Diane Cook -

Iemands kind

Leestijd 10 - 12 min

Linda wikkelde haar boreling Beatrice in een botergele deken, gebreid door de vrouwen in de buurt, en ging naast haar man in de auto zitten. Ze reden van het ziekenhuis naar huis en glimlachten naar de baby en naar elkaar. Ze reden hun straat in en keken glimlachend naar hun huis, dat ze hadden opgeknapt en in een kleur hadden geschilderd die volgens hen veel verschil zou maken, als het erom ging een gezin te stichten. En toen vervlogen hun glimlachjes.

De man stond al in de voortuin.

Ze reden de oprit op en de man sloop achter de esdoorn. Toen hij zag dat ze hem hadden ontdekt, kwam hij achter de boom vandaan. Met grote stappen ijsbeerde hij heen en weer door de tuin.

Linda drukte Beatrice strak tegen zich aan en liet het aan haar man over om de autoportieren dicht te smijten, te schreeuwen, de man woedend aan te staren. Ze voelde zich hulpeloos en dus schuifelde ze snel naar binnen, in de wetenschap dat zijn pogingen om dreigend over te komen niets zouden uithalen.

Eenmaal binnen zag ze hoe de man in de voortuin haar huis in de gaten hield. Ze wist dat het niet lang zou duren voordat hij binnen zou zijn. Dat lukte hem altijd.

En dus ging Linda nooit naar buiten, tenzij ze niet anders kon. Als haar man naar zijn werk was gegaan, deed ze alle deuren op slot. Ze liet tralies voor de ramen zetten. In de kinderkamer bekeek ze de man van achter de gordijnen, terwijl Beatrice sliep. Als ze het vuilnis buitenzette, hield ze haar baby ferm tegen haar borst geklemd en keek ze de man strak aan, terwijl ze langs hem struikelde met haar lekkende vuilniszak. Een ogenblik was al genoeg; dat wist ze. Als ze te lang bezig was iets in haar koelkast te zoeken. Als ze bij het snijden van wortels in haar vinger sneed en haar gezicht vertrok van pijn. Als ze in slaap viel terwijl Beatrice een dutje deed. Het zou iets kleins zijn.

Linda belde haar buren en vroeg hun haar te bellen als ze zagen dat de man in aantocht was. Ze hoorde hoe ze hun adem inhielden, op hun hoede.

Dat zullen we proberen, maar weet je, Linda, begonnen ze dan, waarop Linda ophing. Ze wist wat ze haar wilden vertellen en dat wilde ze niet horen. Als ze hem zag, als iemand hem zag, was hij tenminste nog niet binnen.

Maar op een dag werd er een pakketje afgeleverd. Achteloos zette ze haar handtekening, terwijl ze naar de man in de voortuin keek. Eenmaal binnen pakte ze een mes om de doos open te snijden en toen zag ze dat het pakje niet aan haar was geadresseerd. Het was zelfs niet voor iemand anders in haar straat. De bezorger had haar een pakketje voor een vreemde gegeven. Hij reed al achteruit de oprit af.

Wacht, riep ze en ze rende achter hem aan voordat hij de straat zou uit rijden.

Hij sprong uit zijn bestelwagen en liep naar haar toe en door de snelheid waarmee hij bewoog herinnerde ze zich plotseling de man in de voortuin. Zo gemakkelijk was die last uit haar gedachten verdwenen. Er was alleen een stomme doos voor nodig geweest. Ze liet hem vallen en rende gillend naar binnen. Maar het was al te laat. De man was al weer weg en had Beatrice meegenomen.

Je kunt er niets tegen doen, zeiden haar buren, terwijl Linda rouwde. Een paar buren kwamen langs met stoofschotels en potjes zelfgemaakte jam.

Je komt er wel overheen, en dan krijg je er nog een, zeiden ze.

Maar die zal hij ook gewoon meenemen, huilde ze.

Misschien niet, zeiden ze hoopvol. Soms pakt hij er maar eentje!

Ik zou het niet kunnen verdragen dat hij er nog een meeneemt, zei ze snikkend.

Stil maar. Ze streken haar haar glad, masseerden de spanning uit haar handen. Wij weten wat je doormaakt.

Maar waarom glimlachen jullie dan?

Omdat we weten dat je het weer zult proberen en het gezin zult krijgen dat je wilt. Ze keken elkaar stralend aan. Zo hebben wij het ook gedaan.

Linda snoof. Nou, misschien ben ik niet zoals jullie.

Wat spijtig, dachten haar buren. Stel je voor dat je de wens om een gezin – een gezín – te stichten zou opgeven omdat het moeilijk is. Natuurlijk was het moeilijk – de man, de angst, de klap van het rouwen. Maar als je het opgaf, restte je alleen nog leegte. Ze zou zo’n leuk gezin kunnen hebben, als ze een beetje beter haar best deed.

Maar een paar jaar later kreeg Linda weer een kind. Een jongetje, dat ze Lewis noemde, en ze huilde van opluchting toen de dokter hem op haar borstkas legde, zodat zij hem kon voeden. Linda keek naar zijn gezichtje en het was alsof ze nog nooit een babygezichtje had gezien, zo perfect was het. Ze voelde zich heel. Ze was blij dat ze het weer had geprobeerd.

Weet je zeker dat ik je niet naar huis moet brengen? vroeg haar echtgenoot en hij boog zich voorover in haar auto om het warme buikje van Lewis te strelen, zomaar. Zijn auto stond naast hem stationair te draaien. Ga maar naar je werk. Linda glimlachte. Ik voel me prima. Ze voelde zich echt prima. Ze geloofde dat deze keer alles goed zou komen.

Maar toen ze de oprit op draaide met Lewis, stond de man al in de voortuin te wachten.

Linda huiverde. Tranen stroomden over haar wangen, maar ze wist niet eens dat ze huilde. Lewis spartelde zenuwachtig toen hij dit nieuwe onheilsgevoel bespeurde.

Ga alsjeblieft weg, zei ze snikkend. De man peuterde tussen zijn tanden.

