Rebecca Wilson -

Een veilige leeromgeving

Leestijd 10 - 12 min

Ik heb een nieuwe leerling. Eindelijk. Hij zit in de gangkast en is een van de luisteraars, dat weet ik zeker. Ik heb altijd luisteraars in mijn klassen gehad, wat juf Cindy ook zei. Er waren altijd kinderen wier ogen zelfs tegen het eind van de les nog oplichtten, als de rest allang rondjes rende door de gang. Kinderen die alles opzogen wat ik zei, gretig als honingbijtjes rond een meeldraad. Ik heb hun kerstkaartjes nog op de schoorsteenmantel staan. ‘Lieve juf Anouk, ik leer feel fan U!!!’ schreef Wes. De n zal hij nu wel niet meer verkeerd om schrijven. Wat zou hij zijn gaan studeren? Misschien werktuigbouwkunde. Dat exacte, dat zat er altijd al in bij Wes. Niemand was zo goed met de meccanodoos als hij.

Ik zie dat soort dingen al vroeg bij leerlingen. Ik zie altijd het grote plaatje. Ik zie het verleden en de toekomst van alles. Ik kan niet door de wijk lopen zonder dat sporen van vroeger zich aan me opdringen. Gisteren nog probeerde ik de pony op het geitenweitje wat historisch besef bij te brengen: ‘Kijk daar, naast de vaart, daar loopt het jaagpad,’ zei ik. ‘Daar trokken jouw soortgenoten jarenlang de trekschuit. Je staat hier alleen, maar wél in een traditie.’ Zijn ponyogen glansden leeg. Ik denk niet dat hij een van de luisteraars is. Hij zag duidelijk niet hoe de lijnen samenkomen. Ik zie dat wel.

Dat komt, ik ben een M. M staat voor mentaal. Een begrip uit de zogenaamde human dynamics, is dat. Juf Cindy zwoer bij human dynamics. Tenminste, dat laatste jaar, toen ze eenmaal uitgekeken was op het enneagram en toen was gebleken dat we het gedachtegoed van Stephen Covey niet goed konden vertalen naar de kleuters.

We kregen allemaal een human dynamicsposter voor in de klas, en er kwamen studiedagen. Dan hadden de leerlingen vrij en ging het team aan de slag met elkaars dynamiek. Ik zei nog tegen juf Cindy dat ik liever een studiedag zou besteden aan het uitzoeken van een nieuwe leesmethode voor de bovenbouw, maar ze reageerde daar nogal agressief op. Later bleek dat juf Cindy daar niets aan kon doen: ze is een E’tje. E staat voor emotioneel, natuurlijk. Mensen die hun E het meest ontwikkeld hebben moet je voorzichtig benaderen. Zeker als je een M bent, zoals ik. Zeker als zij de directeur zijn, zoals Juf Cindy. Zij heeft het nooit kunnen verkroppen dat ik de enige echte M in het team was.

Ik heb de poster niet opgehangen in mijn klas. Ik wist zo wel wie van de leerlingen ook M’en waren. Dat waren de luisteraars natuurlijk. Ik zorgde dat hun ogen elke dag oplichtten en ik liet alle andere kinderen begaan, met hun geren en gedoe en geheime bijeenkomsten op de meisjes-wc. Ik zou toch nooit tot ze doordringen en ik had er geen last van. Alleen, de andere juffen blijkbaar wel.

De andere juffen, dat waren vooral fysieke F’jes. Praktische, simpele zielen. Doeners, geen denkers. Aanpakkers die er geen gras over lieten groeien en altijd meteen begonnen met roddelen zo gauw ik de lerarenkamer uit was. En ook al was juf Cindy die eerste studiedag geëindigd met de mededeling dat het wiel van een organisatie pas echt rolde als er in het team een gelijke verdeling van dynamieken was, niemand zat daar echt op te wachten. Juf Cindy wou F’jes, waar ze niet agressief van werd. En de F’jes wilden elkaar. In mijn laatste gesprek met juf Cindy kwam ik er nog op terug. Ik zei dat ik de cirkel in balans bracht. Dat elke team een kritische geest nodig heeft. Een luis in de pels zogezegd. Dat ik die luis graag wilde zijn voor Openbare basisschool De frisse blik. Dat ik het wiel graag wilde laten rollen.

Maar ze wilde er niets van horen. Het ging niet om het wiel, zei ze, maar om de kinderen. Ik was niet langer in staat een veilige leeromgeving voor alle kinderen te scheppen, zei ze, en het was tijd dat ik eens lekker ging opladen, thuis. Lekker de accu bijvullen. ‘Je kunt het ook zien als een cadeautje,’ zei juf Cindy.

