjes van ons dorp, door de bosjes met broodbomen en mangobomen naar de dijkjes en de velden, om de verbrijzelde palmbomen en bomkraters heen. Destijds was dat een normale jeugd.

Pas nu ik erop terugkeek, zag ik in dat we onze jeugd hadden doorgebracht in een geteisterd land. Onze vader was opgeroepen voor militaire dienst en we waren bang dat hij niet meer terug zou komen. Voor hij wegging had hij een bunker gegraven naast ons huis, een met zandzakken beklede schuilplaats waarvan het dak werd gestut door balken. Ook al was het er heet en benauwd, hing er de bedompte lucht van aarde, krioelde het er van de wurmen, we speelden er vaak als kind. Toen we ouder waren, ging we erheen om te studeren en elkaar verhalen te vertellen. Ik was de beste leerling van mijn school, goed genoeg voor mijn leraar om me na schooltijd Engelse les te geven, die ik dan weer doorgaf aan mijn broer. Op zijn beurt vertelde hij mij lange verhalen, volksverhalen en roddels. Als de vliegtuigen gillend overvlogen en we met onze moeder schuilden in de bunker, fluisterde hij ter afleiding spookverhalen in mijn oor. Hij bleef maar volhouden dat het geen spookverhalen waren. Het waren historische verslagen uit betrouwbare bronnen: de oude besjes die op hun hurken zittend op de markt sirih kauwden en het rode sap uitspuugden, kolenbrandertjes aanstaken of manden met koopwaar in de gaten hielden. Tot de officiële inwoners van ons land behoorden volgens hen ook de bovenste helft van een Koreaanse luitenant die door een mijn in de takken van een rubberboom was gelanceerd; een gescalpeerde zwarte Amerikaan die dobberde in de kreek niet ver van zijn neergehaalde helikopter, met zijn ogen en de halvemaan van zijn hersenen glinsterend boven het water; en een onthoofde Japanse soldaat die tussen cassavestruiken naarstig op zoek was naar zijn hoofd. Die indringers waren ons land komen veroveren en zouden nooit meer naar huis gaan, zeiden de oude vrouwtjes, terwijl ze hun zwartgelakte tanden bloot giechelden – dat vertelde mijn broer in elk geval. In het halfduister luisterde ik rillend van genot naar de verhalen van die vrouwen met de zwarte ogen en ik dacht dat ik nooit zulke verhalen zou vertellen.

Is het dan niet ironisch dat ik mijn brood verdiende als ghostwriter? Die vraag stelde ik mezelf toen ik midden op de dag in bed lag, maar de vrouwen met de zwarte ogen en zwarte tanden hoorden me. Noem je dat een leven wat jij leidt? Hun tanden klapperden terwijl ze me uitlachten. Ik trok de dekens op tot mijn neus, zoals ik dat de eerste jaren in Amerika ook deed, toen het kwaad zich niet alleen in de gang schuilhield maar ook buiten rondwaarde. Voordat ze opendeden, gluurden mijn vader en moeder altijd eerst door de gordijnen van de woonkamer, bang als ze waren voor jonge landgenoten, jongens die als oorlogskind het geweld hadden geleerd. ‘Doe nooit voor iemand open die je niet kent’, waarschuwde mijn moeder me, een, twee, drie keer. ‘We willen niet eindigen zoals dat gezin dat met vuurwapens werd bedreigd. Ze drukten net zo lang brandende sigaretten op de baby tot de moeder liet zien waar ze haar geld had verstopt.’ Mijn Amerikaanse jeugd was vergeven van zulke verhalen vol rampspoed, die allemaal aantoonden wat mijn moeder steeds zei, namelijk dat we hier niet hoorden. In een land waar bezit het belangrijkste was, hadden wij geen ander bezit dan onze verhalen.

Toen ik wakker werd van een klop op de deur, was het donker buiten. Mijn horloge stond op 18 uur 35. Er werd nog een keer geklopt, zachtjes, aarzelend. Ook al wilde ik er niet aan, ik wist wie het was. Ik had voor alle zekerheid de deur van mijn slaapkamer op slot gedaan en nu trok ik met bonzend hart de dekens over mijn hoofd. Ik beval hem in gedachte om weg te gaan, maar toen hij aan de deurknop rommelde, wist ik dat ik wel móést opstaan. De haartjes op mijn lichaam gingen recht overeind staan toen ik de deurknop door zijn toedoen zag bewegen. Ik hield mezelf voor dat hij zijn leven voor mij had gegeven. De deur opendoen was wel het minste wat ik voor hem kon doen.

