Hilary Mantel -

Wintertrip

Leestijd 11 - 15 min

Artwork: Janine Rewell

Tegen de tijd dat ze op hun bestemming aankwamen, herkenden ze hun eigen naam niet meer. De taxichauffeur prikte met het naambordje in de lucht terwijl zij naarstig de rij afspeurden, totdat Phil wees: ‘Daar, dat zijn wij.’ Er waren piekjes boven de t’s in hun achternaam ontstaan en het puntje van de i was een afgedreven eiland. Ze wreef over haar wang, die verdoofd was door de koude luchtstroom uit de airco boven haar zitplaats; voor de rest voelde ze zich verfomfaaid en vies, en terwijl Phil met veel drukte naar de man toe liep, plukte ze de stof van haar T-shirt los van haar rug en ging schoorvoetend achter hem aan. We kleden ons voor het weer dat we willen hebben, als om het onze wil op te leggen, ook al hebben we de weersvoorspelling gezien.

De chauffeur legde zijn behaarde, bezitterige hand op hun bagagewagen. Het was een gedrongen man met de voorgeschreven borstelsnor en een dichtgeritste gekeperde jas met een Schots geruite voering die onder de zoom uit piepte, alsof hij wilde zeggen: vergeet je zonnige illusies. Het vliegtuig was vertraagd en het was al donker. Hij zwaaide een achterportier voor haar open en gooide hun tassen achter in zijn stationcar. ‘Een hele rit,’ zei hij slechts.

‘Ja, maar vooraf betaald,’ zei Phil.

De chauffeur plofte met leerachtig gekraak in zijn stoel. Toen hij zijn portier met een smak dichttrok, beefde het hele voertuig. Van de stoelen voorin waren de hoofdsteunen afgesloopt, en toen hij zich omwierp om achteruit te rijden sloeg hij zijn arm over beide rugleuningen en keek straal langs haar heen met zijn gezicht op luttele centimeters van het hare, terwijl zij in het haperende licht van de parkeerplaats het volle zicht had op zijn neushaar. ‘Ga goed zitten, schat,’ zei Phil tegen haar. ‘Zo, riem om … daar gaan we dan.’

Wat had het vaderschap hem goed gepast. Oeps, o jeetje. Al goed, al goed. Niets aan de hand.

Maar Phil dacht daar anders over. Altijd al gedaan. Hij wilde er ’s winters tussenuit kunnen, buiten de schoolvakanties om, wanneer de hoteltarieven lager waren. Hij schoof haar al jaren kranten toe, speciaal omgevouwen bij artikelen die je weten te vertellen dat kinderen tot hun achttiende een miljoen pond hebben gekost. ‘Als je het allemaal zo voorgerekend ziet,’ zei hij, ‘dan is het schrikbarend. En dan de mensen die denken dat ze het wel redden met afdankertjes! Met halve porties. Zo werkt het gewoon niet.’

‘Maar ons kind zou geen drugsprobleem hebben,’ zei zij dan. ‘Niet op die schaal. En het zou niet pienter genoeg zijn voor Eton. Het zou gewoon naar Hillside Comp kunnen, dat is de straat maar uit. Hoewel, ik heb gehoord dat ze daar met hoofdluis zitten.’

‘Zeg nou zelf, daar moet je toch niet aan denken,’ zei hij, een man die zijn hoogste troef uitspeelt.