Een cadeautje voor wie? Niet voor mij. En zeker niet voor de luisteraars. Wie moest ze nu helpen met hun cognitieve ontwikkeling? Ik probeerde me thuis te ontspannen. De stapels papier weg te werken, de toetsen, de tijdschriftartikelen, de knutselwerkjes die zich al die jaren hadden opgehoopt in mijn woonkamer. Maar ik had zo veel kennis te delen, ik kon het niet laten. Ergens moesten toch nieuwe luisteraars te vinden zijn?

Eerst zocht ik ze bij de middenstand op het plein. De drogist staarde me glazig aan toen ik begon over het bordje met zonne brillen in zijn etalage, maar de Chinese vrouw aan de overkant begreep me wel en haalde de spaties uit haar haaien vinnen soep.

Af en toe belde ik mijn zus en zei: ‘Zal ik je vertellen over de kreeftkeerkring?’ Mijn zus hing dan op.

Als ik een spelfout of een verkeerde grammaticale constructie in de krant aantrof, schreef ik een brief naar de betreffende verslaggever. Bijna elke dag was dat. Geen enkele journalist schreef ooit terug. Net als iedereen waren ze te druk met twitteren. Niemand luisterde meer.

Even leek het buurmeisje uitkomst te brengen. Yasmine was een dik, Marokkaans meisje van tien met stikdonkere ogen en een vlecht en een probleem met rekenen. Haar moeder vroeg me op straat of ik haar bijles wilde geven. Als herboren liep ik naar binnen. Op mijn schoolbord naast de keukentafel stond: er zijn geen slechte leerlingen, alleen slechte leraren. Dat stond er al sinds ik op de opleiding oefende met aan elkaar schrijven. Ik geloofde het allang niet meer. Ik veegde het uit een schreef, in mijn beste lerarenhandschrift: vermenigvuldigen met een breuk is delen door het omgekeerde. Die middag na school kwam ze. Yasmine deed het goed. Ze luisterde. Ik gaf haar een sticker met een paars konijn. Ze zou twee keer per week komen. Maar ze schrok denk ik van de klonters in de melk, ook al legde ik uit dat je zo een beetje kon zien hoe kaas gemaakt werd. En later was er het incident met de kakkerlak. Ze bleef weg in de tweede week. Nu steekt haar moeder de straat over als ze me ziet.

Sindsdien bleef het stil in huis. Soms hoorde ik dagen niets dan het geritsel van de muizen in de kruipruimtes. Ik miste het gekrioel op het schoolplein. Zodoende was ik blij met de komst van de meelmotten. Mijn pakken rijst gooide ik niet weg. Integendeel. Ik maakte ze vast open. Dit was een uitgelezen kans om de verschillende levensstadia van de meelmot van dichtbij te observeren. Mijn keuken veranderde in een grote muizen- en mottenkweekvijver. Ik hielp de muizen een nest bouwen in de gootsteen. Als ik de keuken in kwam met wat vruchten voor de babymuisjes, fladderden de motten in dichte wolken om me heen. Een prachtige levenscyclus ontstond toen de muizen hun jongen begonnen te voeren met de mottenlarven die uit de fruitresten kropen. Koken kon vanzelfsprekend niet meer. De Chinese vrouw op het plein deed goede zaken. Soms voelde ik me moedeloos. Al dat prachtige lesmateriaal en niemand om ernaar te kijken. Maar ik wist dat dit allemaal niet vergeefs was en dat er een dag zou komen dat ik weer les zou geven. Niet voor niets ben ik een M. Die kunnen vooruitzien. Die hebben visie.

Vanochtend ging dan eindelijk de bel. Het was een man van de gemeente. Afdeling burgerzaken. Hij had een folder bij zich. Iets met beleid achter de voordeur. Hij had het over de moeder van Yasmine. Overlast, zei hij. Stank. Ongedierte. Hij drong me achteruit de gang in en gesticuleerde. Even twijfelde ik. Zo druk deed hij, dat ik al aan ADHD begon te denken. Toen keek ik hem in de ogen en zag ik het toch. Ik moest echt meer vertrouwen hebben in mijn leerlingen, zei ik tegen mezelf. Het zou moeilijk worden met zo’n prater, maar er zat in hem wel degelijk een luisteraar verscholen. Met het juiste onderwijs zou die wel tot ontwikkeling komen. Gelukkig voldoet mijn keuken aan alle eisen voor een rijke leeromgeving. Het is nu aan mij. Misschien is het toch waar. Er zijn geen slechte leerlingen, alleen slechte leraren.

Dit verhaal is niet eerder gepubliceerd.

Rebecca Wilson

Rebecca Wilson is schrijver en redacteur. Ze publiceerde eerder verhalen bij Tijdschrift Ei en De optimist. Ook schreef ze onder meer voor Time Out en Amsterdam Weekly.