Hij zag er opgezwollen en bleek uit, zijn haar was vlassig, zijn huid donker, hij had een zwarte korte broek aan en een gescheurd grijs T-shirt, zijn armen en benen waren vel over been. De laatste keer dat ik hem had gezien, was hij een kop groter dan ik; nu was dat omgekeerd. Toen hij mijn naam zei, klonk zijn stem hees en schor, helemaal niet zoals de jongen die ik had gekend. Maar zijn ogen waren hetzelfde, gretig, net als zijn mond, een klein stukje open, klaar om te praten. Een paarse plek, tegen het zwarte aan, sierde zijn linkerslaap, maar het bloed dat ik me herinnerde was verdwenen, weggespoeld, denk ik, door het zoute water en de stortbuien. Ook al regende het niet, hij was kletsnat. Ik rook de zee bij hem, erger nog, ik rook de boot, ranzig van het zweet en de uitwerpselen van mensen.

Toen hij mijn naam zei, begon ik te beven, maar dit was de geest van iemand van wie ik hield en die ik nooit kwaad zou doen, het soort geest dat, zoals mijn moeder had gezegd, mij nooit kwaad zou doen. ‘Kom binnen’, zei ik, wat mij het dapperste leek om te zeggen. Hij reageerde niet maar keek alleen naar de vloerbedekking waarop hij stond te druppen. Toen ik hem een schoon T-shirt, een korte broek en een handdoek had gegeven, keek hij me afwachtend aan tot ik me omdraaide om hem zich te laten omkleden. Kleinere kleren had ik niet, maar toch waren ze nog een maatje te groot voor hem; de korte broek hing op zijn knieën, het T-shirt was veel te wijd. Ik gebaarde dat hij binnen moest komen, en dit keer gehoorzaamde hij en ging hij op mijn onopgemaakte bed zitten. Hij keek me niet aan – kennelijk was hij banger voor mij dan ik voor hem. Terwijl hij nog vijftien was, was ik achtendertig, niet meer die uitgelaten wildebras, en ik sprak alleen als het nodig was, zoals toen ik Victor interviewde.  Bij het auteurschap, ook al was je derde- of vierderangs, hoorde een bepaalde etiquette waar ik me wel in kon schikken. Wat zeg je zoal tegen een geest, behalve vragen wat hij komt doen. Ik was bang voor het antwoord daarop, dus vroeg ik: ‘Waar bleef je al die tijd?’

Hij keek naar mijn blote voeten met de blote nagels. Misschien voelde hij dat ik niet goed was met kinderen. Het moederschap was te intiem voor me, zoals alle relaties die langer dan één nacht duurden.

‘Je moest zwemmen. Dat kost natuurlijk veel tijd, hè?’

‘Ja.’ Zijn mond bleef openstaan, alsof hij nog iets wilde zeggen maar niet precies wist wat en hoe. Misschien was deze geestverschijning het eerste gevolg van wat mijn moeder ‘mijn onnatuurlijke staat’ noemde, kinderloos en single. Misschien was hij geen product van mijn fantasie maar een symptoom van dat er iets mis was, zoals de kanker die mijn vader had vermoord. Hij was een goede dood gestorven volgens mijn moeder, thuis en omringd door familie, niet zoals was gebeurd met haar zoon, en bijna met mij. Paniek steeg op uit die bodemloze put bij mij vanbinnen, die ik had afgedicht met beton. Ik was dan ook opgelucht toen ik de voordeur hoorde opengaan. ‘Moeder wil je vast wel even spreken’, zei ik. ‘Wacht hier. Ik ben zo terug.’

Toen we terugkwamen, lagen alleen zijn natte kleren en de natte handdoek er nog. Ze hield het grijze T-shirt omhoog, hetzelfde dat hij op de blauwe boot met de rode ogen aan had gehad.