Ze hield het hoofdje van haar zoon vast, bukte zich en raapte een steen op uit de kapotgereden strook tussen het asfalt en het gazon, die ze naar de man gooide. De steen kwam links van hem neer. Ze gooide er nog een, raakte zijn schouder, maar hij vluchtte niet, wreef alleen met zijn hand over zijn schouder.

Heb je nog niet genoeg kinderen? gilde ze. Ze rende naar binnen en gooide de deur achter zich dicht.

Ze trok alle gordijnen dicht, sloot alle deuren met drie sloten af, rukte aan de tralies voor de ramen om te zien of ze sterk genoeg waren. Maar wat maakte het uit? dacht ze. Hij zal niet inbreken. Hij loopt gewoon naar binnen als ik een fout maak. Het zal mijn schuld zijn, dacht ze, terwijl ze Lewis in zijn bedje stopte. Hij keek haar aan met vochtige ogen en schudde met zijn ledematen door een babystuipje. Zijn mond ging open of dicht, of hij dat nu wilde of niet; zijn tong leek soms te groot voor zijn natte mond. Ze was al die dingen die baby’s doen vergeten, en hoeveel genoegen je voelt als je naar ze kijkt. Ze bekeek Lewis dagenlang, nachtenlang. Ze sliep niet. Ze wilde geen enkel risico nemen.

Tijdens een van zijn namiddagdutjes wiegde ze in haar schommelstoel en keek toe hoe Lewis zich in zijn slaap bewoog. Hij leek een denkbeeldige draad rond een denkbeeldige klos te draaien, waarmee hij een denkbeeldige kluwen maakte die hij daarna in zijn mond zou steken. Ze verloor zich in het onwillekeurige gedraai van zijn armen. Ze stelde zich voor dat ze vliegerden, midden op een hooikleurige weide, haar kleine baby die in zijn wiegje een klos met draad afwikkelde terwijl zij de vlieger omhoogtrok, steeds hoger met elke draaiing van de klos. Maar de draad raakte in de knoop en ze moest erlangs omhoogklimmen om de knoop te ontwarren. Net toen haar dat was gelukt, hoorde ze het gepiep van een ijzeren hek en zag ze hoe de man over het veld naar Lewis liep. Ze schoof langs de draad naar beneden, maar met elke centimeter kwam ook de man een centimeter dichterbij; een marteling, want zo zouden ze tegelijkertijd bij Lewis zijn, en wat dan? Ze gleed sneller naar beneden, maar de man versnelde zijn pas. En toen liet Lewis kirrend meer draad van de klos vieren en schoot Linda omhoog. Ze gilde dat hij daarmee moest ophouden, maar toen was ze al te hoog. De man sloop naderbij en ze wist dat ze door haar eigen domheid ook deze baby zou kwijtraken. En toen steeg ze tot boven de wolken en kon ze Lewis niet meer zien. Ze voelde de draad verslappen toen Lewis werd meegenomen.

Ze steeg hoger en hoger en dacht dat hij uit angst de klos had laten vallen.

Ze werd wakker, onderuitgezakt in haar schommelstoel, gedesoriënteerd door de vroege avondschemering. Een nagalm, een verstoring hing in de lucht. De wekker gloeide spookachtig groen in de duistere kamer. In paniek deed ze het licht aan. Er lag een baby in de wieg. Hij leek op Lewis, maar misschien was dat een trucje en had de man haar kind verwisseld voor een ander, een plaatsvervanger van wie ze nooit zou kunnen houden. Ze trok Lewis zijn kleertjes uit en bekeek zijn lichaam om het zeker te weten. Een moedervlek in de holte van zijn linkerknie. Toen ze die eenmaal had gezien, keek ze in zijn boze oogjes en wist ze dat het Lewis was.

Overal in huis voelde ze de afwezigheid van de man. Hij was er geweest. De knop van de voordeur was nog een beetje warm van zijn greep. De volgende keer zou ze niet op tijd wakker worden. Dat wist ze. En de man zou niet uit de voortuin verdwijnen tot hij Lewis had.

Linda wendde zich tot de vrouwen in haar buurt. Ze hadden haar zo aangemoedigd, toen ze eenmaal weer zwanger was geworden. Maar haar buren waren niet bepaald behulpzaam.

Als we maar met genoeg zijn om de wacht te houden, dan weet ik zeker dat hij ons met rust laat, smeekte Linda.

Wat moeten we dan doen? Dag en nacht de wacht houden voor jouw huis?

Met z’n allen? 
We hebben zelf gezinnen om voor te zorgen!
 De vrouwen praatten allemaal tegelijkertijd.
 Ze waren bijeengekomen in de woonkamer van Helen voor hun maandelijkse buurtbewonersvergadering; Helen was de voorzitter. Maar niemand had verwacht dat er een nieuw idee besproken zou worden. Ze zagen er ontzet uit, terwijl ze kort daarvoor nog heel evenwichtig hadden geleken.

Maar als we de last verdelen, om de beurt de wacht houden, dan kunnen we onze kinderen beschermen.

Je bedoelt: jóúw kind beschermen, preciseerde Helen op haar voorzitterstoontje en ze keek rond in de hoop op bijval. De vrouwen knikten vanwege de aangestipte onrechtvaardigheid.

Hij is jouw verantwoordelijkheid, klaagde een vrouw wier naam Linda altijd vergat. Ze woonde in een rood huis. Linda had een gerucht gehoord. De vrouw had haar kind aan de man gegéven. Ze was te zeer overweldigd geweest. Linda vond het maar moeilijk te geloven.

Maar we hebben dit allemaal meegemaakt. Stel je eens voor dat we samen zouden werken – dan is het mogelijk dat we geen enkel kind meer verliezen.

