Zoveel water zo dicht bij huis -

Zoveel water zo dicht bij huis

Leestijd

Mijn man zit met smaak te eten, maar zo te zien is hij moe, gespannen. Hij kauwt langzaam, met zijn armen op tafel, en staart naar iets aan de andere kant van de kamer. Hij kijkt mij aan en kijkt weer weg, veegt zijn mond af aan het servet. Hij haalt zijn schouders op, eet verder. Er is iets tussen ons gekomen, al zou hij graag geloven van niet.

‘Wat kijk je naar me?’ vraagt hij. ‘Is er iets?’ zegt hij, en hij legt zijn vork neer.

‘Keek ik?’ zeg ik, en ik schud schaapachtig mijn hoofd. De telefoon gaat. ‘Niet opnemen,’ zegt hij.

‘Misschien is het je moeder wel,’ zeg ik. ‘Dean – misschien belt er iemand over Dean.’

‘Zelf weten,’ zegt hij.

Ik neem de hoorn van de haak en blijf even staan luisteren. Hij houdt op met eten. Ik bijt op mijn lip en hang op.

‘Wat zei ik?’ zegt hij. Hij begint weer te eten, gooit dan het servet op zijn bord. ‘Godverdomme, waar bemoeit iedereen zich mee? Zeg me wat ik verkeerd gedaan heb, en ik luister! Het is niet eerlijk. Was ze dood of niet? Ik was niet alleen, er waren er meer. We hebben erover gepraat en we waren het eens. We waren er nog maar net. We hadden uren gelopen. We konden niet zomaar terug, de auto stond tien kilometer verderop. Het was de eerste dag van het seizoen. Ik zou bij god niet weten wat er verkeerd aan was. Nee, eerlijk niet. En kijk me niet zo aan, hoor je? Ik laat jou geen rechter over me spelen. Wat denk jij wel?’

‘Nou ja, je weet wel,’ zeg ik, en ik schud mijn hoofd. ‘Wat weet ik, Claire? Zeg dan. Zeg dan wat ik weet. Ik weet niets, behalve één ding: je moet hier niet zo’n drukte over maken.’ Hij werpt me een veelbetekenend bedoelde blik toe. ‘Ze was dood, dood, dood, duidelijk?’ zegt hij even later. ‘Het is schandalig, ben ik helemaal met je eens. Het was een jonge vrouw en het is een schande, en ik vind het erg, net zo erg als ieder ander, maar ze was wel dood, Claire, dood. Dus laten we erover ophouden. Alsjeblieft, Claire. Laten we er nu over ophouden.’

‘Dat is het ’m juist,’ zeg ik. ‘Ze was dood. Maar snap je het dan niet? Ze had hulp nodig.’

‘Ik geef het op,’ zegt hij, en hij heft zijn handen. Hij schuift zijn stoel naar achteren, pakt zijn sigaretten en stapt met een blikje bier het terras op. Hij loopt een tijdje heen en weer en gaat dan in een tuinstoel zitten en raapt de krant weer op. Zijn naam staat op de voorpagina, met die van zijn vrienden, de mannen met wie hij de ‘afschuwelijke ontdekking’ heeft gedaan.

Ik vind hem zielig – zielig zoals hij zit te luisteren, onbewogen, dan achteroverleunt en een trekje van zijn sigaret neemt

Ik doe mijn ogen een moment dicht en hou me aan het aanrecht vast. Ik moet hier niet langer bij stilstaan. Ik moet het van me afzetten, het bannen uit het oog, uit het hart enzovoorts en ‘doorgaan’. Ik doe mijn ogen open. Ondanks alles, wetend wat ervan kan komen, maai ik met mijn arm over het aanrecht en smijt de borden en glazen aan diggelen op de grond.

Hij beweegt niet. Ik weet dat hij het gehoord heeft, hij richt zijn hoofd op alsof hij luistert, maar verder beweegt hij niet, draait zich niet om, kijkt niet. Daar haat ik hem om, om die onbeweeglijkheid. Hij wacht even, neemt dan een trekje van zijn sigaret en gaat achteroverzitten in de stoel. Ik vind hem zielig – zielig zoals hij zit te luisteren, onbewogen, dan achteroverleunt en een trekje van zijn sigaret neemt. De wind voert de rook uit zijn mond mee in een dunne streep. Waarom valt me dat op? Hij kan onmogelijk weten hoe zielig ik hem vind, zoals hij daar stil zit te luisteren en de rook uit zijn mond laat waaien…

De afspraak om in de bergen te gaan vissen had hij vorige week zondag gemaakt, een week voor het weekend van Memorial Day. Met Gordon Johnson, Mel Dorn, Vern Williams. Ze pokeren, bowlen en vissen samen. Vissen doen ze in het voorjaar en de vroege zomer, de eerste paar maanden van het seizoen, voordat de schoolvakanties, het aspirantenhonkbal en familiebezoek hun wereld binnendringen. Het zijn beste mannen, huisvaders, plichtsgetrouwe werkers. Ze hebben zoons en dochters die op school zitten met onze zoon, Dean. Vrijdagmiddag vertrokken deze vier mannen voor een lang visweekend aan de rivier de Naches. Ze zetten de auto in de bergen en legden te voet een aantal kilometers af naar waar ze wilden gaan vissen. Ze hadden hun slaapzakken bij zich, eten en kookgerei, hun speelkaarten, hun whisky. Die eerste avond aan de rivier zag Mel Dorn al voor ze hun tenten hadden kunnen opzetten het meisje met haar gezicht omlaag in de rivier drijven, naakt, niet ver uit de oever vastgeraakt in een paar takken. Hij riep de andere mannen erbij en ze kwamen allemaal naar haar kijken. Ze overlegden wat ze moesten doen. Een van de mannen – Stuart zei er niet bij wie – misschien was het Vern Williams, een zware, gemoedelijke, goedlachse man – een van hen vond dat ze meteen terug moesten naar de auto. De anderen wroetten met hun schoen in het zand en zeiden er meer voor te voelen om te blijven. Ze beriepen zich op vermoeidheid, het late uur, het feit dat het meisje ‘niet wegliep’. Ze namen uiteindelijk het gezamenlijke besluit om te blijven. Dus zetten ze hun tenten op en maakten een vuur en dronken hun whisky. Ze dronken veel whisky, en toen de maan opkwam, praatten ze over het meisje. Iemand vond dat ze iets moesten doen om te zorgen dat het lijk niet wegdreef. Ze hadden het idee dat ze er misschien last mee zouden krijgen als het ’s nachts wegdreef. Ze pakten zaklampen en klosten omlaag naar de rivier. Het waaide, er stond een koude wind, en de golven van de rivier kabbelden tegen het zand van de oever. Een van de mannen, wie weet ik niet, Stuart misschien, die zou het gedaan kunnen hebben, waadde het water in en pakte het meisje bij de vingers en trok haar, nog altijd met haar gezicht omlaag, dichter naar de kant, in ondiep water, en pakte toen een stuk nylondraad en bond het om haar pols en bevestigde het aan een boomwortel, terwijl intussen de zaklampen van de andere mannen over het lichaam van het meisje speelden. Daarna liepen ze terug naar hun kamp en dronken nog meer whisky. Toen gingen ze slapen. De volgende ochtend, zaterdag, maakten ze een ontbijt, dronken veel koffie, weer whisky, en gingen toen uit elkaar om te vissen, twee stroomopwaarts, twee stroomafwaarts.

Nadat ze die avond hun vis hadden gebakken, hun aardappelen hadden gekookt en weer koffie en whisky hadden gedronken, liepen ze met hun vaat naar de rivier en deden op een paar meter van waar het meisje in het water lag de afwas. Ze begonnen opnieuw met drinken en haalden toen hun kaarten tevoorschijn en kaartten en dronken tot ze hun kaarten niet meer konden zien. Vern Williams ging slapen, maar de anderen vertelden elkaar schunnige verhalen en praatten over bedenkelijke of bedrieglijke streken van vroeger, en over het meisje werd niet meer gesproken, totdat Gordon Johnson in een moment van onnadenkendheid iets zei over de stevigheid van de forel die ze gevangen hadden, en de vreselijke kou van het rivierwater. Daarna waren ze opgehouden met praten maar wel blijven drinken, tot een van hen struikelde en vloekend omviel met lamp en al, waarna ze in hun slaapzak kropen.