‘Nu weet je het’, zei mijn moeder. ‘Keer een geest nooit de rug toe.’

De zwarte korte broek en het grijze T-shirt stonken naar de zee en er zat meer dan alleen maar water in. Toen ik ze naar de keuken droeg, hadden de kleren in mijn handen het gewicht van belastend bewijsmateriaal. Ik had hem die kleren bij tientallen gelegenheden zien dragen. Ik herinnerde me de broek toen die nog niet zwart was van het vuil maar smetteloos blauw, toen het shirt nog niet grijs en gescheurd was maar wit en heel. ‘Geloof je het nu?’ vroeg mijn moeder, terwijl ze de klep van de wasmachine opende. Ik aarzelde. Sommige mensen zeggen dat het vuur van het geloof in hen brandt, maar mijn pas gevonden geloof bezorgde me alleen maar kippenvel. ‘Ja’, zei ik. ‘Ik geloof het.’

We zaten aan de keukentafel aan de avondmaaltijd, de machine ronkte op de achtergrond en het geurde weldadig naar steranijs en gember. ‘Daarom heeft het hem zoveel jaar gekost’, zei mijn moeder en ze blies in haar hete soep. Nog nooit had ze haar eetlust door iets laten bederven of haar maag van streek laten brengen, zelfs niet door de gebeurtenissen op de boot of door de verschijning van de geest van haar zoon. ‘Hij heeft het hele eind gezwommen.’

‘Tante Six woonde honderden kilometers hiervandaan en haar zag je dezelfde dag nog.’

‘Geesten hanteren andere regels dan wij. Iedere geest is anders. Goede geesten, kwade geesten, blije geesten, verdrietige geesten. Geesten van mensen die sterven als ze oud zijn, als ze jong zijn, als ze klein zijn. Denk je dat babygeesten zich op dezelfde manier gedragen als opageesten?’

Ik wist niets van geesten. Ik had nooit in geesten geloofd, net als iedereen in mijn omgeving, behalve mijn moeder en Victor, die zelf iets spookachtigs had, omdat de intensiteit van de rouw hem bleek en bijna doorzichtig maakte – het enige aan hem wat kleur had was zijn wilde ongekamde rode haar. Zelfs bij hem deed het bovennatuurlijke zich maar twee keer voor, een keer aan de telefoon en een keer in zijn woonkamer. Alles was onaangeroerd gebleven sinds de dag dat zijn gezin was vertrokken naar het vliegveld, zelfs het treurige stof. Ik had de indruk dat de ramen sinds die dag niet meer open waren geweest, alsof hij de gebruikte lucht wilde bewaren die zijn vrouw en kinderen hadden uitgeademd voordat ze zo slecht aan hun einde kwamen, zo ver van huis. ‘De doden gaan verder’, had hij gezegd, terwijl hij met opgetrokken knieën in zijn leunstoel zat, handen tussen zijn dijen. ‘Maar de levenden, wij blijven gewoon hier.’

Die tekst vormde het begin van zijn laatste hoofdstuk, waar ik aan werkte toen mijn moeder was gaan slapen en ik was afgedaald naar de helverlichte kelder, waar de tl-buizen brandden. Ik schreef een zin, stopte dan om te luisteren of ik een klop op de deur hoorde of voetstappen op de trap. Dat werd het ritme van die nacht, enkele regels gevolgd door even wachten op iets wat niet kwam en de volgende dag was het niet anders. De afronding van Victors memoires was in zicht toen mijn moeder met Chinatown-tasjes van de nagelstudio thuiskwam, één tas gevuld met etenswaren, de andere met ondergoed, een pyjama, een spijkerbroek, een denimjasje, sokken, wollen handschoenen, een honkbalpet. Nadat ze die op zijn gedroogde en gestreken T-shirt en korte broek had gelegd, zei ze: ‘Hij kan niet als een dakloze of illegale immigrant in die kou blijven rondlopen met wat jij hem hebt gegeven.’ Toen ik zei dat ik me dat niet had gerealiseerd, snoof ze, geïrriteerd door mijn onwetendheid met betrekking tot de behoeften van geesten. Pas na het eten ontdooide ze weer een beetje. Haar humeur was opgeknapt omdat ik me niet zoals anders had teruggetrokken in mijn kelder, maar was blijven kijken naar een van de soaps die ze bij bosjes huurde, series met mooie Koreaanse mensen verstrikt in romantische verwikkelingen. ‘Als we geen oorlog hadden gehad,’ zei ze die avond, toen de melancholie haar milder had gestemd, ‘zouden we net zoals de Koreanen zijn. Saigon zou Seoul zijn, je vader zou nog leven, jij was getrouwd en had kinderen, ik was een gepensioneerde huisvrouw, geen manicure.’ Ze had krulspelden gezet en op haar schoot stond een bakje met watermeloenpitten. ‘Ik zou mijn tijd doorbrengen met bezoek aan vriendinnen en bezoek ontvangen, en als ik stierf zouden honderd mensen naar mijn begrafenis komen. Als ik mazzel heb, zullen het er nu twintig zijn, bof ik nog, aangezien jij alles moet regelen. Dat beangstigt me nog het meest. Je vergeet zelfs de vuilnis buiten te zetten of de rekeningen te betalen. Je gaat niet eens naar buiten om boodschappen te doen.’