Jill, die in een doodlopend straatje woonde, streelde Linda’s arm vol sympathie. Je bent van streek. Dat is begrijpelijk. En je hebt gelijk: we hebben dit allemaal meegemaakt. Dus geloof me als ik zeg dat hij ze uiteindelijk niet meer meeneemt, zei ze, en dan krijg je er een paar die je kunt houden. Zo werkt het. Ik ben er eentje kwijtgeraakt. Ze haalde een foto van haar eigen, glimlachende gezin uit haar portefeuille: een echtgenoot, twee jongens, een meisje. Ze waren allemaal van schoolgaande leeftijd, maar droegen vormeloze kledij. Zie je?

Helen liet een schoolfoto zien van een jongen met een angstige glimlach. Als je het wilt weten, hij is mijn oudste. Maar in werkelijkheid was hij nummer drie, zei ze en ze streelde het fotolijstje met haar gemanicuurde vinger. Haar stem stokte. Ik weet nog hoe klein hij was.

Haar buurvrouw Gail plukte teder een haar van Linda’s blouse. Iedereen die een gezin wil, krijgt dat gezin, zei ze. Alleen duurt het voor sommigen van ons langer.

Linda was als verdoofd. Maar hoe kun je ze kwijtraken en daar genoegen mee nemen? Ze had niet zo beschuldigend willen klinken, maar zo moest ze wel geklonken hebben, want de vrouwen verstijfden.

Helen glimlachte met strakke lippen. Laat me iets duidelijk maken. Ze wees naar de baby in Linda’s armen. Hoe heet hij?

Linda kneep even, de baby kronkelde. Lewis.
 En je eerste? Hoe heette die? vroeg Helen.
 Linda aarzelde. De enige aan wie ze kon denken was Lewis, zijn warmte, zijn adem. Alleen de naam Lewis bezette haar brein, waar eerder nog vele gedachten hadden geklonken.

Helen keek de kring rond. Ik denk dat mijn punt wel duidelijk is, zei ze en de vrouwen knikten. Zij waren niet degenen die overtuigd moesten worden.

Ze knielde voor Linda. Als ze weg zijn, zijn ze weg. Maak een nieuwe – begin er meteen mee – en hoop er het beste van. Ze kneep ruw in Lewis’ wang en zuchtte. Tot zover de vergadering.

Iedereen zag er uitgeput uit. Ze hadden nog nooit met iemand als Linda te maken gehad.

Linda liep door haar straat. Het was maar een klein stukje naar haar huis met de gezinsvriendelijke kleur, de vele sloten, de man in de voortuin. Ze bleef denken: Lewis, Lewis, Lewis. Maar toen vloog er een geel vogeltje langs haar heen, op weg van de ene naar de andere lantaarnpaal, en toen herinnerde ze zich: Beatrice.

Waarom blijf jíj nooit op om Lewis te bewaken? vroeg ze haar echtgenoot. Ze sliep amper nog. Hun relatie leed eronder.

Ik onderhoud ons gezin door te werken. Als ik niet slaap, kan ik niet werken en dan hebben we niets te eten, antwoordde hij.

Ze veegde het aanrecht nog een keer af. Als we geen kind hebben, hebben we geen gezin.

Hij lachte. Dat klopt niet helemaal. Jij bent er dan nog. Het is mijn taak om jou te onderhouden. Als jíj weggaat, is er niemand die ik moet onderhouden. Maar als Lewis verdwijnt, nou, dan moet ik nog steeds jou onderhouden, tot we weer een nieuwe maken en dan moet ik jullie beiden onderhouden. Zo werkt het nu eenmaal met een gezin. Hij zei het alsof hij dacht dat ze dom was.

En wat als die ook weer wordt weggehaald? Haar stem brak.

Hij besefte dat ze niet zomaar tegendraads was, maar werkelijk van streek. Hij trok haar tegen zich aan. Sst, sst, troostte hij haar. Maak je geen zorgen, hij pakt zelden een derde.

Ze verstijfde. Een derde? Je doet niet eens alsof er hoop voor Lewis is.

Hij fronste. Aardig zijn. Ik ben hier niet de vijand. Hij veegde een traan van haar wang.

Maar ook zij geloofde dat de man Lewis zou meenemen. En dat hij haar derde kind zou pakken. En haar vierde. En dat zou haar gebeuren. Er was iets in de manier waarop hij daar stond als zij uit het ziekenhuis kwam. Alsof hij een neus had voor haar, voor haar blijdschap. Misschien was het ijdelheid om te denken dat zij anders was, of dat nou kwam omdat ze de noodzaak voelde Lewis te beschermen of omdat ze zich een doelwit waande. Ze wist niet of het slecht van haar was, dit vermoeden dat de wereld uitgerekend haar in het vizier had en maar twee opties had – haar sparen of de trekker overhalen. Ze voelde dat ze onder vuur lag, elke dag van haar leven, al sinds ze kinderen had gekregen.

Linda zette een advertentie waarin ze bewakers zocht. Je moet in staat zijn de hele dag staand en lopend door te brengen, meldde de advertentie. Je moet ook ’s nachts beschikbaar zijn. Ze nam twee mannen aan die recentelijk door een fabriek waren ontslagen. Ze hadden als operator gewerkt en droegen overalls, dus zagen ze er officieel uit, geüniformeerd in donkerblauw met vetvlekken. Ze draaiden de nachtdienst. Ze nam nog twee mannen uit de buurt aan, met kantoorbanen in de stad, die gedwongen waren minder te werken. Hun vrouwen waren het er niet mee eens, maar de mannen hielden vol dat het werk was en dat ze de kost voor hun gezinnen moesten verdienen. Ze draaiden de dagdienst. Hun vrouwen keken de andere kant op als ze langsreden. Ze vonden het vulgair, hun mannen die heen en weer liepen over Linda’s gazon, allemaal om één baby te bewaken en niet eens die van henzelf.

Maar Linda had meer gelegenheid om naar Lewis te kijken, nu ze niet de hele tijd de man in de tuin in de gaten hoefde te houden. Ze prentte zich het gezicht van Lewis goed in. Ze ontdekte rode bultjes op zijn wangen die ze nog niet eerder had gezien. Ze voelden aan als het zachtste schuurpapier. Ze keek toe hoe hij zichzelf streelde in zijn slaap, zijn kleine handjes die fladderden over zijn gezicht, alsof hij verlegen was. ’s Ochtends rook hij naar rottende bladeren. Ze hechtte zich aan hem, zoals ze had gelezen in boeken voor jonge ouders.