Hij gaf de man aan de andere kant van de lijn al hun namen – ze hadden niets te verbergen, ze hoefden zich nergens voor te schamen

De volgende ochtend stonden ze laat op, gingen weer aan de whisky, visten nog wat, intussen doordrinkend, en besloten toen, om één uur, zondagmiddag, een dag eerder dan de bedoeling was, te vertrekken. Ze braken hun tenten af, rolden hun slaapzakken op, pakten hun potten en pannen, vis en vistuig bij elkaar en sjouwden terug. Ze keken voor ze vertrokken niet meer bij het meisje. Aangekomen bij de auto gingen ze zwijgend op weg, tot ze een telefoon zagen. Stuart belde de politie, terwijl de anderen in de hete zon om hem heen stonden en meeluisterden. Hij gaf de man aan de andere kant van de lijn al hun namen – ze hadden niets te verbergen, ze hoefden zich nergens voor te schamen – en sprak af dat ze bij het benzinestation zouden blijven wachten tot er iemand kwam wie ze nauwkeuriger de weg konden wijzen en die hun individuele verklaring kon opnemen. Hij was die avond om elf uur thuis. Ik sliep al maar werd wakker toen ik hem hoorde in de keuken. Daar stond hij met een blikje bier aan zijn mond tegen de koelkast geleund toen ik binnenkwam. Hij sloeg zijn zware armen om me heen en wreef met zijn handen op en neer over mijn rug, dezelfde handen als waarmee hij twee dagen eerder vertrokken was, dacht ik.

In bed strekte hij zijn handen weer naar me uit en wachtte toen, alsof hij ergens anders aan dacht. Ik ging een ietsje verliggen en verschoof toen mijn benen. Ik weet dat hij naderhand lang wakker gebleven is, want hij was nog wakker toen ik in slaap viel; en later, toen ik even mijn lig niet kon vinden, mijn ogen opende bij een zwak geluid, een knispering van de lakens, was het al bijna licht buiten, zongen de vogels en lag hij op zijn rug te roken en naar het gordijn voor het raam te kijken. Half slapend zei ik zijn naam, maar hij reageerde niet. Ik sliep weer in.

Hij was ’s ochtends al uit bed voor ik op was, om te kijken of er iets over in de krant stond, denk ik. Even na achten begon de telefoon te rinkelen.

‘Steek de moord!’ hoorde ik hem in de hoorn schreeuwen. Even later ging de telefoon weer, en ik holde de keuken in. ‘Ik heb niets toe te voegen aan wat ik al tegen de politie gezegd heb. En daarmee uit!’ Hij gooide de hoorn op de haak.

‘Wat is er aan de hand?’ zei ik geschrokken.

‘Ga zitten,’ zei hij langzaam. Zijn vingers raspten, raspten over zijn stoppelbaard. ‘Ik moet je iets vertellen. Er is iets gebeurd tijdens het vissen.’ We gingen tegenover elkaar aan tafel zitten, en toen vertelde hij het me.

Ik dronk koffie en keek hem strak aan terwijl hij praatte. Ik las het verslag in de krant die hij over tafel naar me toe schoof… nog niet nader geïdentificeerd meisje tussen achttien en vierentwintig… lijk drie tot vijf dagen in het water… verkrachting als mogelijk motief genoemd… voorlopig onderzoek wijst in de richting van dood door wurging… schrammen en bloeduitstortingen op haar borsten en in de bekkenstreek… sectie… verkrachting, nader onderzoek zal moeten uitwijzen.

‘Je begrijpt het toch wel?’ zei hij. ‘Kijk me niet zo aan. Pas op, Claire, dat meen ik. Rustig nou maar.’

‘Waarom heb je dit gisteravond niet gezegd?’ vroeg ik. ‘Heb ik… gewoon niet gedaan. Hoezo?’ zei hij.

‘Hoezo?’ zei ik. Ik keek naar zijn handen, de brede vingers, behaarde knokkels, die bewogen, nu een sigaret opstaken, vingers die over me heen waren gegaan, vannacht in me waren geweest.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Wat maakt het uit, gisteravond, vanochtend. Je sliep al, ik dacht ik wacht tot vanochtend om het je te zeggen.’ Hij keek naar buiten naar het terras; er vloog een roodborstje van het grasveld naar de picknicktafel, waar het zijn veren gladstreek.

‘Het is niet waar,’ zei ik. ‘Je hebt haar daar toch niet zomaar laten liggen?’

Hij draaide zijn hoofd onmiddellijk terug en zei: ‘Wat heb ik gedaan? Nou moet je goed naar me luisteren, eens en voor al. Er is niets gebeurd. Er is niets waar ik spijt van heb of me schuldig over voel. Heb je dat goed gehoord?’

Ik stond op van de tafel en liep naar de kamer van Dean. Hij was wakker en in zijn pyjama bezig met een legpuzzel. Ik hielp hem zijn kleren bij elkaar zoeken en liep toen terug naar de keuken en zette zijn ontbijt op tafel. De telefoon ging nog een paar keer, en elke keer was Stuart kortaf als hij praatte en boos als hij ophing. Hij belde Mel Dorn en Gordon Johnson en praatte langzaam en ernstig met ze, en toen trok hij een blikje bier open en stak een sigaret op terwijl Dean zat te eten, vroeg hem hoe het was op school, met zijn vriendjes, enzovoorts, alsof er niets gebeurd was.

Dean wilde weten wat hij gedaan had die dagen dat hij weg was geweest, en Stuart haalde vis uit de vrieskist om aan hem te laten zien.

‘Ik breng hem bij je moeder vandaag,’ zei ik.

‘Best,’ zei Stuart, en hij keek naar Dean, die een bevroren forel in zijn handen had. ‘Als jij dat wilt en hij het wil tenminste. Het hoeft niet namelijk. Er is niets aan de hand.’

‘Toch lijkt het me beter,’ zei ik.

‘Mag ik dan gaan zwemmen?’ vroeg Dean, en hij veegde zijn vingers af aan zijn broek.

‘Ik denk het wel,’ zei ik. ‘Het wordt een warme dag, dus neem je zwembroek mee, dan mag het vast van oma.’

Stuart stak nog een sigaret op en keek ons aan.

Dean en ik reden door de stad naar de moeder van Stuart. Die woont in een flat met een zwembad en een sauna. Ze heet Catherine Kane. Haar achternaam, Kane, is ook de mijne – raar maar waar. Vroeger, heeft Stuart verteld, was ze Candy voor intimi. Het is een lange, kille vrouw met lichtblond haar. Ze geeft me altijd het gevoel dat ik me moet rechtvaardigen. Met zachte stem leg ik in het kort uit wat er gebeurd is (ze heeft de krant nog niet gelezen) en beloof dat ik Dean ’s avonds weer kom ophalen. ‘Hij heeft zijn zwembroek bij zich,’ zeg ik. ‘Stuart en ik moeten een paar dingen uitpraten,’ zeg ik er vagelijk bij. Ze kijkt me over haar brillenglazen strak aan. Dan knikt ze en draait zich naar Dean met de woorden: ‘En hoe is het met mijn kleine man?’ Ze bukt en slaat haar armen om hem heen. Ze kijkt pas weer op naar mij als ik de deur opendoe om te vertrekken. Ze kan me zo aankijken zonder wat te zeggen.

Toen ik thuiskwam zat Stuart aan tafel iets te eten en bier te drinken…

Na een tijdje veeg ik het kapotte serviesgoed en glaswerk bij elkaar en ga naar buiten. Stuart ligt nu op zijn rug in het gras naar de lucht te staren, met de krant en het blikje bier binnen handbereik. Het is winderig maar warm en er roepen vogels.

‘Stuart, zullen we een eindje gaan rijden?’ zeg ik. ‘Gewoon, een ritje?’

Hij rolt op zijn buik en kijkt me aan en knikt. ‘Halen we meteen bier,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat je van de schrik bekomen bent. Probeer het te begrijpen, meer vraag ik niet.’ Hij komt overeind en legt in het voorbijgaan zijn hand op mijn heup. ‘Eén moment, ik ben zo klaar.’

We rijden zwijgend door de stad. Voor we de stad uit zijn, haalt hij bij een supermarkt langs de weg bier. Mijn oog valt op een grote stapel kranten net voorbij de ingang. Op de bovenste trede houdt een dikke vrouw in een jurk van bedrukt katoen een klein meisje een dropstaaf voor. Een paar minuten later rijden we Everson Creek over en draaien een picknickplaats op, een paar meter van het water. Het riviertje stroomt onder de brug door naar een grote plas een paar honderd meter verderop. Verspreid op de oever van de plas zitten een stuk of tien mannen en jongens onder de wilgen te vissen.