‘Ik vergeet heus niet voor je ziel te zorgen.’

‘Wanneer zou je de wake houden? Wanneer zou mijn sterfdag worden herdacht? Wat zou je gaan zeggen?’

‘Schrijft het voor me op’, zei ik. ‘Wat ik zou moeten zeggen.’

‘Je broer zou wel hebben geweten wat hij moest doen’, zei ze. ‘Daar zijn zoons voor.’

Daar had ik geen weerwoord op.

Toen hij om elf uur nog steeds niet was komen opdagen, ging mijn moeder naar bed. Ik daalde weer af naar mijn kelder en probeerde te schrijven. Schrijven was voor mij alsof ik een mist inliep, me tastend een weg zocht van deze wereld naar de bovenaardse wereld van woorden, een weg die je op de ene dag makkelijker vond dan op de andere. Terwijl ik door de nevel strompelde, zat heimelijk de vraagpapegaai op mijn schouder: Waarom was ik blijven leven en was hij doodgegaan? Ik was jonger en zwakker, toch hadden we mijn broer begraven, hadden we hem zonder doodskleed en zonder dat ik iets had gezegd de oceaan in laten glijden. Ik hoorde weer het gejammer van mijn moeder en het gesnik van mijn vader, maar geen van twee overstelpte mijn zwijgen. Nu was het moment om iets te zeggen, om hem terug te roepen zoals hij moest hebben gewild, maar ik kon de woorden niet vinden. Net toen ik dacht dat er weer een avond voorbijging zonder dat hij terugkwam, hoorde ik dat er boven aan de trap werd geklopt. Ik geloof, hield ik mezelf voor. Ik geloof dat hij me nooit kwaad zal doen.

‘Niet kloppen’, zei ik toen ik de deur opendeed. ‘Het is ook jouw huis.’

Hij keek me alleen maar aan, en we verzonken in een ongemakkelijk stilzwijgen. Toen zei hij: ‘Dank je.’ Zijn stem klonk nu krachtiger, bijna zo hoog als in mijn herinnering, en dit keer keek hij niet weg. Hij had nog steeds mijn T-shirt en korte broek aan, maar toen ik hem de kleren liet zien die mijn moeder had gekocht, zei hij: ‘Die heb ik niet nodig.’

‘Je hebt aan wat ik je heb gegeven.’

Daarna bleef hij zo lang stil dat ik dacht dat hij me misschien niet had gehoord.

‘We hebben die kleren aan voor de levenden’, zei hij. ‘Niet voor onszelf.’

Ik nam hem mee naar de bank. ‘De geesten, bedoel je?’

Hij ging naast me zitten, dacht even na over mijn vraag voordat hij antwoordde.

‘We hebben altijd geweten dat geesten bestonden’, zei hij.

‘Ik had mijn twijfels.’ Ik pakte zijn hand. ‘Waarom ben je teruggekomen?’

Zijn blik bracht me in verwarring. Hij had niet één keer geknipperd.

‘Ik ben niet teruggekomen’, zei hij. ‘Ik ben hier gekomen.’

‘Heb je deze wereld nog niet verlaten?’