Op een avond, terwijl Linda Lewis in bad deed in de gootsteen, zijn bleke huid bedekt met een masker van belletjes babyzeep, klopte er iemand op het raam. De figuur lichtte wit op in de lichtbundel van een schijnwerper en Linda schrok, totdat ze zag dat het haar buurvrouw Gail was. De vrouw stond in de jeneverbes onder het raam, haar klompen diep weggezonken in de zwarte grond.

Ik wilde je deze tulband brengen, maar het komische duo wilde me er niet langs laten, riep Gail achter het gesloten raam. Ze hield de in folie verpakte tulbandcake omhoog.

Linda zuchtte en deed de deur open. Ik weet het. Ik had gehoopt dat het iets vriendelijker zou overkomen. Ze gooien stenen naar je. Er hebben al meer mensen geklaagd.

De druiven zijn zuur. Ze zijn gewoon kwaad dat ze het zelf niet hebben bedacht. Gail kneep in een van de ingezeepte, natte voetjes van Lewis. Hij spetterde met zijn handen in het water. Nou, het werkt toch? Je hebt hem nog steeds.

Dat is waar. Maar jij bent erlangs geglipt, of niet soms? En natuurlijk spreek jij hen daarop aan.
 Natuurlijk, mompelde Linda en ze beet op haar lip. Soms voelt het een beetje extreem.
 Doe gewoon wat je moet doen om deze kleine te beschermen. Ik zou me geen zorgen maken om wat de mensen erover zeggen.

Linda had er niet bij stilgestaan dat mensen er überhaupt iets over zouden zeggen.

Toen Gail was vertrokken, deed Linda de voordeur open en riep de bewakers. De ene keek haar aan, de andere bleef omgekeerd staan om naar de man in de tuin te kijken. De man in de tuin boog zich voorover om haar te kunnen horen.

Over het algemeen doen jullie geweldig werk, fluisterde Linda.

De mannen knikten ernstig.

Maar vanavond wist een vriendin binnen te sluipen in de achtertuin.

Onmogelijk, zei de bewaker die haar aankeek. We zouden nooit iemand binnenlaten.

En we patrouilleren ook in de achtertuin, zei de bewaker die met zijn rug naar haar toe stond. Onmogelijk dat we uw vriendin niet hebben gezien.

Niet mogelijk, herhaalde de bewaker die haar aankeek.

Het punt is, zei Linda, twee dingen. Ten eerste wil ik mijn buren blijven zien. Je kunt hen gewoon binnenlaten. Dit is nu eenmaal een woonwijk. Ten tweede: het kan niet zo zijn dat mensen binnen kunnen sluipen, want dan doen jullie niet waarvoor ik jullie heb ingehuurd. En het is voor mij geen enkel probleem om iemand anders te vinden. Ze zei dit met de bedoeling gemeen te klinken.

De mannen waren een ogenblik stil, snoven de lucht op om het dreigement tot zich door te laten dringen. Straatlampen gloeiden over de volle lengte van de straat. Bladeren worstelden met hun takken. Sproeiers tikten op gazons in de verte. Ze beloofden dat het nooit meer zou gebeuren.

Het waren de bewakers uit de buurt die de man er uiteindelijk langs lieten. Het kind van de ene man had zijn been gebroken en lag in het ziekenhuis, en zijn vader had zijn dienst verzuimd om bij zijn zoon te zijn.

De andere bewaker werkte alleen. De dag voltrok zich zonder incidenten. De bewaker keek naar de man in de tuin en de man in de tuin keek naar de bewaker. Het was niet nodig om patrouilles rond het huis te lopen, want de man in de tuin bewoog zich niet. Zolang de man zich niet verplaatste, bleef ook de bewaker op zijn plek. Er is geen ander gevaar dan de man, dacht de bewaker, terwijl een vlek zonlicht de man in de tuin bescheen. Hij had nooit iets gehoord over een handlanger van de man. Hij wist zeker dat hij het zou weten, als de man er een had. Maar toch, wat als de man een handlanger zou meebrengen op een dag dat de bewakers niet patrouilleerden? De kans daarop was klein. Maar toch. Het zou vreselijk zijn als hij de wacht hield en niet patrouilleerde, uitgerekend op de dag dat de man een handlanger zou meebrengen.

De bewaker piekerde over die vraag terwijl hij zich afwendde en in de struiken naast het huis urineerde. Hij hield de man in de gaten via de weerspiegeling van een raam. De man hing nog steeds rond achter de esdoorn. De bewaker keek naar beneden om te richten en sloot eventjes opgelucht zijn ogen. Toen hij weer opkeek, stond de man niet meer achter de esdoorn. Hij zag hem nergens meer. Even dacht hij dat de man hem wat privacy gunde en zich helemaal achter de boom had verscholen. Maar dat was maar een kortstondige, ijdele hoop, want hij wist wel beter. Hij had dit eerder meegemaakt. Hij had zijn eigen hysterische vrouw twee keer moeten troosten en het verhaal was altijd dat ze maar één seconde haar ogen had afgewend. Maar één seconde! En nu had hij juist dát gedaan, hoewel hij zichzelf én Linda had beloofd dat niet te doen.

Binnen waren Linda en Lewis in slaap gesukkeld tijdens het borstvoeden. Toen de bewaker de kamer binnenstormde, schrok Linda wakker en voelde ze een koude plek in de holte van haar elleboog.
Linda voelde iets warms en vochtigs op haar wang. Gail duwde een kompres tegen haar gezicht. Het okerkleurige licht van de ondergaande zon sijpelde door de jaloezieën. Ze had bijna elke dag slapend doorgebracht sinds Lewis was meegenomen. Het lukte haar niet om uit bed te komen. Ze kon niet overeind komen om welke deur dan ook op slot te doen. Oude, vieze luiers lagen te gisten in de vuilnisbak, die ze niet langer aan de straat kon zetten.