Zoveel water zo dicht bij huis, waarom moest hij zo ver weg om te vissen?

‘Waarom moesten jullie uitgerekend daarheen?’ zeg ik. ‘Naar de Naches? Daar gaan we altijd heen. Elk jaar minstens één keer.’ We gaan op een bank in de zon zitten en hij trekt twee blikjes bier open, waarvan hij er een aan mij geeft. ‘Ik kon toch godsonmogelijk weten dat er zoiets zou gebeuren?’ Hij schudt zijn hoofd en haalt zijn schouders op, alsof het jaren geleden gebeurd is, of een ander is overkomen. ‘Is het geen mooie middag, Claire? Geniet van het weer.’

‘Ze zeiden dat ze onschuldig waren.’ ‘Wie? Waar heb je het over?’

‘De gebroeders Maddox. In mijn jeugd hebben die bij ons in de buurt een meisje vermoord dat Arlene Hubly heette en haar hoofd afgehakt en haar in het water van de Cle Elum gegooid. Ik zat samen met haar op school. Ik was toen nog heel jong.’

Ik kijk naar de rivier. Ik drijf met mijn ogen open, gezicht omlaag in de richting van de plas en staar naar de stenen en het mos op de rivierbodem tot ik word meegevoerd het meer op

‘Dat je daar nou ineens aan terugdenkt,’ zegt hij. ‘Toe, hou eens op. Nog even en je hebt me kwaad. Dus wat wordt het? Claire?’

Ik kijk naar de rivier. Ik drijf met mijn ogen open, gezicht omlaag in de richting van de plas en staar naar de stenen en het mos op de rivierbodem tot ik word meegevoerd het meer op, waar de wind me voortstuwt. Het zal geen enkel verschil maken. We zullen gewoon doorgaan, steeds maar doorgaan. Zelfs nu zullen we doorgaan alsof er niets gebeurd is. Ik kijk hem over de picknicktafel aan met zoveel felheid dat hij wit wegtrekt.

‘Ik weet niet wat jij mankeert,’ zegt hij. ‘Ik weet…’

Voor ik er erg in heb, geef ik hem een klap. Ik hef mijn hand, wacht een fractie van een seconde, en geef hem dan een harde klap tegen zijn wang. Dit is krankzinnig, denk ik terwijl ik hem een klap geef. We moeten onze vingers verstrengelen. We moeten elkaar helpen. Dit is krankzinnig.

Hij grijpt mijn pols voor ik weer kan uithalen en heft zijn eigen hand. Ik duik ineen, wacht af en zie iets in zijn ogen verschijnen en weer wegschieten. Hij laat zijn hand zakken. Ik draai nog sneller rond in de plas.

‘Kom op, stap in,’ zegt hij. ‘Je gaat mee naar huis.’

‘Nee, nee,’ zeg ik, en ik probeer me van hem los te trekken.

‘Kom op,’ zegt hij. ‘Godverdomme.’

‘Je bent onredelijk tegen me,’ zegt hij later in de auto. Buiten vliegen velden en bomen en boerderijen voorbij. ‘Je bent onredelijk. Tegenover ons allebei. En tegenover Dean niet te vergeten. Denk eens aan Dean. Denk aan mij. Denk voor de verandering ook eens aan een ander.’

Wat moet ik daarop terugzeggen? Hij probeert zich op de weg te concentreren, maar hij kijkt steeds in de   achteruitkijkspiegel. Uit zijn ooghoek kijkt hij opzij naar waar ik zit, met mijn knieën onder me opgetrokken. De zon brandt op mijn arm en mijn wang. Hij trekt al rijdend nog een blikje bier open, drinkt eruit, schuift het blik dan tussen zijn benen en ademt uit. Hij weet het. Ik zou hem in zijn gezicht kunnen uitlachen. Ik zou kunnen huilen.

2.

Stuart denkt dat hij me vanmorgen laat uitslapen. Maar ik was ver voor de wekker afliep al wakker en heb nagedacht, aan de rand van het bed, bij zijn behaarde benen en zijn dikke, slapende vingers vandaan. Hij helpt Dean de deur uit naar school en dan scheert hij zich, kleedt zich aan en gaat even later zelf naar zijn werk. Hij komt twee keer in de slaapkamer kijken en schraapt zijn keel, maar ik hou mijn ogen dicht.

In de keuken vind ik een briefje van hem met ‘liefs’ eronder. Ik ga in de ontbijthoek in de zon zitten en drink koffie en maak een koffiekring op het briefje. De telefoon gaat niet meer, dat is tenminste iets. Er is sinds gisteravond niet meer gebeld. Ik kijk naar de krant en schuif er wat mee over tafel. Dan trek ik hem naar me toe en lees wat er staat. Het lijk is nog niet geïdentificeerd, er hebben zich geen nabestaanden gemeld. Maar de afgelopen vierentwintig uur is het onderzocht door mannen die er dingen in hebben gestopt, die hebben gesneden, gewogen, gemeten, teruggestopt, dichtgenaaid, op zoek naar de precieze doodsoorzaak en het tijdstip van overlijden. En naar iets wat op verkrachting duidt. Ik weet zeker dat ze op verkrachting hopen. Met verkrachting is het beter te begrijpen. Volgens de krant wordt het meisje voorlopig overgebracht naar het uitvaartcentrum Keith & Keith. Eenieder die inlichtingen kan verschaffen wordt verzocht, enzovoorts.

Twee dingen staan vast: 1) het kan mensen niet meer schelen wat andere mensen overkomt en 2) niets maakt nog echt verschil. Kijk naar wat er is gebeurd. Toch verandert er voor Stuart en mij niets. Niet echt, bedoel ik. We zullen ouder worden, wij allebei, dat zie je nu al aan ons gezicht, in de badkamerspiegel bijvoorbeeld, als we ’s ochtends samen in de badkamer zijn. En bepaalde dingen om ons heen zullen veranderen, makkelijker of moeilijker worden, al naargelang, maar niets zal ooit echt anders worden. Daar ben ik van overtuigd. We hebben onze besluiten genomen, ons leven is op gang gekomen en zal doorgaan tot het afgelopen is. Maar als dat zo is, wat dan? Ik bedoel: stel dat je daarvan overtuigd bent maar het voor je houdt, tot er een keer iets gebeurt waardoor er iets zou horen te veranderen, terwijl je merkt dat er toch weer niets verandert. Wat dan? De mensen in je omgeving blijven intussen praten en doen alsof je dezelfde was als gisteren, of vannacht, of vijf minuten geleden, maar in werkelijkheid maak je een crisis door, is je hart een ravage…

Het verleden is onduidelijk. Het is alsof er een waas ligt over vroeger. Ik weet nooit zeker of wat ik me herinner dat er gebeurd is wel echt met mij is gebeurd. Er was een meisje dat een vader en een moeder had – de vader had een restaurantje waarin de moeder meewerkte als serveerster en kassière – en dat meisje doorliep als in een droom de lagere en de middelbare school en volgde een jaar of twee daarna een secretaresseopleiding. Later, veel later – wat is er met de tussentijd gebeurd? – werkt ze in een andere stad als receptioniste bij een bedrijf in elektronische onderdelen en krijgt ze kennis aan een van de ingenieurs, die haar mee uit vraagt. Omdat hij daarop uit is, laat ze zich ten slotte door hem verleiden. Ze had er destijds een intuïtief idee over, een inzicht in wat er bij die verleiding gebeurde, dat ze zich later met de beste wil van de wereld niet kon herinneren. Al vrij snel besluiten ze te trouwen, maar het verleden, haar verleden, is dan al bezig haar te ontglippen. De toekomst is iets waarvan ze zich geen voorstelling kan maken. Ze glimlacht alsof ze een geheim heeft wanneer ze aan de toekomst denkt. Tijdens een ongewoon hevige ruzie, waarover weet ze nu niet meer, een jaar of vijf na hun trouwen, zegt hij haar dat deze affaire (zijn woorden: ‘deze affaire’) nog eens gewelddadig zal aflopen. Dat onthoudt ze. Ze bergt het ergens op en zegt de woorden van tijd tot tijd hardop voor zich uit. Soms zit ze de hele ochtend op haar knieën in de zandbak achter de garage en speelt met Dean en een of twee van zijn vriendjes. Maar om vier uur ’s middags krijgt ze altijd pijn in haar hoofd. Ze houdt haar voorhoofd tussen haar handen en is duizelig van de pijn. Stuart vraagt haar naar een dokter te gaan, wat ze doet, en de zorgzame aandacht van de dokter vindt ze stilletjes wel prettig. Ze gaat een tijdje naar een oord dat de dokter haar aanbeveelt. Stuarts moeder komt in allerijl over uit Ohio om voor het kind te zorgen. Maar zij, Claire, bederft alles en komt na een paar weken al weer naar huis. Zijn moeder verhuist naar een flat aan de andere kant van de stad en blijft daar, alsof ze op de loer ligt. Als ze op een avond in bed allebei haast zijn ingeslapen, zegt Claire dat ze een paar patiëntes in DeWitt over fellatio heeft horen praten. Ze denkt dat het iets is wat hij wel wil horen. Ze glimlacht in het donker. Stuart hoort haar met genoegen aan. Hij streelt haar arm. Het komt allemaal goed, zegt hij. Voortaan wordt alles anders en beter. Hij heeft promotie gemaakt en een forse loonsverhoging gekregen. Ze hebben zelfs een tweede auto gekocht, een stationcar, haar auto. Ze gaan in het hier en nu leven. Hij zegt het gevoel te hebben zich voor het eerst in jaren te kunnen ontspannen. In het donker gaat hij door met het strelen van haar arm… Hij blijft op gezette tijden bowlen en kaarten. Hij gaat vissen met drie vrienden van hem.