Hij knikte.

‘Waarom niet?’

Weer zweeg hij. Na een tijd zei hij: ‘Waarom denk je?’

Ik keek de andere kant op. ‘Ik heb geprobeerd het te vergeten.’

‘Maar dat is niet gelukt.’

‘Ik kan het niet.’

Ik was onze blauwe boot zonder naam niet vergeten en die was mij ook niet vergeten, de rode ogen die aan weerszijden van de voorsteven waren geschilderd staarden me nog steeds strak aan. Na vier rustige dagen op een kalme zee onder een blauwe hemel en een heldere sterrenhemel, kwamen uiteindelijk eilanden in zicht, zwarte stiksels aan de verre horizon. Toen verscheen er in de verte een schip, dat onze kant op voer. Het was snel en wij waren langzaam, met meer dan honderd mensen aan boord van een vissersboot die alleen bedoeld was voor de bemanning van een vissersboot en een lading koude makreel. Mijn broer nam me mee naar de benauwde machinekamer met de stampende motor en sneed met zijn zakmes mijn lange haar af tot ik het korte jongenskapsel overhield dat ik nog steeds had. ‘Niks zeggen’, zei hij.

Hij was vijftien en ik was dertien. ‘Je klinkt nog steeds als een meisje. Trek je bloes uit.’

Ik deed altijd wat hij zei, zij het dit keer verlegen, ook al keek hij nauwelijks naar me toen hij mijn bloes in repen scheurde.

Hij bond mijn nauwelijks zichtbare borstjes in met de stof, trok daarna zijn eigen bloes uit, trok hem mij aan en knoopte hem dicht, waarna hij zelf alleen nog zijn gerafelde T-shirt aan had. Daarna smeerde hij motorolie op mijn gezicht en kropen we in het donker dicht tegen elkaar aan tot de piraten aan boord kwamen. Die vissers leken op onze vaders en broers, pezig en bruin, alleen zwaaiden ze met machetes en machinegeweren. Wij gaven ons geld en jade en onze horloges, oorbellen en trouwringen.

Vervolgens grepen ze de tienermeisjes en jonge vrouwen, een stuk of tien, schoten een vader en een echtgenoot neer die hadden geprotesteerd. Iedereen hield nu zijn mond behalve degenen die gillend en huilend werden meegesleept. Ik kende geen van hen, het waren meisjes uit andere dorpen, en dat maakte het voor mij makkelijker om te bidden dat ik niet een van hen zou zijn terwijl ik me tegen de arm van mijn broer aan drukte. Pas toen het laatste meisje op het dek van het piratenschip was gegooid en de piraten terug aan boord waren geklommen, durfde ik weer adem te halen.

De laatste man die wegging wierp in het voorbijgaan een blik op mij. Hij had de leeftijd van mijn vader, zijn neus leek een door de zon verbrande varkenspoot en hij rook naar een mengeling van zweet en de ingewanden van een vis. Deze kleine man, die een paar woorden van onze taal sprak, liep naar me toe en tilde mijn kin op: ‘Je bent een knappe jongen’, zei hij. Toen mijn broer hem met zijn zakmes had gestoken, stonden we met z’n drieën verbaasd te kijken naar het bebloede lemmet, en dat moment van stilte werd doorbroken omdat de kleine man begon te schreeuwen van de pijn, zijn machinegeweer pakte en de kolf tegen het hoofd van mijn broer sloeg. Die klap, die hoorde ik nog steeds. Hij viel levenloos neer, het bloed gutste uit zijn voorhoofd, kaak en slaap, de afschuwelijke dreun waarmee hij op het houten dek terechtkwam klonk nog steeds na in mijn geheugen.

Ik raakte de wond aan. ‘Doet het zeer?’

‘Niet meer. Voel jij het nog?’