Gail tuitte haar lippen. Je moet opstaan, de draad weer oppakken, zei ze, elk woord onderstrepend met een vermanend toontje.

Nee, dat hoef ik niet, antwoordde Linda.
 En hoe vertel je dat tegen je echtgenoot?
 Dat doe ik niet. Linda deed een halfslachtige poging om overeind te komen. We praten niet meer. 
Gail schudde haar hoofd. En hoe denk je een volgende te kunnen maken als jullie niet meer praten? Ze probeerde een glimlach aan Linda te ontlokken.

Ik denk niet dat we dat nog gaan proberen. Ik denk dat we er klaar mee zijn.

Ze zag dat Gail haar niet begreep.

Ik kan er niet nog een kwijtraken. Ik weet niet eens of ik het verlies van Lewis wel te boven kom.

Dit gevoel slijt vanzelf. Dat doet het altijd, probeerde Gail haar gerust te stellen.

Maar hoe lang duurde het voordat jij je weer normaal voelde? vroeg Linda beschroomd. Wanneer lukte het jou weer om de draad op te pakken? Je kunt maar beter weer wat gaan rusten, zei Gail en ze greep haar tasje alsof ze een sprintje wilde trekken.
Wacht, zei Linda en ze greep het laken vast. Hoeveel kinderen ben jíj kwijtgeraakt? Ze besefte dat ze dit Gail nooit had gevraagd.
 Nou, zei Gail kortaf, geen enkel.

Hoezo? Kwam hij soms niet bij jou in de tuin staan? zei ze beschuldigend.
 Nou, natuurlijk deed hij dat wel. Hij komt in alle tuinen. Maar hoe kan dat dan?
 Gail keek ongemakkelijk. Hij verloor zijn interesse na een tijdje. Hij hoeft ze niet meer als ze eenmaal te oud zijn. En toen zei ze, zowel tactvol als trots: Eerlijk waar, ik heb gewoon nooit een fout gemaakt.

Linda had nog nooit gehoord dat een vrouw geen enkel kind was kwijtgeraakt. Niemand die daar ooit over praatte. Ze had geloofd dat het iets onvermijdelijks was, als een natuurwet, en geen fout van haar. Of ze voelde dat het wel een fout van haar was – natuurlijk was het een fout – maar omdat alle andere vrouwen dezelfde fout hadden gemaakt, leek het normaal om te falen en daardoor voelde zij zich normaal, wat het gevoel van falen ophief.

Het is niet jouw schuld, zei Gail en ze streek de kreukels in Linda’s laken glad, waarmee ze bedoelde te zeggen dat het wel Linda’s schuld was.

De buurtbewonersvergadering vond plaats in Linda’s woonkamer. Ze serveerde kopjes koffie en de vrouwen gaven een kannetje room en de suikerpot aan elkaar door.

Toen al hun koffie licht en zoet was, tikte Helen met een lepeltje tegen haar kopje. Jij hebt deze vergadering belegd. Dus. De vrouwen staakten met tegenzin hun gebabbel.

Linda schraapte haar keel.

Ik ga op zoek naar de man. Ik ga mijn kinderen ophalen, en alle andere kinderen die hij heeft.

De vrouwen wachtten, alsof de clou nog moest komen.

Tenminste, ging ze verder, als er nog andere kinderen bij hem zijn.

Eindelijk gilde er iemand: Naar zijn húís? 
Je kunt daar niet zomaar héén. 
Je kunt ze niet zomaar óphalen.
 De vrouwen praatten allemaal door elkaar heen.
 Dit is niet hoe we het doen, zei Helen beslist.
 Stel dat er, zoals je zei, geen kinderen zijn? Alleen hijzelf maar? zei Lorrie, met een stem die grensde aan paniek. Ik denk dat ik dood zou gaan.

En wat als ze er wel allemaal zijn? vroeg Nell, die thuis vier kinderen had en een van de weinigen was van wie de man drie kinderen had meegenomen. Wat als je mijn kinderen mee terugneemt? Ze keek de kring met vrouwen rond. Moet ik ze dan weer terug willen? Want dat wil ik niet. Ik wil ze niet meer. Terwijl ze dat zei, schudde ze achteloos met haar kopje en de koffie klotste over de rand, op het tapijt.

Nell heeft gelijk, zei Gail. Kinderen worden snel groot. Je herkent ze niet meer. Ik denk dat je teleurgesteld zult zijn met wat je aantreft.

Linda dacht dat ze een paar vrouwen wit zag wegtrekken toen Gail sprak. En beeldde ze het zich in, of hadden er een paar met hun ogen gerold? Ze bespeurde een nieuwe kilte in de lucht. Er was zoveel wat ze niet wist over deze vrouwen.

Linda schraapte haar keel en zei aangeslagen: Dat risico wil ik wel nemen.

Iedereen zakte ontmoedigd onderuit. Hadden de vrouwen dezelfde gedachten die zij had? Konden ze het wel aan om zeker te weten waar hun kinderen gebleven waren? Konden ze het aan om hen terug te krijgen?

Of dachten ze aan heel andere dingen? Misschien dachten ze wel dat Linda een idioot was.

De vrouwen gingen, een voor een. Niemand wenste haar succes.

Linda smeerde een broodje om mee te nemen. Ze stopte het in haar tas, samen met haar grootste keukenmes, dat ze in een theedoek wikkelde zodat ze zich niet zou snijden als ze iets uit haar tas pakte.

Net als in een fabel was het huis van de man gemakkelijk te vinden. Het was het soort huis waarover kinderen elkaar vertellen tijdens logeerpartijtjes, met z’n allen onder een deken, hun gezichten verlicht met zaklampen.