Er gebeuren die avond drie dingen. Volgens Dean hebben de kinderen op school tegen hem gezegd dat zijn vader in de rivier een lijk gevonden heeft. Hij wil er meer van weten. Stuart legt het in het kort uit, laat het meeste weg en zegt alleen dat, ja, hij en nog drie mannen een lijk gevonden hebben toen ze waren gaan vissen.

‘Wat voor lijk?’ vraagt Dean. ‘Was het een meisje?’

‘Ja, het was een meisje. Een vrouw. Toen hebben we de politie gebeld.’ Stuart kijkt mij aan.

‘Wat zeiden die?’ vraagt Dean.

‘Ze zeiden dat we het aan hen konden overlaten.’ ‘Hoe zag het eruit? Was het eng?’

‘Zo kan het wel weer,’ zeg ik. ‘Spoel je bord af, Dean, en dan mag je van tafel.’

‘Maar hoe zag het er nou uit?’ houdt hij vol. ‘Ik wil het weten.’

‘Heb je me gehoord?’ zeg ik. ‘Heb je me gehoord, Dean? Dean!’ Ik wil hem door elkaar rammelen. Ik wil hem door elkaar rammelen tot hij ervan huilt.

‘Doe wat je moeder zegt,’ houdt Stuart hem zachtjes voor. ‘Het was gewoon een lijk, en meer valt er niet over te vertellen.’

Ik ben de tafel aan het afruimen als Stuart ineens achter me staat en mijn arm aanraakt. Zijn vingers branden. Ik laat van schrik haast een bord vallen.

‘Wat is er toch met je?’ zegt hij, en hij laat zijn hand zak- ken. ‘Zeg eens, Claire, wat is er?’

‘Ik schrok van je,’ zeg ik.

‘Dat is precies wat ik bedoel. Ik zou je moeten kunnen aanraken zonder dat je hart in je keel schiet.’ Hij gaat met een lachje voor me staan en probeert me aan te kijken, legt dan zijn arm om mijn middel. Met zijn andere hand pakt hij mijn vrije hand en legt die voor tegen zijn broek.

‘Toe, Stuart.’ Ik trek me los en hij doet een stap naar achter en knipt met zijn vingers.

‘Nou, dan niet,’ zegt hij. ‘Jij je zin. Maar onthou één ding.’ ‘Onthou wat?’ zeg ik vlug. Ik kijk hem aan en hou mijn adem in.

Hij haalt zijn schouders op. ‘Laat maar,’ zegt hij, en hij laat zijn knokkels knakken.

Het tweede wat er gebeurt is dat terwijl we die avond tv zitten te kijken, hij in zijn leren leunstoel, ik op de bank met een deken en iets te lezen, in een huis dat stil is op de tv na, er een stem dwars door het programma heen komt die meedeelt dat de identiteit van het vermoorde meisje is vastgesteld. De bijzonderheden volgen in het nieuws van elf uur.

We kijken elkaar aan. Even later staat hij op en zegt dat hij een slaapmutsje neemt. Wil ik ook iets?

‘Nee,’ zeg ik.

‘Het maakt mij niet uit of ik in mijn eentje drink,’ zegt hij. ‘Maar ik dacht ik vraag het even.’

Ik merk dat het hem op een duistere manier raakt, en ik kijk weg, beschaamd en toch ook boos.

Hij blijft een hele tijd in de keuken maar komt terug met zijn glas als het journaal begint.

Eerst vertelt de nieuwslezer nog eens het verhaal van onze vier vissende stadsgenoten die het lijk gevonden hebben, dan wordt er een foto van het meisje getoond van tijdens haar diploma-uitreiking, een meisje met donker haar en een rond gezicht en volle lachende lippen, gevolgd door beelden van de ouders van het meisje als ze het uitvaartcentrum binnengaan voor de identificatie. Ontredderd en verdrietig komen ze langzaam aanschuifelen over het trottoir naar de treden van het bordes, waar een man in een donker pak ze opwacht en de deur voor hen openhoudt. Dan, niet meer dan een seconde later lijkt het, alsof ze alleen maar naar binnen zijn gegaan en zich hebben omgedraaid en weer naar buiten zijn gekomen, is hetzelfde stel te zien bij het verlaten van het mortuarium, de vrouw in tranen en met een zakdoek voor haar gezicht, terwijl de man lang genoeg blijft staan om tegen een journalist te zeggen: ‘Het is haar, het is Susan. Ik kan nu verder niets zeggen. Ik hoop dat ze de dader of daders oppakken voor het nog eens gebeurt. Al die rottigheid…’ Hij gebaart zwakjes naar de televisiecamera. Dan stappen de man en de vrouw in een oude auto en rijden weg, het namiddagverkeer in.

De nieuwslezer vervolgt met de mededeling dat het meisje, Susan Miller, voor het laatst gezien is toen ze klaar was met haar werk als kassière in een bioscoop in Summit, een stad tweehonderd kilometer ten noorden van waar wij wonen. Er stopte een groene auto van een recent model voor de bioscoop, en het meisje, dat naar de indruk van getuigen had staan wachten, liep naar de auto en stapte in, waardoor de politie het vermoeden heeft dat de bestuurder van de auto een vriend of althans een bekende van haar was. De politie zou graag in contact komen met de bestuurder van de groene auto.

Stuart schraapt zijn keel, gaat dan achteroverzitten in de stoel en neemt een slok.

Het derde wat er gebeurt is dat Stuart zich na het journaal uitrekt, gaapt en naar mij kijkt. Ik ga staan en begin een slaapplaats te maken op de bank.

‘Wat doe jij nou?’ zegt hij verbaasd.

‘Ik heb geen slaap,’ zeg ik, en ik ontwijk zijn blik.‘Ik denk dat ik nog even opblijf, nog wat ga liggen lezen tot ik in slaap val.’

Hij kijkt strak naar het laken dat ik over de bank uitspreid. Als ik een kussen wil pakken, gaat hij in de deuropening naar de slaapkamer staan, zodat ik er niet langs kan.

‘Ik vraag het je nog één keer,’ zegt hij. ‘Wat denk je hier in godsnaam mee te bereiken?’

‘Ik heb even tijd voor mezelf nodig,’ zeg ik. ‘Ik heb tijd nodig om na te denken.’

Hij ademt uit. ‘Ik denk dat je hiermee een grote fout maakt. Ik denk dat je hier nog eens goed over moet nadenken. Claire?’

Ik kan geen antwoord geven. Ik weet niet wat ik wil zeggen. Ik draai me om en begin de randen van de deken in te stoppen. Hij blijft nog even strak naar me kijken en dan zie ik hem zijn schouders ophalen. ‘Je gaat je gang maar. Het zal me een rotzorg zijn wat je doet,’ zegt hij, en hij draait zich om en loopt zich in zijn nek krabbend de gang   in.

Vanochtend lees ik in de krant dat er morgenmiddag om twee uur een dienst voor Susan Miller wordt gehouden in de Chapel of the Pines te Summit. En verder dat de politie de verklaring heeft opgenomen van drie getuigen die haar in de groene Chevrolet hebben zien stappen, waarvan het kenteken echter nog altijd onbekend is. Maar er zit schot in de zaak, het onderzoek gaat door. Ik zit een hele tijd met de krant in mijn hand na te denken, bel dan om een afspraak te maken bij de kapper.

