Kira Wuck -

Wezen

Leestijd 6 - 7 min

Artwork: Crissie Rodda

Ik ben weleens met iemand naar bed geweest omdat hij een wees was. Misschien dat je zoiets instinctief aanvoelt. Misschien herken je een wees aan zijn richtingloze manier van bewegen.

Zolang ik werd aangeraakt, wist ik dat er nog iets van mij over was. Van mijn buik, mijn armen, handen en haar. Mijn opgetrokken knieën tegen de morsige rug van een toneelschrijver of architect.

Korsakoff was de laatste plek waar je naartoe kon om je honger te stillen. Hier kon je redelijk goed jezelf zijn, tot het grote licht aanging. Als dat gebeurde, schoot iedereen naar buiten. Waar lucht zich tegen je oren drukte en leegte terugkaatste. Soms bleef ik nog om sigaretten uit te delen. Dan vroeg ik bijvoorbeeld aan iemand die een sigaret bietste of hij architect was, waarop hij vroeg hoe ik dat kon weten. ‘Ik zie het aan je schoenen,’ zei ik dan.

Ik had mijn jas nog aan toen de wees tegen me begon te praten. Ik zat op de lege dansvloer tegen de muur geleund. De wees vertelde vrij ernstig dat er in Amsterdam honderdtien wezen onder de zevenentwintig woonden. Waarop we onze bierflesjes tegen elkaar aan sloegen met een vreemd soort enthousiasme, alsof we proostten op een prijs die we zojuist gewonnen hadden. Daarna haalde hij wodka met ijs en bekeken we de lijnen in elkaars gezicht alsof we door een spiegel keken.

Op het toilet probeerde ik water te drinken maar de straal was te dun, dus hield ik mijn hand eronder zodat ik genoeg op zou vangen voor een slok. Met mijn andere hand leunde ik op de wasbak en nam de schade op. Ik zag er vrolijk uit, niet onbezonnen maar zeker niet ongelukkig. Daarna liep ik weer naar de wees, hij hield zijn ogen gesloten en zijn hoofd achterover terwijl hij met The Doors meebewoog. Morrison zong: ‘Show me the way to the next whiskey bar.’ Ik klopte zachtjes op zijn schouder. ‘Ben je er nog?’

‘Ben ik waar nog?’

‘Hier.’

‘We zijn er nog,’ zei hij, ‘laten we maar gaan.’

In het huis van de wees rook het sterk naar schapenvlees. Hij woonde boven een shoarmatent. Geur is een van de weinige dingen waar je niet aan kunt wennen. Ik probeerde het schapenvlees te negeren terwijl we op zijn bank lagen. Ik voelde hoe ik tussen de gleuven van het leer verdween. Als kind vond ik de gedachte dat je altijd nog kunt verdwijnen geruststellend.

Mijn vriend had ik een berichtje gestuurd dat ik niet bij hem sliep. De wees zoende dorstig, zijn tong zwalkte door de drank. Alles begint met nieuwsgierigheid. Als je met iemand naar bed geweest bent, kun je daarna alles vragen. Het is de snelste manier om over je schroom heen te komen. Je pelt elkaar laag voor laag af.

Overdag gaat de wees bij mensen langs om verzekeringen af te sluiten. Verzekeringen die je niet echt nodig hebt maar waarvan hij je het gevoel geeft ze wel nodig te hebben.

‘Dus eigenlijk bedonder je mensen,’ zei ik.

‘Doen we dat niet allemaal? Mensen willen zekerheid, voor zekerheid hebben ze alles over. Dat ze gerustgesteld worden, vinden ze belangrijker dan dat het uiteindelijk echt zin heeft. En hoe meer ze hebben betaald hoe geruster ze zijn.’

De week daarop kwam ik hem weer tegen. De wees mompelde en werd al snel minder verstaanbaar dus legde ik mijn tong in zijn mond, als een soort kurk. Hij droeg een overhemd met strepen dat half uit zijn zwarte nette broek was geschoven.

Buiten leunde hij met een hand op de kraag van mijn jas terwijl hij voor zich uit keek alsof hij in een onbekend land stond. We zijn net genoeg aanwezig om de lucht om ons heen te doen veranderen, dacht ik.

Pas toen de beveiliger tegen ons sprak, realiseerde ik mij dat ook anderen ons zagen en voelde ik me betrapt. De wees liet mijn kraag even los en gaf de beveiliger een euro. ‘Keep your enemies close,’ mompelde hij. Daarna greep hij als een kind mijn muts vast terwijl we naar mijn zolderkamer slenterden. Onze voeten knarsten op de eerste sneeuw en ik bedacht dat je dit geluk zou kunnen noemen maar ook gemakkelijk het tegenovergestelde daarvan.

Op mijn kamer aten we een restje spaghetti en probeerden we te schaken zonder bord. We noemden om de beurt een zet tot we de draad kwijtraakten.

‘Ik ben niet wie je denkt dat ik ben,’ zei hij ineens.

‘Dat geeft niet,’ zei ik, ‘zolang je maar blijft.’

Daarna vroeg hij hoe het verder moest met mijn vriend en ik haalde mijn schouders op en liet me voorovervallen. Hij gebruikte zijn vingers om mijn haren omhoog te kammen. Daarna werd alles stil en leek het alsof de kamer kleiner werd.

Dit verhaal is afkomstig uit de bundel Noodlanding, die onlangs bij Podium is verschenen.

Kira Wuck (1978) maakte een overweldigende entree in de Nederlandse letteren: haar dichtbundel Finse meisjes werd diverse malen bekroond en beleefde herdruk op herdruk. Drie jaar later verscheen Noodlanding en in 2017 verscheen haar derde boek, De zee heeft honger.

Net als in haar gedichten weet Kira Wuck in deze verhalen met ogenschijnlijk eenvoudige zinnen een universum aan betekenis op te roepen. Ze laat de lezer kennismaken met de meest kleurrijke personages: een aan coke verslaafde bouwvakker, een boer die liever met zijn kippen praat dan met zijn Filipijnse vrouw, en een echtgenote die zichzelf uithongert omdat ze haar zwaarlijvige man niet kan verdragen. De werkelijke kracht van deze verhalen schuilt onder de oppervlakte: hoewel er op het eerste gezicht veel te lachen valt, weet Wuck haar personages in al hun onhandige menselijkheid pijnlijk realistisch neer te zetten. Een aantal van deze verhalen verscheen eerder in o.a. Hollands Maandblad en Das Magazin.

NRC Handelsblad prijst haar ‘zorgvuldig opgebouwde carveriaanse spanning (…) langs de lijnen van Camus’ absurdisme. ’