Linda volgde het uitgesleten pad van de man, dat als een litteken door de tuinen van haar buren liep en uitkwam bij het dichte, donkere woud. Daarin woonde de man. Had iemand het ooit gewaagd hem op te zoeken? Of had het te gevaarlijk geleken, te onbekend? Linda hapte naar lucht bij elke ademtocht, niet van uitputting maar uit angst voor wat ze zou aantreffen.

Aan het einde van het onverharde pad was een open plek en op de open plek stond een huis. Het oorspronkelijke houten hutje stond nederig te midden van een doolhof van slordige bijgebouwen die zich naar alle kanten uitstrekte, met weer andere aanbouwen aan die bijgebouwen. Het zag er onbeholpen uit, als een achteloos weggeworpen timmermansduimstok. Linda was zo dicht bij haar eigen huis dat ze het getimmer kon horen van een buurman, die bezig was een nieuw terras aan te leggen. De bomen waren hetzelfde. Als zij haar tuin had laten verwilderen, hadden er dezelfde bomen gestaan. De esdoorn in zijn tuin was even groot als de esdoorn in de hare. De bladeren van beide bomen waren verkleurd tot het rood van een kerstster.

Ze ging het huis binnen, volgde een zigzaggende gang in de richting van het geluid van een televisie en kwam in een woonkamer terecht. Verschillende gescheurde banken stonden rond een kleine televisie. De muren waren van ruw hout, net als de vloer, die schuilging onder een mozaïek van niet bij elkaar passende kleedjes die samen één groot kleed vormden.

Op het kleed stond een autozitje met daarin Lewis, slapend. Hij zag er heel anders uit dan in haar herinnering. Hij was nu een paar maanden ouder en het zitje was al te klein voor hem. Linda herkende het zitje en was verbaasd dat ze nooit had gemerkt dat het was verdwenen. Ze vroeg zich af hoeveel andere dingen van haar de man had weggenomen die dag, afgezien van Lewis.

De man zat naast Lewis, in een gemakkelijke stoel, en wiegde met gestrekte arm het autozitje. Kinderen van verschillende leeftijden lagen languit op de vloer en speelden een spel. Ze bekeken haar steels, speelden toen verder. Aan het uiteinde van een sleetse, blauwe bank lag een klein meis-je te slapen, opgerold als een balletje. Haar haar was een smerige bos vol klitten, met twijgjes en stukjes mos erin.

Linda jammerde zacht.
 De man wierp haar een afkeurende blik toe. Wat dacht jij dan? zei hij beschuldigend, zijn stem uitgehold door ziekte. Dat ik ze had opgegeten? zei hij spottend. Is dat wat je dacht aan te treffen?

Hij ging staan, onvast op zijn benen. Ik ben geen beest.

De man begon dingen in een plastic boodschappentas te stoppen.

Ik ga niet met je vechten, mompelde hij. Daarvoor ben ik te ziek. Hij stopte een bruine teddybeer in de tas, en een beschilderde ratel waarvan de verf op verschillende plekken tot op het hout was weggesleten.

Ergens ben ik wel blij dat je bent gekomen. Ik kan niet meer voor ze zorgen. Het is veel werk.

Het meisje op de bank strekte zich juist op dat moment uit. Ze rekte zich uit als een hond en kromde haar rug zo ver dat ze van de bank gleed en op haar hoofd terechtkwam. Toen Linda dit zag, draaide haar maag zich om.

Ze is van jou, zei de man. Hij tuurde naar Linda’s gezicht, toen naar het meisje. Zo klaar als een klontje.

Het meisje krabbelde op en wreef over de plek waar ze zich had gestoten.

Linda telde terug in gedachten. Beatrice was nu zes.

Ze houdt van wandelen, zei hij, alsof hij een verklaring wilde geven voor haar haar. Hij duwde de tas in de armen van het meisje en knikte naar het autozitje. Pak het handvat en hou het goed vast. Je moet je moeder helpen je broertje naar huis te brengen. Ze ziet er niet uit alsof ze zelf nog recht kan lopen.

Beatrice en de man staarden naar Linda, alsof ze wachtten tot ze iets zou zeggen, of misschien gewoon weg zou gaan.

Linda had iets veel dramatischers verwacht. Een vechtpartij, misschien. Ze klemde haar handen om het handvat van haar tas met daarin het mes, knus verpakt in de theedoek. Iets meer dan dit. Dit, zo stelde ze zich voor, was ongeveer hoe het moest voelen als ze haar kinderen zou ophalen bij een oppas aan wie ze hen met tegenzin had toevertrouwd. Wil je niet je excuses aanbieden? vroeg ze uiteindelijk.

De man lachte, maar niet gemeen. Waarvoor? Ik ben gewoon zo. En ik heb goed voor ze gezorgd. Hij legde zijn hand op het hoofd van Beatrice en glimlachte naar haar. Hoe klinkt een uil, meisje?

Beatrice hield haar hoofd schuin. Oehoe, oehoe, zei ze, langzaam en ernstig.

Klopt, zei de man en hij strompelde langs Linda. Ze volgde hem naar een eetkamer vol tafels, gemaakt van platen triplex die op zaagbokken waren gelegd; langs de muren stond wat keukenapparatuur. De tafels stonden in rijen, met banken aan beide kanten. Het zag eruit als een kantine waar met gemak honderd kinderen konden eten.

De triplex wanden hingen vol foto’s van de man met verschillende kinderen. Op één foto was hij nog jong en hielp hij een jongetje een vis omhooghouden, die even lang was als het jochie. Het jongetje lachte, met een enorme spleet tussen zijn tanden; de man was halverwege een lach gekiekt. Op een andere foto stond de man, ouder nu, voor het huis, nog zonder de wirwar van bijgebouwen. Om hem heen stond een groep kinderen van alle leeftijden in één grote omhelzing, misschien wel veertig in totaal. Iedereen lachte. Tussen de fotolijsten waren gekreukelde, oude brieven aan de wand geprikt. Lieve vader, zo begonnen ze allemaal. Aan sommige brieven waren foto’s geplakt, foto’s van andere gezinnen en Linda begreep dat deze kinderen waren uitgegroeid tot volwassenen, die de man brieven schreven, zoals ieder kind zijn vader brieven zou schrijven. Maar lieten de foto’s wel echt hun gezinnen zien, of hadden ze hun kinderen gestolen uit de buurten waar ze nu zelf woonden? Waren ze geworden zoals de man? Of waren het gewone mensen?