Ik zit onder de droogkap met iets te lezen op schoot en laat Millie mijn nagels doen.

‘Ik ga morgen naar een begrafenis,’ zeg ik, nadat we wat over een meisje gepraat hebben dat hier niet meer werkt.

Millie kijkt op naar mij en dan weer naar mijn vingers. ‘Ach jee, mevrouw Kane. Wat erg.’

‘De begrafenis van een jong meisje,’ zeg ik.

‘Dat zijn de ergste. Mijn zus is gestorven toen ik klein was, en daar ben ik tot op de dag van vandaag nog niet overheen. Wie is er overleden?’ zegt ze even later.

‘Een meisje. Niet dat we elkaar zo goed gekend hebben, hoor, maar toch.’

‘Wat erg. Vreselijk. Maar wees gerust, we zullen zorgen dat u er tiptop uitziet. Wat vindt u ervan zo?’

‘Lijkt me… goed. Millie, heb jij wel eens dat je wou dat je een ander was, of eventueel gewoon niemand, niets, hele- maal niets?’

… dit keer kijkt Stuart alleen maar naar me, haalt zijn tong achter langs zijn lippen en loopt de gang in naar de slaapkamer

Ze kijkt me aan. ‘Nee, ik kan niet zeggen dat ik dat wel eens heb. Nee, als ik een ander was, zou ik bang zijn dat ik het niet leuk vond wie ik was.’ Ze houdt mijn vingers vast en lijkt even ergens anders met haar gedachten.‘Ik weet het niet, ik weet het gewoon niet… Mag ik nu uw andere hand, mevrouw Kane?’

Om elf uur die avond maak ik weer een slaapplaats op de bank, en dit keer kijkt Stuart alleen maar naar me, haalt zijn tong achter langs zijn lippen en loopt de gang in naar de slaapkamer. ’s Nachts word ik wakker en luister naar het poortje in het hek, dat klappert in de wind. Ik wil niet wakker zijn, en ik blijf een hele tijd met mijn ogen dicht liggen. Uiteindelijk sta ik op en loop met mijn kussen de gang in. Het licht brandt in onze slaapkamer en Stuart ligt, zwaar ademhalend, met zijn mond open op zijn rug. Ik loop de kamer van Dean in en stap bij hem in bed. In zijn slaap schuift hij op om me erbij te laten. Ik blijf een tijdje liggen en omhels hem dan, met mijn gezicht in zijn haar.

‘Wat is er, mama?’ zegt hij.

‘Niks, lieverd. Ga maar weer slapen. Er is niets, er is niets aan de hand.’

Ik sta op als ik Stuarts wekker hoor, zet koffie en zorg voor het ontbijt terwijl hij zich scheert.

Hij verschijnt met een handdoek over zijn blote schouder en een onderzoekende blik in de deuropening.

‘Hier, koffie,’ zeg ik. ‘De eieren zijn zo klaar.’ Hij knikt.

Ik maak Dean wakker, en we ontbijten met z’n drieën. Stuart kijkt me een paar keer aan alsof hij iets zeggen wil, maar telkens vraag ik Dean of hij nog melk wil, nog een geroosterde boterham, enzovoorts.

‘Ik bel nog wel vandaag,’ zegt Stuart als hij de deur opendoet.

‘Ik denk niet dat ik er ben vandaag,’ zeg ik vlug. ‘Ik heb van alles te doen vandaag. Het kan zelfs zijn dat ik niet op tijd thuis ben voor het avondeten.’

‘Oké. Best.’ Hij wil meer weten, hij neemt zijn koffertje van de ene hand in de andere. ‘Zullen we dan vanavond in de stad gaan eten? Vind je dat wat?’ Hij blijft naar me kijken. Hij is het al vergeten, van het meisje. ‘Alles goed met je?’

Ik stap naar voren om zijn stropdas recht te trekken, laat dan mijn hand zakken. Hij wil me een zoen geven. Ik doe een stap achteruit. ‘Tot vanavond dan maar,’ zegt hij ten slotte. Dan draait hij zich om en loopt het pad af naar zijn auto.

Ik kleed me netjes aan. Ik kijk hoe een hoed me staat die ik al jaren niet gedragen heb en neem mezelf op in de spiegel. Dan zet ik de hoed af, doe een beetje make-up op en schrijf een briefje voor Dean.

Lieverd, mama heeft vanalles te doen vanmiddag, ben later weer thuis. Blijf jij binnen of in de tuin tot een van ons thuis is.

Liefs

Ik kijk naar het woord ‘liefs’ en zet er dan een streep onder. Terwijl ik het briefje schrijf, realiseer ik me dat ik niet weet of ‘vanalles’ één woord is. ‘Vanmiddag’, ja, maar ‘vanalles’? Het is me nooit eerder opgevallen. Ik denk erover na en zet dan een lijntje en maak er twee woorden van.

Ik tank en vraag de weg naar Summit. Barry, een monteur van veertig met een snor, komt uit de deur naar de toiletten en leunt tegen de motorkap, terwijl de andere man, Lewis, de slang in de tank steekt en langzaam de voorruit begint te lappen.

‘Summit,’ zegt Barry, en hij kijkt me aan en strijkt met een vinger over beide helften van zijn snor. ‘Er is geen handige route naar Summit, mevrouw Kane. Het is zo’n twee, tweeënhalf uur rijden heen en terug. Door de bergen. Het is een hele rit voor een vrouw. Summit? Wat is er te doen in Summit?’

‘Ik heb een afspraak,’ zeg ik, met vaag iets van onbehagen. Lewis is inmiddels een andere klant gaan helpen.

‘O. Nou, als ik hier weg kon’ – hij gebaart met zijn duim naar de werkplaats – ‘zou ik aanbieden u te rijden. Het is niet zo’n beste weg. Ik bedoel, het is wel te doen, het is alleen erg bochtig en zo.’

‘Ik red me wel. Evengoed bedankt.’ Hij leunt tegen de motorkap. Ik voel zijn ogen als ik mijn handtasje openmaak.

Barry pakt de creditcard aan. ‘Niet in het donker gaan rijden,’ zegt hij. ‘De weg is niet zo best, zoals ik zei, en al durf ik te wedden dat u met deze auto geen pech zult krijgen, ik ken deze wagen, je weet  het maar nooit, met klapbanden en zo. Laat ik voor de zekerheid de banden maar even nakijken.’ Hij schopt met zijn schoen tegen een voorband. ‘We zetten hem op de brug. Zo gebeurd.’

‘Nee, nee, hoeft niet. Ik moet nu echt opschieten. Volgens mij is er niets mis met de banden.’

‘Kwestie van een paar minuten,’ zegt hij. ‘Voor de zekerheid.’

‘Ik zei nee. Nee! Volgens mij is er niets mis mee. Ik moet nu gaan, Barry…’

‘Mevrouw Kane?’ ‘Ik moet nu gaan.’

Ik teken iets. Hij geeft me het bonnetje, de kaart, een paar zegeltjes. Ik doe alles in mijn tasje. ‘Doe voorzichtig,’ zegt hij. ‘En tot ziens.’

Als ik moet wachten om in te voegen, zie ik hem in mijn spiegel staan kijken. Ik doe mijn ogen dicht, dan weer open. Hij steekt zijn hand op.

Ik sla bij het eerste stoplicht rechtsaf, sla nog een keer rechtsaf en rijd door tot ik bij de autoweg ben en het bord zie: 87 KM. Het is halfelf en warm.

De weg voert een stuk langs de rand van de stad en loopt dan tussen landerijen, door velden met haver en suikerbieten en appelboomgaarden, met hier en daar kleine kuddes vee die in open weilanden grazen. Dan wordt alles anders: er komen steeds minder boerderijen, het zijn eerder bouwsels dan gebouwen, en houtopstand neemt de plaats van de boomgaarden in. Ineens ben ik in de bergen, en rechts in de diepte vang ik glimpen op van de Naches.

Na een tijdje komt er een groene bestelwagen achter me rijden die kilometers lang blijft hangen. Ik minder steeds op de verkeerde momenten vaart, in de hoop dat hij me passeert, en geef dan weer gas, ook op de verkeerde momenten. Ik klem het stuur zo stijf vast dat mijn vingers er zeer van doen. Op een lang, overzichtelijk stuk weg gaat hij me inderdaad voorbij, maar hij blijft een ogenblik naast me rijden, een man van begin dertig met stekelhaar en een blauw werkhemd, en we kijken elkaar aan. Dan steekt hij zijn hand op, toetert twee keer en rijdt voor me uit weg.