Ze reden met een slakkengang door het stadscentrum, tussen overvolle trottoirs door, langs goedkope barretjes met fel flitsende uithangborden, en Phil zei, zoals ze had geweten dat hij zou doen: ‘Ik denk dat we de juiste keus hebben gemaakt.’ Ze hadden een autorit van een uur voor zich, en aan de grillig uitlopende rand van de stad meerderden ze vaart; de weg begon te klimmen. Toen ze zeker wist dat de chauffeur geen behoefte had aan conversatie, leunde ze achterover. Je had twee soorten taxichauffeurs: het kletsgrage type met een nicht in Dagenham, dat tot aan de andere kant van het land en het nationale natuurgebied geen moment zijn mond hield; en het type waar je elke grom uit moest trekken, dat je nog niet vertelde waar zijn nicht woonde al was het onder foltering. Ze maakte een paar toeristenopmerkingen: Hoe was het weer geweest? ‘Regenachtig. Ik rook nu,’ zei de man. Hij duwde rechtstreeks uit het pakje een sigaret tussen zijn lippen en goochelde met een aansteker, waarbij hij op een gegeven ogenblik allebei zijn handen van het stuur had. Hij reed erg hard, nam elke bocht persoonlijk en werd woest bij het minste oponthoud. Ze voelde dat Phils commentaar hem op de tong brandde: Dat doet de versnellingsbak dus geen goed, hè? Eerst kwamen ze nog auto’s tegen, die voorzichtig langs hen heen reden op hun weg naar de stadslichtjes onder aan de helling. Toen werd de verkeersstroom dunner en droogde op. De weg werd smaller; zwarte, stille heuvels vielen achter hen weg. Phil begon haar te vertellen over de flora en fauna van de hoge maquis.

De geur van onder de voet geplette kruiden moest ze zich zien voor te stellen. De autoramen waren hermetisch afgesloten voor de gedempte frisse nacht; ze draaide haar hoofd weg van haar echtgenoot en ademde een waas op de ruit. De fauna bestond voor het merendeel uit geiten. Ze kwamen de hellingen aftuimelen in een stortvloed van keien en sprongen pal door het pad van de auto, op de hielen gevolgd door kinderen. Ze waren gevlekt en veelkleurig, snel en roekeloos. Nu en dan gloeide er vluchtig een oog op in het licht van de koplampen. Ze rukte aan de riem, die in haar keel sneed. Ze sloot haar ogen.

In de rij voor de douane op Heathrow was Phil een echte zeur geweest. Toen de jongeman voor hen zich bukte en moeizaam de veters van zijn bergschoenen begon los te peuteren, merkte Phil met luide stem op: ‘Dan weet hij dat hij zijn schoenen uit moet doen, maar niet dat hij dan gewoon instappers aantrekt, zoals de rest hier.’

‘Phil,’ fluisterde ze, ‘dat komt omdat ze zo zwaar zijn. Hij wil zijn bergschoenen aanhouden zodat ze niet als bagage worden gerekend.’

‘Dat noem ik egoïstisch. Moet je zien wat een rij er nu staat. Dit wist hij van tevoren.’

De bergwandelaar wierp hem een zijdelingse blik toe. ‘Sorry, hoor.’

‘Op een dag krijg je nog eens een klap voor je kop,’ zei ze.

‘Dat wil ik weleens zien gebeuren,’ zei Phil, op de zangerige toon van een kind op een speelplein.

Een keer, toen ze een jaar of twee getrouwd waren, had hij haar bekend dat kleine kinderen hem vreselijk op de zenuwen werkten: de onaangepaste herrie, het rondslingerende plastic speelgoed, de ongearticuleerde eisen dat je iets verstrekte, iets oploste, zonder dat je wist wat.

‘Nee hoor,’ zei ze. ‘Ze wijzen. Ze roepen: “Sap!”’

Hij knikte ongelukkig. ‘En dat levenslang,’ zei hij. ‘Om knettergek van te worden. Het zou voelen als levenslang.’

Maar goed, dat begon nu allemaal abstract te worden. Ze had de fase van haar vruchtbare leven bereikt dat DNA-strengen verknoopt raakten en chromosomen losgingen en zich elders hechtten. ‘Trisomie,’ zei hij. ‘Syndroom van zus, syndroom van zo. Stofwisselingsproblemen. Dat zou ik je nooit aandoen.’

Ze zuchtte. Wreef over haar blote armen. Phil leunde naar voren. Schraapte zijn keel, richtte het woord tot de chauffeur: ‘Mijn vrouw heeft het koud.’

‘Trek het vest aan,’ zei de chauffeur. Hij stak weer een sigaret in zijn mond. De weg steeg in een serie scherpe bochten, en bij elke daarvan gooide hij het stuur zo bruusk om dat het achtereind van de auto slippend en wel bijna van de weg raakte.

‘Hoe lang nog?’ vroeg ze. ‘Ongeveer?’