Weer deed ik net alsof ik nadacht over de vraag, maar ik wist het antwoord al. ‘Ja’, zei ik ten slotte. De kleine man smeet me tegen het dek en ik had een lelijke wond op mijn achterhoofd. Toen hij mijn shirt openscheurde, haalden zijn nagels mijn huid tot bloedens toe open. Ik draaide mijn gezicht opzij en zag mijn vader en moeder schreeuwen, mijn trommelvliezen leken te zijn gebarsten, want ik hoorde niets. Zelfs toen ik zelf schreeuwde hoorde ik niets, ook al voelde ik dat mijn mond open- en dichtging. De wereld was het zwijgen opgelegd, net als mijn vader en moeder en mezelf, want geen van ons heeft hier ooit meer iets over gezegd. Hun zwijgen en dat van mij sneed me steeds weer door mijn ziel. Maar geen van die dingen heeft me het meeste pijn gedaan, ook het gewicht van die mannen op me niet. Het was het licht dat in mijn donkere ogen flikkerde als ik omhoogkeek en het smeulende puntje van Gods sigaret zag, dat roerloos aan de hemel hing vlak voordat het tegen mijn huid werd gedrukt.

Sindsdien meed ik de dag en de zon. Zelfs hem viel het op, want hij hield zijn onderarm naast die van mij om te laten zien dat ik witter was dan hij. In de bunker hadden we hetzelfde gedaan: we hielden onze handen voor ons gezicht om te weten of we die in het donker konden zien. We wilden weten of we er allemaal nog waren, bedekt met een laagje aarde die na iedere inslag over ons heen gezeefd werd – de herinnering aan de Amerikaanse straaljagers die gierend overvlogen bezorgde me nog steeds de rillingen op mijn rug. De eerste keer dat we ze hoorden, fluisterde hij in mijn oor dat ik niet bang hoefde te zijn: ‘Het zijn maar Phantoms, fantomen.’

‘Weet je waar ik toen het meest van hield?’ Hij schudde zijn hoofd. We zaten op de bank in mijn kelderkantoor, waar het in november warmer was dan in de woonkamer. ‘Als we na het bombardement weer buiten kwamen, hield jij mijn hand vast terwijl we in de felle zon met onze ogen stonden te knipperen. Ik genoot ervan dat na het donker van de schuilplaats het licht kwam. En na al dat geraas, de stilte.’

Hij knikte zonder te knipperen en trok net als ik zijn benen op de bank zodat onze knieën elkaar raakten. De papegaai zat ineengedoken op mijn schouder, hij zat er al sinds we mijn broer de zee in hadden laten glijden en ik bedacht dat ik die vogel moest laten praten om van hem af te komen.

‘Ik wil je iets vragen’, zei het beest. ‘Waarom bleef ik leven en ging jij dood?’

Hij keek me aan met ogen die niet uitdroogden hoelang ze ook openbleven. Moeder had ongelijk. Hij was wel veranderd, dat zag je aan zijn ogen, die zo lang in het zilte nat waren geconserveerd dat ze altijd open zouden blijven.

‘Jij bent ook doodgegaan’, zei hij. ‘Alleen je weet het niet.’

Ik moest denken aan een gesprek dat ik met Victor had gehad. Om elf uur ’s avonds drong zich een vraag op die zo urgent was dat ik hem opbelde, want ik wist dat hij nog wel wakker zou zijn: ‘Ja, ik geloof in geesten’, zei hij, totaal niet verrast door mijn vraag. Ik zag hem voor me, met opgetrokken knieën in zijn stoel, een gloeiend hoofd op zijn waskaarsachtige lijf, alsof hij oplichtte bij de herinnering aan de vliegtuigcrash die de rest van zijn gezin het leven had gekost. Op mijn vraag of hij weleens geesten had gezien antwoordde hij: ‘Voortdurend. Telkens als ik mijn ogen sluit, verschijnen mijn vrouw en kinderen en ze zien er net zo uit als toen ze nog leefden. Met mijn ogen open zie ik ze in mijn ooghoek. Ze bewegen zich snel en zijn weg voordat ik op ze kan focussen. Maar ik ruik ze ook, het parfum van mijn vrouw als ze langsloopt, de shampoo in het haar van mijn dochter, het zweet in de trui van mijn zoon. En ik voel ze, mijn zoon die met zijn hand langs de mijne strijkt, mijn vrouw die in mijn nek ademt zoals ze vroeger in bed deed, mijn dochter die zich aan mijn knieën vastklemt. En je kunt geesten ook horen. Voordat ik het huis uitga, zegt mijn vrouw tegen me dat ik mijn sleutels niet moet vergeten. Mijn dochter waarschuwt me dat ik de toast niet moet laten aanbranden. Mijn zoon vraagt of ik de bladeren op een hoop wil harken zodat hij erin kan springen. Met z’n allen zingen ze Happy birthday voor me.’