Ik minder vaart en vind een plek, een onverharde zijweg, stop en draai het sleuteltje om. Ergens in de diepte onder de bomen hoor ik de rivier. De zandweg verdwijnt verderop tussen de bomen. Dan hoor ik de bestelwagen terugkeren.

Ik start de motor op het moment dat de wagen achter me stopt. Ik sluit de portieren af en draai de raampjes dicht. Het zweet breekt me uit op mijn gezicht en armen als ik de auto in zijn versnelling zet, maar ik kan geen kant op.

‘Is er iets?’ zegt de man als hij op de auto toe komt lopen. ‘Hallo. Hallo daar.’ Hij trommelt tegen het glas.‘Wat is er?’ Dan legt hij zijn armen tegen het portier en brengt zijn gezicht tot vlak bij het raampje.

‘Het is niet goed hoor, voor een vrouw, om in haar eentje door de verlatenheid te zwerven’

Ik kijk hem strak aan en kan geen woorden vinden. ‘Toen ik je voorbij was, ben ik zachter gaan rijden,’ zegt hij, ‘maar toen ik je niet in de spiegel zag, ben ik langs de kant gaan staan en heb een paar minuten gewacht. Toen je maar wegbleef, dacht ik dat ik beter even terug kon rijden om te kijken. Ben je niet goed? Waarom zit je daar met alles dicht?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Draai je raampje even omlaag. Weet je zeker dat er niets is? Nou? Het is niet goed hoor, voor een vrouw, om in haar eentje door de verlatenheid te zwerven.’ Hij schudt zijn hoofd en kijkt naar de weg en dan weer naar mij. ‘Waarom draai je dat raampje nou niet omlaag? Zo kunnen we toch niet praten?’

‘Ik moet weg.’

‘Doe het portier open,’ zegt hij, alsof hij me niet hoort. ‘Draai in elk geval het raampje omlaag. Je krijgt geen lucht zo.’ Hij kijkt naar mijn borsten en benen. De rok is opgekropen tot boven mijn knieën. Zijn ogen blijven hangen bij mijn benen, maar ik durf niet te bewegen en blijf stilzitten. ‘Ik hoef geen lucht,’ zeg ik. ‘Ik wil geen lucht, dat zie je toch?’

‘Kan mij het ook verrotten,’ zegt hij, en hij doet een stap achteruit bij het portier vandaan. Hij draait zich om en loopt terug naar zijn bestelwagen. Dan zie ik hem in de zijspiegel terugkomen, en ik doe mijn ogen dicht.

‘Moet ik niet achter je aan rijden naar Summit of zo? Het maakt mij niet uit. Ik heb de tijd aan mezelf vanochtend.’

Ik schud mijn hoofd weer.

Hij aarzelt en haalt dan zijn schouders op. ‘Dan niet,’ zegt hij.

Ik wacht tot hij bij de weg is en rij dan achteruit. Hij schakelt en trekt langzaam op, me in de gaten houdend via zijn spiegel. Ik blijf staan in de berm en laat mijn hoofd op het stuur zakken.

De kist is dicht, en er liggen allemaal bloemstukken op. Kort nadat ik enigszins achter in de kerk ben gaan zitten, zet het orgel in. Steeds meer mensen, sommige van middelbare leeftijd en ouder, maar de meeste begin twintig of nog jonger, komen binnen en zoeken een plaats. Het zijn mensen die hun kostuum, hun sportjasje met zomerbroek, hun donkere jurk met leren handschoenen onwennig dragen. Op de stoel naast me gaat een jongen zitten in een broek met wijde pijpen en een geel overhemd met korte mouwen, die op zijn lippen begint te bijten. Er wordt in een zijmuur van de kerk een deur opengezet, en als ik opkijk, doet de parkeerplaats me even aan een weide denken, maar vervolgens blinkt het zonlicht van de autoruiten. De familie komt binnen als groep en begeeft zich naar een met gordijnen afgeschermde ruimte aan de zijkant. Stoelen kraken als men plaatsneemt. Een paar minuten later staat er een dikke blonde man in een donker pak op die ons vraagt ons hoofd te buigen. Hij spreekt een kort gebed uit voor ons, de levenden, en als hij klaar is, vraagt hij ons om in stilte voor de ziel van Susan Miller te bidden, de overledene. Ik doe mijn ogen dicht en denk terug aan haar foto in de krant en op de televisie. Ik zie haar de bioscoop uit komen en in de groene Chevrolet stappen. Dan stel ik me haar tocht stroomafwaarts voor, het naakte lichaam dat tegen rotsblokken botst, wordt tegengehouden door takken, het drijvende, draaiende lijk, het haar dat uitwaaiert in het water. Dan de handen en het haar die verstrikt raken in de overhangende takken, vast blijven zitten, tot vier mannen haar komen bekijken. Ik zie een man die dronken is (Stuart?) haar bij de pols pakken. Heeft iemand hier daar weet van? Stel dat deze mensen dat wisten. Ik kijk om me heen naar de andere gezichten. Er is ergens een verband tussen deze dingen, deze gebeurtenissen, deze gezichten – kon ik maar bedenken welk. Ik krijg pijn in mijn hoofd van de moeite die ik doe.

Hij praat over de gaven van Susan Miller: vrolijkheid en schoonheid, gratie en levenslust. Achter het gesloten gordijn schraapt iemand zijn keel, snikt een ander. De orgelmuziek zet in. De dienst is voorbij.

Met de anderen trek ik langzaam langs de kist. Dan ga ik naar buiten, de treden aan de voorzijde af, het felle, hete middaglicht tegemoet. Een vrouw van middelbare leeftijd die trekkend met haar been voor me uit de trap af loopt, kijkt aangekomen op het trottoir om zich heen, en haar oog valt op mij. ‘Nou, ze hebben hem,’ zegt ze. ‘Schrale troost. Ze hebben hem vanochtend gearresteerd. Ik hoorde het op de radio voor ik hier naartoe kwam. Een vent hier uit de stad. Zo’n langharig stuk tuig natuurlijk.’ We lopen een paar meter over het hete trottoir. Auto’s worden gestart. Ik steek mijn hand uit en hou me vast aan een parkeermeter. Het zonlicht schittert van glimmende motorkappen en spatborden. Alles draait voor mijn ogen.‘Hij heeft toegegeven dat hij die avond omgang met haar heeft gehad, maar hij zegt dat hij haar niet vermoord heeft.’ Ze snuift. ‘U en ik weten wel beter. Maar ze zullen hem wel voorwaardelijk veroordelen en laten gaan.’

‘Hij was misschien niet alleen,’ zeg ik. ‘Dat zullen ze toch eerst zeker moeten weten. Hij verzwijgt misschien het aandeel van een ander, een broer, of vrienden.’

‘Ik heb het kind nog als klein meisje gekend,’ gaat de vrouw verder, en haar lippen trillen. ‘Als ze bij me kwam, bakte ik koekjes voor haar die ze voor de tv mocht opeten.’ Ze wendt haar gezicht af en begint haar hoofd te schudden, terwijl de tranen over haar wangen lopen.

3.

Stuart zit aan tafel met een glas voor zich. Zijn ogen zien rood, en even denk ik dat hij gehuild heeft. Hij kijkt me aan en zegt niets. Ik heb ineens het onbesuisde gevoel dat er iets met Dean is, en mijn hart verzakt.

Waar is hij? zeg ik. Waar is Dean? Buiten, zegt hij.

Stuart, ik ben zo bang, zo bang, zeg ik, tegen de deur geleund.

Waar ben je bang voor, Claire? Zeg het me, schat, dan kan ik misschien helpen. Ik zou graag helpen, waag het er maar op. Daar heb je een man voor.

Ik kan het niet uitleggen, zeg ik. Ik ben gewoon bang. Ik heb het gevoel, het gevoel, het gevoel…

Hij drinkt zijn glas leeg en gaat staan zonder mijn ogen los te laten. Volgens mij weet ik wel wat je nodig hebt, schat. Laat mij maar voor dokter spelen, oké? Laat het maar aan mij over. Hij legt een arm om mijn middel en begint met zijn andere hand mijn jasje los te knopen, dan mijn blouse. Alles op zijn tijd, zegt hij in een poging tot een grapje.