‘Halfuur.’ Als hij de mededeling had kunnen afsluiten met een fluim, zou hij het hebben gedaan, dat wist ze zeker.

‘Op tijd voor het diner,’ zei Phil opbeurend. Hij wreef over haar armen als om haar te bemoedigen. Ze lachte beverig. ‘Je laat ze klotsen,’ zei ze.

‘Onzin. Er zit geen grammetje vet aan jou.’

Een bewolkte halvemaan, een langgerekte lus weggevallen land rechts, een borstelige boomgrens links; en, terwijl hij haar elleboog omvat hield en streelde, weer een schuiver en een regen van stenen die uit het niets op de weg voor hen roffelde. ‘Ik heb maar een minuutje nodig om uit te pakken,’ zei Phil net. Hij was haar zijn methode aan het uitleggen om alleen met handbagage te reizen. Maar de chauffeur gromde, gaf een ruk aan het stuur, trapte hard op de rem en bracht hen abrupt tot stilstand. Ze schoot naar voren, haar pols kwam hard tegen de stoel voor haar. De riem rukte haar terug naar achteren. Ze hadden de klap gevoeld maar niets gezien. De chauffeur gooide zijn portier open en dook de nacht in. ‘Vast een kleintje,’ fluisterde Phil.

Onder de auto gekomen? De chauffeur trok iets tussen de voorwielen vandaan. Hij stond dubbel gebogen; ze konden zijn achterste in de lucht zien steken, met ter hoogte van zijn middel de strook Schotse ruit. Heel stil bleven ze in de auto zitten, als om geen aandacht op het incident te vestigen. Ze wisselden geen blik, maar keken toe terwijl de chauffeur overeind kwam, over zijn onderrug wreef, toen om de auto heen liep, de klep opendeed en iets donkers uit de achterbak haalde, een kleed of een stuk zeildoek. De kilte van de nacht stak hen tussen de schouderbladen en ze kropen een fractie dichter bij elkaar. Phil pakte haar hand. Ze trok hem terug, niet nukkig, maar omdat ze het gevoel had dat ze haar aandacht erbij moest houden. De chauffeur verscheen en profil voor hen, beschenen door hun eigen koplampen. Hij draaide zijn hoofd, keek links en rechts de verlaten weg af. Hij had iets in zijn hand, een kei. Hij bukte diep. Bonk, bonk, bonk. Ze verstrakte. Ze wilde iets roepen. Bonk, bonk, bonk. De man kwam weer overeind. Hij had een bundel in zijn armen. Het avondeten voor morgen, dacht ze. Lam, in melk gekookt met tomaat en aardappel. Ze wist niet waarom ze daaraan moest denken. Ze herinnerde zich een uithangbord in de stad: autorijschool Sophocles. Noem geen mens gelukkig … De chauffeur stopte de bundel achter in de auto bij hun bagage. De klep sloeg dicht.

Een simpel geval van recycling, dacht ze. Prijzenswaardig, zou Phil zeggen. Als hij iets zei. Maar het leek erop dat hij had besloten dat niet te doen. Ze begreep dat ze het niet, geen van tweeën, over deze slechte start van hun wintertripje zouden hebben. Ze hield haar pols beschermend vast. Zachtjes nou. Een reflexbeweging. Een steek van pijn. De pijn wegmasseren. Ik zal het blijven horen, dacht ze, sowieso de rest van de week: bonk, bonk, bonk. Misschien kunnen we er een grapje van maken. Zoals we verstarden. Zoals we hem lieten begaan, maar wat hadden we anders … het is niet alsof de veeartsen ’s nachts in de bergen voor het oprapen liggen. Er kwam iets opzetten in haar keel wat ze wilde verwoorden; het kietelde haar verhemelte, zakte weer weg.