Victor was twee weken geleden jarig geweest, en met het tafereel dat ik me daarbij voorstelde – hij, zittend in het donker, zijn ogen dicht, luisterend naar de echo’s van verjaardagen in het verleden – werd het begin van zijn memoires.

‘Ben je niet bang voor geesten?’ vroeg ik.

In de stilte die volgde hoorde je alleen de lijn kraken.

‘Je bent niet bang voor iets waar je in gelooft’, zei hij.

Dat schreef ik ook in de memoires, ook al had ik niet begrepen wat hij daarmee bedoelde.

Nu wel. Mijn lichaam schokte terwijl ik zonder schaamte en zonder angst zat te snikken. Mijn broer keek nieuwsgierig naar me terwijl ik huilde om hem en om mij, om al de jaren dat we samen hadden kunnen zijn, maar niet waren geweest, om alle woorden die nooit waren uitgesproken tussen mijn vader, mijn moeder en mij. Maar vooral huilde ik om al die andere meisjes die waren verdwenen en nooit waren teruggekomen, zoals ik.

Toen Victors memoires enkele maanden later werden uitgegeven, werd het boek goed verkocht. De recensenten zeiden er aardige dingen over. Mijn naam stond er niet in, maar won in de spelonken van de uitgeverskringen iets aan glans. Mijn agente belde op met het aanbod van andere memoires tegen nog lucratievere voorwaarden – het verhaal van een soldaat die zijn armen en benen was kwijtgeraakt bij zijn poging een bom onklaar te maken. Ik sloeg het af. Ik was nu mijn eigen boek aan het schrijven.

‘Verhalen over geesten?’ Haar stem klonk positief. ‘Die kan ik verkopen. Mensen griezelen graag.’

Ik vertelde haar niet dat ik de levenden helemaal geen schrik wilde aanjagen. Niet alle geesten zinnen op wraak en chaos.

Mijn geesten behoorden tot het rustige en verlegen soort zoals mijn broer, maar ook zoals de treurige geestverschijningen uit  de verhalen van mijn moeder. Mijn moeder, deskundige op het gebied van geesten, vertelde me dat mijn broer niet meer terug zou komen. Toen ik me even had omgedraaid om een doos tissues te pakken, was hij verdwenen. De afdruk van de plek op de bank waar hij had gezeten was nog zichtbaar, maar voelde koud aan. Ik ging naar boven om haar te wekken, en nadat ze water had opgezet, kwam ze bij me zitten aan de keukentafel om te luisteren naar mijn verhaal over het bezoek van mijn broer. Ze had jarenlang om hem gehuild, maar nu huilde ze niet.

‘Je weet dat hij nu voorgoed verdwenen is, hè? Hij is alleen langsgekomen om alles te zeggen wat hij wilde zeggen.’

De ketel begon te sputteren en blies stoom door zijn ene neusgat.

‘Maar ma, ik heb niet alles gezegd wat ik wilde zeggen.’

En mijn moeder, die op het dek van de boot niet van me had weggekeken, keek nu wel weg. Van alle verhalen over geesten die ze kende, was er één verhaal dat ze niet wilde vertellen, één soort geesten die ze niet als gezelschap wilde. Ze waren daar in de keuken bij ons, de geesten van de vluchtelingen en de geesten van de piraten, de geest van de boot die naar ons keek met ogen die nooit dichtgingen, zelfs de geest van het meisje dat ik ooit was, de enige geesten waar mijn moeder bang voor was.

‘Vertel een verhaal, ma’, zei ik. ‘Ik luister.’

Ze had er meteen een paraat, zoals ik wel had verwacht. ‘Er was eens een vrouw’, zei ze, ‘die zielsveel houdt van haar man, een soldaat die tijdens een missie achter de vijandelijke linies verdwijnt. Hij wordt doodverklaard, maar ze weigert dat te aanvaarden. Als de oorlog afgelopen is, vlucht ze naar een ander land en tientallen jaren later hertrouwt ze. Ze is gelukkig tot de dag waarop haar eerste man terugkeert uit de dood, omdat hij is vrijgelaten uit het kamp waar hij als geheime gevangene dertig jaar heeft geleden.’