Ze keek toe hoe de man zich bukte voor een van de koelkasten en een grote draagtas met appels vulde. Hij was grotendeels kaal, met lange oren en knoestige ellebogen. Hij zag er zoveel ouder uit dan toen hij in haar tuin had gestaan, hoewel dat nog maar een paar maanden geleden was geweest. Hij kwam moeizaam overeind en bracht de tas met appels naar Linda.

En natuurlijk neem je ook de anderen mee, zei hij. Toen, al verdwenen in zijn eigen nostalgie, mompelde hij: Mijn kinderen.

Linda voerde de processie van vreemde kindergezichtjes, allemaal verschillend in leeftijd, door het bos. De oudsten droegen de peuters. Telkens als ze probeerde hen te tellen, renden ze door elkaar. Ze schatte dat het er minstens vijfentwintig waren. Ze waren allemaal vies en stonken als een nomadenstam.

Beatrice liep naast Linda en zwaaide wild met Lewis’ zitje. Het meisje moest haar bekend voorkomen, maar Linda vond haar het vreemdst van al de kinderen. Ze hield Linda in de gaten vanuit haar ooghoeken, klaar om achteruit te deinzen als Linda een vinger naar haar uit zou steken. Dus deed Linda dat niet.

Bij het weggaan hadden veel kinderen de man huilend omarmd en Linda wist zeker dat ook hij had gehuild. Meerdere kinderen noemden hem vader, maar ze hoorde ook dat een paar hem Kevin noemden. Kevin, herhaalde ze in zichzelf, en ze moest bijna lachen om hoe gewoontjes het allemaal begon te lijken. Aan het begin van het pad dat de man in het bos had uitgesleten, keek Linda om. De man lag onderuitgezakt op de veranda, al gelig en dood.

Wat als de man niet ziek was geweest? Zou hij met haar gevochten hebben om de kinderen? Linda wist het opeens niet meer zeker. Misschien was hij nooit van plan geweest ze te houden, om de verzorger te zijn van een onbekend aantal kinderen gedurende zijn leven. Misschien had hij op een bepaald punt in zijn leven andere plannen gehad, en was dit een zieke impuls geweest waaraan hij had toegegeven. En de verslagen jonge moeders dachten dat dit was wat het moederschap inhield, en lieten het voortbestaan. Ze leerden bepaalde verliezen te verwachten – en dus te accepteren. En de man wachtte zijn hele leven om ontlast te worden.

Linda bekeek haar treurige kroost. Ze stonden daar vol verwachting, verdrietig en hongerig. Haar maag trok samen.

Linda belde haar buren, liet boodschappen achter. De man is dood en ik heb alle kinderen. Kom kijken of er een paar van jou tussen zitten.

Maar een handvol vrouwen kwam langs. Ze riepen namen die geen reactie opleverden, tilden aarzelend kinderen op, hielden ze omhoog, tuurden naar hun hoofdjes en kontjes alsof ze iets wilden controleren, en vertrokken daarna met de kinderen die het beste pasten bij wat ze zich dachten te herinneren of die het meest aan hun wensen voldeden. Slechts één vrouw kreeg tranen van vreugde in haar ogen. De anderen straalden iets uit wat nog het meeste op verwarring leek. Of afstandelijkheid. Als je iets waar je allang afscheid van hebt genomen opeens terug kunt krijgen, wil je het dan nog wel? Andere vrouwen die ze had gebeld antwoordden met hun stilte. Ze kwamen niet.

Linda herkende in sommige kinderen hun ouders. Doorgegeven neuzen, ogen, glimlachjes en temperamenten verraadden hen. Ze wist zeker dat ze deze kinderen aan hun ouders kon koppelen, hen terug zou kunnen brengen naar hun eigen huizen. Twee van de kinderen die eerder waren opgehaald verschenen opnieuw voor haar deur, met excuusbriefjes op hun jas gespeld. Ze had ze terug kunnen sturen naar hun besluiteloze ouders. Maar dat deed ze niet. Ze hield alle kinderen.

Linda huurde mannen in, die haar huis uitbreidden met een krappe aanbouw, en haar echtgenoot werkte extra uren om de verbouwing en alle andere onkosten te kunnen betalen. Vaak ging hij ’s avonds na zijn werk met de auto weg, zat tot laat in een bar te drinken; alles om maar niet bij zijn nieuwe, drukke gezin te zijn. Linda herinnerde zich dat hij, toen ze pas getrouwd waren en fantaseerden over hun toekomstige gezin, had gezegd dat drie het ideale aantal kinderen was. Nu hadden ze er vijfentwintig.

De nieuwe aanbouw was even groot als de achtertuin, waardoor er geen ruimte meer was om buiten te spelen. De kinderen sliepen in rijen, in ruw getimmerde stapelbed- den die haar aan een scheepsruim deden denken: industrieel, treurig, volwassen. Ze probeerde het niet zo te zien en overdacht in plaats daarvan dat deze gestolen kinderen niet langer gestolen waren. Ze waren gevonden. Bevrijd. Zij had hen gered. Maar was het nu allemaal goed? Haar echtgenoot was ongelukkig; de kinderen, die er tevreden hadden uitgezien bij hun huis in het bos, leken nu lethargisch. En hoewel ze haar kinderen terug had, voelde ze nog steeds het gemis van wat het had kunnen zijn, wat het nooit meer zou zijn. Misschien probeerden haar buren haar dat te vertellen. Moederschap was van nature doordrenkt met verlies.