Nee, toe, niet nu, zeg ik.

Nee, toe, niet nu, zegt hij plagerig. Niks niet nu. Dan komt hij achter me staan en slaat een arm om mijn middel. Een van zijn handen glijdt onder mijn beha.

Hou op, hou op, zeg ik. Ik stamp hem op zijn tenen.

En dan word ik opgetild en dan val ik. Op de grond gezeten kijk ik naar hem op, en mijn nek doet pijn en mijn rok zit boven mijn knieën. Hij bukt zich en zegt: Steek de moord dan maar, loeder dat je bent. Ik mag lijden dat je kut wegrot eer ik hem nog eens aanraak. Hij snikt één keer, en ik besef dat hij het niet kan helpen, dat hij er ook niets aan kan doen. Als hij wegloopt naar de kamer, voel ik een stroom van medelijden naar hem uitgaan.

Hij heeft vannacht niet thuis geslapen.

Vanmorgen: bloemen, rode en gele chrysanten. Ik zit koffie te drinken als er wordt aangebeld.

Mevrouw Kane? zegt de jongeman met zijn doos bloemen in de hand.

Ik knik en trek de ochtendjas beter dicht bij mijn hals. De man die belde, die zei dat u het wel zou begrijpen.

De jongen kijkt naar mijn ochtendjas, die openvalt bij de hals, en brengt zijn hand naar zijn pet. Hij staat met zijn benen uit elkaar en zijn voeten stevig op de bovenste trede geplaatst, alsof hij me uitnodigt hem daarbeneden aan te raken. Prettige dag verder, zegt hij.

Even later gaat de telefoon en zegt Stuart: Schat, hoe is het met je? Ik ben vroeg thuis, ik hou van je. Hoor je wat ik zeg? Ik hou van je, het spijt me, ik zal het goedmaken. Tot vanavond, ik moet nu opschieten.

Ik zet de bloemen in een vaas midden op de eetkamertafel en verhuis dan mijn spullen naar de logeerkamer.

Gisteravond, tegen middernacht, forceert Stuart het slot van mijn deur. Dat doet hij alleen om me te laten zien dat hij het kan, denk ik, want hij doet verder niets als de deur openspringt: hij staat daar in zijn ondergoed, verbaasd en met zijn mond vol tanden, terwijl de woede uit zijn gezicht wegtrekt. Hij doet de deur langzaam dicht, en even later hoor ik hem in de keuken een laatje ijsblokjes openmaken. Hij belt vandaag om te zeggen dat hij zijn moeder heeft gevraagd een paar dagen bij ons in huis te komen. Ik wacht even en denk hierover na, hang dan op terwijl hij nog praat. Maar even later draai ik het nummer van zijn werk. Als ik hem uiteindelijk aan de lijn krijg, zeg ik: Het maakt niet uit, Stuart. Echt, ik meen het: het maakt hoe dan ook niet uit. Ik hou van je, zegt hij.

Hij zegt nog iets, en ik luister en knik langzaam. Ik voel me slaperig. Dan word ik wakker en zeg: God, Stuart, het was nog maar een kind.

Dit verhaal schreef Raymond Carver in 1985. Het is afkomstig uit de bundel Beginners (Bezige Bij, 2015) en door ons gepubliceerd met toestemming van vertaler Sjaak Commandeur en De Bezige Bij.

 

 

Mijn man zit met smaak te eten, maar zo te zien is hij moe, gespannen. Hij kauwt langzaam, met zijn armen op tafel, en staart naar iets aan de andere kant van de kamer. Hij kijkt mij aan en kijkt weer weg, veegt zijn mond af aan het servet. Hij haalt zijn schouders op, eet verder. Er is iets tussen ons gekomen, al zou hij graag geloven van niet.

‘Wat kijk je naar me?’ vraagt hij. ‘Is er iets?’ zegt hij, en hij legt zijn vork neer.

‘Keek ik?’ zeg ik, en ik schud schaapachtig mijn hoofd. De telefoon gaat. ‘Niet opnemen,’ zegt hij.

‘Misschien is het je moeder wel,’ zeg ik. ‘Dean – misschien belt er iemand over Dean.’

‘Zelf weten,’ zegt hij.

Ik neem de hoorn van de haak en blijf even staan luisteren. Hij houdt op met eten. Ik bijt op mijn lip en hang op.

‘Wat zei ik?’ zegt hij. Hij begint weer te eten, gooit dan het servet op zijn bord. ‘Godverdomme, waar bemoeit iedereen zich mee? Zeg me wat ik verkeerd gedaan heb, en ik luister! Het is niet eerlijk. Was ze dood of niet? Ik was niet alleen, er waren er meer. We hebben erover gepraat en we waren het eens. We waren er nog maar net. We hadden uren gelopen. We konden niet zomaar terug, de auto stond tien kilometer verderop. Het was de eerste dag van het seizoen. Ik zou bij god niet weten wat er verkeerd aan was. Nee, eerlijk niet. En kijk me niet zo aan, hoor je? Ik laat jou geen rechter over me spelen. Wat denk jij wel?’

‘Nou ja, je weet wel,’ zeg ik, en ik schud mijn hoofd. ‘Wat weet ik, Claire? Zeg dan. Zeg dan wat ik weet. Ik weet niets, behalve één ding: je moet hier niet zo’n drukte over maken.’ Hij werpt me een veelbetekenend bedoelde blik toe. ‘Ze was dood, dood, dood, duidelijk?’ zegt hij even later. ‘Het is schandalig, ben ik helemaal met je eens. Het was een jonge vrouw en het is een schande, en ik vind het erg, net zo erg als ieder ander, maar ze was wel dood, Claire, dood. Dus laten we erover ophouden. Alsjeblieft, Claire. Laten we er nu over ophouden.’

‘Dat is het ’m juist,’ zeg ik. ‘Ze was dood. Maar snap je het dan niet? Ze had hulp nodig.’

‘Ik geef het op,’ zegt hij, en hij heft zijn handen. Hij schuift zijn stoel naar achteren, pakt zijn sigaretten en stapt met een blikje bier het terras op. Hij loopt een tijdje heen en weer en gaat dan in een tuinstoel zitten en raapt de krant weer op. Zijn naam staat op de voorpagina, met die van zijn vrienden, de mannen met wie hij de ‘afschuwelijke ontdekking’ heeft gedaan.

Ik vind hem zielig – zielig zoals hij zit te luisteren, onbewogen, dan achteroverleunt en een trekje van zijn sigaret neemt

Ik doe mijn ogen een moment dicht en hou me aan het aanrecht vast. Ik moet hier niet langer bij stilstaan. Ik moet het van me afzetten, het bannen uit het oog, uit het hart enzovoorts en ‘doorgaan’. Ik doe mijn ogen open. Ondanks alles, wetend wat ervan kan komen, maai ik met mijn arm over het aanrecht en smijt de borden en glazen aan diggelen op de grond.

Hij beweegt niet. Ik weet dat hij het gehoord heeft, hij richt zijn hoofd op alsof hij luistert, maar verder beweegt hij niet, draait zich niet om, kijkt niet. Daar haat ik hem om, om die onbeweeglijkheid. Hij wacht even, neemt dan een trekje van zijn sigaret en gaat achteroverzitten in de stoel. Ik vind hem zielig – zielig zoals hij zit te luisteren, onbewogen, dan achteroverleunt en een trekje van zijn sigaret neemt. De wind voert de rook uit zijn mond mee in een dunne streep. Waarom valt me dat op? Hij kan onmogelijk weten hoe zielig ik hem vind, zoals hij daar stil zit te luisteren en de rook uit zijn mond laat waaien…