***

‘Welkom in hotel Royal Athena Sun,’ zei de portier. Overvloedig licht stroomde uit een marmeren interieur, en vlakbij werden een paar koude kapotte zuilen beschenen door spotlights waarvan het schijnsel van blauw overging in groen en weer terug. Dat zullen de beloofde authentieke archeologische elementen zijn, dacht ze. Een andere keer zou ze hebben gegrinnikt om de uitzinnige banaliteit ervan. Maar de klamme lucht, het voorval… Met een strak gezicht schoof ze de auto uit en rechtte haar rug, haar hand op het dak van de taxi. De chauffeur drong zich zonder iets te zeggen langs haar heen. Hij deed de achterklep open. De volijverige portier stond al achter hem en stak beide handen uit naar hun tassen. Met een snelle manoeuvre blokkeerde de chauffeur hem, en tot haar eigen verbazing dook ze zelf naar voren met een: ‘Nee!’, net als Phil: ‘Nee!’

‘Het zijn maar twee tassen, bedoel ik,’ zei Phil. Als om te demonstreren hoe weinig noemenswaard de last was, greep hij er een beet en gaf er een vrolijke zwieper aan. ‘Ik ben voorstander van…’ zei hij. Maar de kreet ‘licht reizen’ ontschoot hem. ‘Minder spullen,’ zei hij.

‘Oké, meneer.’ De portier haalde zijn schouders op. Deed een stap terug. In zichzelf deed ze verslag alsof ze het er, veel later, met een vriendin over had: We waren medeplichtig gemaakt, snap je. Niet dat de taxichauffeur iets verkeerds had gedaan, natuurlijk. Hij was alleen maar efficiënt geweest.

En haar denkbeeldige vriendin viel haar bij: Maar toch zou je het zo voelen, zou je het gevoel hebben dat je iets te verbergen had.

‘Zo, ik ben wel toe aan een drankje,’ zei Phil. Hij verlangde naar de scène achter het glas: brandy sours, tinkelende ijsblokjes in de vorm van visjes, geklik van hoge hakken op terracottategels, siersmeedijzer, hotellinnen, zacht kussen. Noem geen mens gelukkig. Noem geen mens gelukkig tot hij vredig in zijn graf ligt. Of althans in zijn juniorsuite, en hij de dag van vandaag kan uitwissen en die van morgen hongerig kan beginnen. De taxichauffeur leunde over de kofferbak om de tweede tas te pakken. Daarbij schoof het zeildoek opzij, en wat ze in een oogwenk zag – en in diezelfde oogwenk weigerde te zien – was geen gespleten hoef, maar de groezelige hand van een kind.

Dit verhaal is afkomstig uit de bundel De moord op Margaret Thatcher (The Assassination of Margaret Thatcher, 2014), in het Nederlands vertaald door Ine Willems en verschenen bij Meridiaan Uitgevers. Zij verleenden toestemming voor publicatie.

Hilary Mantel
Foto door Neil Turner

Hilary Mantel (Glossop, 1952) is een Engelse schrijfster van korte verhalen, memoires, essays en (historische) romans. Zij heeft twee keer de Man Booker Prize gewonnen, en trad daarmee in de voetsporen van J.M. Coetzee, Peter Carey en J.G. Farrell. De eerste keer in 2009 voor de roman Wolf Hall over de opkomst van Thomas Cromwell als machtigste persoon aan het hof van Hendrik VIII van Engeland, en vervolgens in 2012 voor Bring Up the Bodies, het tweede deel van de Cromwell-trilogie.

Samen met haar man woonde ze vijf jaar in Botswana en vier jaar in Jeddah, Saoedi-Arabië. Over deze periode schreef ze memoires voor de London Review of Books. In Botswana werd bij haar de ziekte endometriosis geconstateerd, waarvoor ze wordt behandeld met steroïden. Na haar terugkeer in Engeland was ze filmcriticus bij The Spectator (van 1987 tot 1991), en recensent voor verschillende kranten en tijdschriften in Groot-Brittannië en de Verenigde Staten. The New Yorker omschrijft haar werk als een mix van dood, berechting, hemel, hel en humor.

In het korte verhaal ‘De moord op Margaret Thatcher: 6 August 1983’ schetst ze een moordaanslag op Margaret Thatcher. In een interview met The Guardian uit september 2014 ging ze nader in op haar afkeer van de voormalige Britse premier. Thatcher-gezinden riepen op om Mantels uitspraken door de politie te laten onderzoeken.