Ze probeerde haar eigen kinderen dicht bij zich te houden. Ze zette hun bedden in haar slaapkamer. Voor Lewis eerst een wieg en daarna zijn eigen bedje, met de voorkant van een trein op het voeteneinde geschilderd en gestreepte lakens, zoals het uniform van een conducteur. En voor Beatrice een bed met roze lakens en een dekbed afgezet met kant. Maar Beatrice sliep er nooit.

Beatrice sloop ’s nachts door het huis, doorzocht kasten en neusde tussen de boeken. Ze bleef lang buiten en kwam terug met dingen die niet van haar waren. ’s Ochtends trof Linda haar dan aan, opgerold in een hoek onder een schimmelige, vergeelde deken, die Linda niet bekend voorkwam en waarvan ze zich niet kon herinneren dat ze die uit het huis van de man had meegenomen. De sokken van Beatrice hingen halverwege haar voeten, op de manier waarop sokken van kindervoeten afglijden, maar nooit van de voeten van volwassenen.

Beatrice bewaarde haar schatten in een hoek van de woonkamer en ’s nachts, als de kinderen in bed lagen, Lewis sliep, haar echtgenoot overwerkte om het overbevolkte huis te mijden en Beatrice met grote stappen door de gangen liep, bekeek Linda haar verzameling. Tussen de vieze honkbalballen en verloren autosleutels vond Linda een doosje met brieven die ze aan haar gestolen dochter had geschreven, in de hoop haar die op een dag te kunnen geven. In een boek over rouwverwerking, vol ezelsoren en aantekeningen in Linda’s handschrift, vond ze babyfoto’s, die tussen de pagina’s waren gestoken. Onder het boek lag Linda’s haarborstel vol droge, grijze haren, een trui die ze al in jaren niet had gedragen, een strook roze stof van Beatrices eigen beddengoed, stinkend naar het dure parfum op Linda’s toilettafel.

Linda wachtte tot ze warme emoties zou voelen, maar ze kreeg een onbehaaglijk gevoel bij de verzameling. Dit bestuderen van het verleden deed Linda nog meer aan het meisje twijfelen. Ze kon met geen mogelijkheid Beatrice zijn; Linda voelde niets voor haar. Soms vroeg ze zich af of de man tegen haar had gelogen of dit meisje had verward met een ander. Als de kinderen bij elkaar zaten, bekeek Linda alle meisjes en probeerde iets voor hen te voelen, een verlangen, wat dan ook. Ze vroeg zich af: zou mijn Beatrice er zo hebben uitgezien op haar zesde? Maar geen van hen was de dochter over wie ze jarenlang had gefantaseerd. En evenmin was het die indringster met haar starende, sluwe blik en de twijgjes in haar haar, die nooit zeker leek te weten waar ze moest staan.

Op sommige avonden, nadat Beatrice was weggeslopen, stond Linda bij de huisdeur, met haar hand op de knop, en overwoog ze de deur op slot te draaien. Wat zou er van haar worden? Linda stelde zich voor dat het meisje terug zou gaan naar het uitwaaierende huis in het bos waar ze was opgegroeid, waar ze haar schuilplekjes kende. Ze zou er met vieze voeten over de kale vloeren lopen, nieuwe foto’s aan de muren prikken, er leven als de man, dingen verzamelend tijdens haar strooptochten, wat uiteindelijk zou leiden tot het verzamelen van kinderen.

Dit waren de zeldzame momenten waarop Linda een oprechte, begrijpelijke emotie voor Beatrice voelde. Ze had medelijden met het meisje, dat zo ver van huis was. Maar dat was niet hetzelfde als liefde.
Steeds vaker begon ze zich een Beatrice voor te stellen die echt zwierf, onopgemerkt, wild; in staat alle uiterlijkheden van haar echte thuis en dat van Linda van zich af te werpen. Ze zou een nieuw thuis vinden in de holle stam van een dode boom, of misschien in een vochtige grot, diep verscholen in een park. Ze zou op dennentakken slapen tijdens de hete zomers en ’s winters rillend onder haar smerige gele deken liggen.

Linda verzon avondenlang avonturen voor Beatrice, obsessief nadenkend over details. Ze kon zichzelf ervan overtuigen dat dit allemaal ingrediënten voor een benijdenswaardige kindertijd waren; Beatrice die drinkt uit fonteinen en baadt in meren, die ’s nachts naar uilen roept en overdag achter vlinders aan zit, die zich verschuilt voor nieuwsgierige honden, wintervoorraden van eekhoorns plundert, kraaien bespiedt en redevoeringen houdt tegen de grootste bomen, die onkruid in haar haar weeft en met verbrand hout tekeningen maakt op trottoirs, die een prinses is en straatnaambordjes leest alsof het spannende avonturen zijn, die lacht als de eenden haar grappen vertellen, door vuilnis spit en vanuit een boom gelukkige gezinnen bespiedt die picknicken op een groot gazon, en het moment afwacht waarop ze zich onopgemerkt onder hen kan mengen, alsof ze erbij hoort, om dan hun lunch te stelen. En meer.

Dit verhaal is afkomstig uit de bundel Mens vs. Natuur, in maart dit jaar verschenen bij Meridiaan Uitgevers. Vertaling: Kees Mollema. Diane Cook was te gast bij Crossing Border-festival 2015.

Diane Cook
Foto door Katherine Rondina

Diane Cook (1976, San Jose, Californië) was producent van het populaire radioprogramma This American Life  (ook te beluisteren als podcast). In het programma draait hem om verhalen van ‘gewone’ Amerikanen. Cook debuteerde met de verhalenbundel Man V. Nature die overal zeer goed is ontvangen en is genomineerd voor meerdere literaire prijzen – waaronder de Guardian first book award.

Cook  publiceerde haar verhalen in gerenommeerde tijdschriften als Harper’s Magazine, Zoetrope, Tin House en Granta. Daarnaast schrijft ze artikelen voor The New York Times. Cook verhuisde veel en vaak tot ze voor tien jaar in Brooklyn neerstreek. Ze is sinds kort teruggekeerd naar de Westkust, naar Oakland. Diane Cook heeft ook een eigen website: dianemariecook.com