Als bewijs liet mijn moeder me een krantenknipsel zien met een foto van de vrouw en haar eerste man, enkele jaren geleden herenigd op het vliegveld. Hun blikken meden elkaar. Ze stonden er verlegen bij, opgelaten, ongelukkig, omringd door vrienden en journalisten die de twee geesten die ook bij deze melancholische ontmoeting aanwezig waren niet konden zien, de smoezelige schaduwen van hun vroegere ik.

‘Dat soort verhalen gebeurt voortdurend’, zei mijn moeder, terwijl ze me een kop groene thee inschonk. Die avondséance zou ons nieuwe nachtelijke ritueel worden, mijn moeder, een oude vrouw, en ik, een ouder wordende vrouw. ‘Waarom schrijf je op wat ik je vertel?’

‘Iemand moet het doen’, zei ik, met het blocnote op mijn schoot, de pen in de aanslag.

‘Schrijvers.’ Ze schudde haar hoofd, maar ik denk dat ze het fijn vond. ‘Dan verzin je tenminste geen dingen zoals je anders altijd doet.’

Soms zijn verhalen zo tot mij gekomen, via haar. ‘Ik zal je een verhaal vertellen’, heeft ze een, twee, misschien wel drie keer gezegd. Maar vaker ga ik op jacht naar geesten, waar ik het huis niet voor uit hoef. Zoals zij rondwaren in onze wereld, zo waren wij rond in die van hen. Het zijn bleke wezens, banger voor ons dan wij voor hen. Daarom zien we die schimmen zo zelden en moeten we naar hen op zoek. De talismannen op mijn bureau, een gerafelde korte broek en een gescheurd T-shirt, schoon en droog, keurig gestreken, herinneren me eraan dat mijn moeder gelijk had. Verhalen zijn gewoon dingen die we verzinnen, meer niet. We zoeken ze in een wereld parallel aan de onze en laten ze dan hier achter om gevonden te worden, kleren die geesten hebben uitgetrokken.

Dit verhaal komt uit de bundel De vluchtelingen, uitgegeven door uitgeverij Marmer en uit het Engels vertaald door Paul Bruijn. Hier kunt u meer over de bundel lezen, of deze bestellen.  

Viet Thanh Nguyen
Foto: BeBe Jacobs

Viet Thanh Nguyen is geboren in Vietnam en opgegroeid in de Verenigde Staten. Verhalen van zijn hand zijn verschenen in Best American Voices, TriQuarterly, Narrative en de Chicago Tribune. Ook is hij de auteur van het academische boek Race and Resistance. Hij doceert Engelse en Amerikaanse studies aan de Universiteit van Zuid-Californië en woont in Los Angeles. Zijn debuut De sympathisant won vele prijzen (waaronder de Pullitzerprijs) en stond wekenlang in de bestsellerlijsten.

Dit voorjaar verscheen bij uitgeverij Marmer De vluchtelingen (The Refugees), vertaald door Paul Bruijn. Nguyen vluchtte met zijn oudere broer en ouders als klein kind van Vietnam naar de VS. In een interview met Financial Times noemt hij zijn gezin ‘modelvluchtelingen’: ‘Mijn ouders waren respectabele kooplieden, mijn broer ging zeven jaar nadat hij zonder Engels te spreken in de VS was aangekomen naar Harvard en ik won de Pulitzerprijs [met zijn debuutroman De sympathisant in 2016]. We kunnen zo op een poster die verkondigt dat vluchtelingen Amerika great maken. (…) Maar het zou niet zo’n succes moeten vereisen om verwelkomd te worden.’

Met deze bundel wil hij de privileges van de witte man in twijfel wil trekken. De vrouwen met de zwarte ogen is het eerste verhaal uit de bundel, genoemd naar de vrouwelijke verhalenvertellers die Nguyen zich herinnert uit zijn jeugd in Vietnam. Het kostte Nguyen naar eigen zeggen 17 jaar en 50 versies om tot dit resultaat te komen.