De afspraak om in de bergen te gaan vissen had hij vorige week zondag gemaakt, een week voor het weekend van Memorial Day. Met Gordon Johnson, Mel Dorn, Vern Williams. Ze pokeren, bowlen en vissen samen. Vissen doen ze in het voorjaar en de vroege zomer, de eerste paar maanden van het seizoen, voordat de schoolvakanties, het aspirantenhonkbal en familiebezoek hun wereld binnendringen. Het zijn beste mannen, huisvaders, plichtsgetrouwe werkers. Ze hebben zoons en dochters die op school zitten met onze zoon, Dean. Vrijdagmiddag vertrokken deze vier mannen voor een lang visweekend aan de rivier de Naches. Ze zetten de auto in de bergen en legden te voet een aantal kilometers af naar waar ze wilden gaan vissen. Ze hadden hun slaapzakken bij zich, eten en kookgerei, hun speelkaarten, hun whisky. Die eerste avond aan de rivier zag Mel Dorn al voor ze hun tenten hadden kunnen opzetten het meisje met haar gezicht omlaag in de rivier drijven, naakt, niet ver uit de oever vastgeraakt in een paar takken. Hij riep de andere mannen erbij en ze kwamen allemaal naar haar kijken. Ze overlegden wat ze moesten doen. Een van de mannen – Stuart zei er niet bij wie – misschien was het Vern Williams, een zware, gemoedelijke, goedlachse man – een van hen vond dat ze meteen terug moesten naar de auto. De anderen wroetten met hun schoen in het zand en zeiden er meer voor te voelen om te blijven. Ze beriepen zich op vermoeidheid, het late uur, het feit dat het meisje ‘niet wegliep’. Ze namen uiteindelijk het gezamenlijke besluit om te blijven. Dus zetten ze hun tenten op en maakten een vuur en dronken hun whisky. Ze dronken veel whisky, en toen de maan opkwam, praatten ze over het meisje. Iemand vond dat ze iets moesten doen om te zorgen dat het lijk niet wegdreef. Ze hadden het idee dat ze er misschien last mee zouden krijgen als het ’s nachts wegdreef. Ze pakten zaklampen en klosten omlaag naar de rivier. Het waaide, er stond een koude wind, en de golven van de rivier kabbelden tegen het zand van de oever. Een van de mannen, wie weet ik niet, Stuart misschien, die zou het gedaan kunnen hebben, waadde het water in en pakte het meisje bij de vingers en trok haar, nog altijd met haar gezicht omlaag, dichter naar de kant, in ondiep water, en pakte toen een stuk nylondraad en bond het om haar pols en bevestigde het aan een boomwortel, terwijl intussen de zaklampen van de andere mannen over het lichaam van het meisje speelden. Daarna liepen ze terug naar hun kamp en dronken nog meer whisky. Toen gingen ze slapen. De volgende ochtend, zaterdag, maakten ze een ontbijt, dronken veel koffie, weer whisky, en gingen toen uit elkaar om te vissen, twee stroomopwaarts, twee stroomafwaarts.

Nadat ze die avond hun vis hadden gebakken, hun aardappelen hadden gekookt en weer koffie en whisky hadden gedronken, liepen ze met hun vaat naar de rivier en deden op een paar meter van waar het meisje in het water lag de afwas. Ze begonnen opnieuw met drinken en haalden toen hun kaarten tevoorschijn en kaartten en dronken tot ze hun kaarten niet meer konden zien. Vern Williams ging slapen, maar de anderen vertelden elkaar schunnige verhalen en praatten over bedenkelijke of bedrieglijke streken van vroeger, en over het meisje werd niet meer gesproken, totdat Gordon Johnson in een moment van onnadenkendheid iets zei over de stevigheid van de forel die ze gevangen hadden, en de vreselijke kou van het rivierwater. Daarna waren ze opgehouden met praten maar wel blijven drinken, tot een van hen struikelde en vloekend omviel met lamp en al, waarna ze in hun slaapzak kropen.

Hij gaf de man aan de andere kant van de lijn al hun namen – ze hadden niets te verbergen, ze hoefden zich nergens voor te schamen

De volgende ochtend stonden ze laat op, gingen weer aan de whisky, visten nog wat, intussen doordrinkend, en besloten toen, om één uur, zondagmiddag, een dag eerder dan de bedoeling was, te vertrekken. Ze braken hun tenten af, rolden hun slaapzakken op, pakten hun potten en pannen, vis en vistuig bij elkaar en sjouwden terug. Ze keken voor ze vertrokken niet meer bij het meisje. Aangekomen bij de auto gingen ze zwijgend op weg, tot ze een telefoon zagen. Stuart belde de politie, terwijl de anderen in de hete zon om hem heen stonden en meeluisterden. Hij gaf de man aan de andere kant van de lijn al hun namen – ze hadden niets te verbergen, ze hoefden zich nergens voor te schamen – en sprak af dat ze bij het benzinestation zouden blijven wachten tot er iemand kwam wie ze nauwkeuriger de weg konden wijzen en die hun individuele verklaring kon opnemen. Hij was die avond om elf uur thuis. Ik sliep al maar werd wakker toen ik hem hoorde in de keuken. Daar stond hij met een blikje bier aan zijn mond tegen de koelkast geleund toen ik binnenkwam. Hij sloeg zijn zware armen om me heen en wreef met zijn handen op en neer over mijn rug, dezelfde handen als waarmee hij twee dagen eerder vertrokken was, dacht ik.

In bed strekte hij zijn handen weer naar me uit en wachtte toen, alsof hij ergens anders aan dacht. Ik ging een ietsje verliggen en verschoof toen mijn benen. Ik weet dat hij naderhand lang wakker gebleven is, want hij was nog wakker toen ik in slaap viel; en later, toen ik even mijn lig niet kon vinden, mijn ogen opende bij een zwak geluid, een knispering van de lakens, was het al bijna licht buiten, zongen de vogels en lag hij op zijn rug te roken en naar het gordijn voor het raam te kijken. Half slapend zei ik zijn naam, maar hij reageerde niet. Ik sliep weer in.

Hij was ’s ochtends al uit bed voor ik op was, om te kijken of er iets over in de krant stond, denk ik. Even na achten begon de telefoon te rinkelen.

‘Steek de moord!’ hoorde ik hem in de hoorn schreeuwen. Even later ging de telefoon weer, en ik holde de keuken in. ‘Ik heb niets toe te voegen aan wat ik al tegen de politie gezegd heb. En daarmee uit!’ Hij gooide de hoorn op de haak.

‘Wat is er aan de hand?’ zei ik geschrokken.

‘Ga zitten,’ zei hij langzaam. Zijn vingers raspten, raspten over zijn stoppelbaard. ‘Ik moet je iets vertellen. Er is iets gebeurd tijdens het vissen.’ We gingen tegenover elkaar aan tafel zitten, en toen vertelde hij het me.

Ik dronk koffie en keek hem strak aan terwijl hij praatte. Ik las het verslag in de krant die hij over tafel naar me toe schoof… nog niet nader geïdentificeerd meisje tussen achttien en vierentwintig… lijk drie tot vijf dagen in het water… verkrachting als mogelijk motief genoemd… voorlopig onderzoek wijst in de richting van dood door wurging… schrammen en bloeduitstortingen op haar borsten en in de bekkenstreek… sectie… verkrachting, nader onderzoek zal moeten uitwijzen.

‘Je begrijpt het toch wel?’ zei hij. ‘Kijk me niet zo aan. Pas op, Claire, dat meen ik. Rustig nou maar.’

‘Waarom heb je dit gisteravond niet gezegd?’ vroeg ik. ‘Heb ik… gewoon niet gedaan. Hoezo?’ zei hij.

‘Hoezo?’ zei ik. Ik keek naar zijn handen, de brede vingers, behaarde knokkels, die bewogen, nu een sigaret opstaken, vingers die over me heen waren gegaan, vannacht in me waren geweest.

Hij haalde zijn schouders op. ‘Wat maakt het uit, gisteravond, vanochtend. Je sliep al, ik dacht ik wacht tot vanochtend om het je te zeggen.’ Hij keek naar buiten naar het terras; er vloog een roodborstje van het grasveld naar de picknicktafel, waar het zijn veren gladstreek.

‘Het is niet waar,’ zei ik. ‘Je hebt haar daar toch niet zomaar laten liggen?’

Hij draaide zijn hoofd onmiddellijk terug en zei: ‘Wat heb ik gedaan? Nou moet je goed naar me luisteren, eens en voor al. Er is niets gebeurd. Er is niets waar ik spijt van heb of me schuldig over voel. Heb je dat goed gehoord?’

Ik stond op van de tafel en liep naar de kamer van Dean. Hij was wakker en in zijn pyjama bezig met een legpuzzel. Ik hielp hem zijn kleren bij elkaar zoeken en liep toen terug naar de keuken en zette zijn ontbijt op tafel. De telefoon ging nog een paar keer, en elke keer was Stuart kortaf als hij praatte en boos als hij ophing. Hij belde Mel Dorn en Gordon Johnson en praatte langzaam en ernstig met ze, en toen trok hij een blikje bier open en stak een sigaret op terwijl Dean zat te eten, vroeg hem hoe het was op school, met zijn vriendjes, enzovoorts, alsof er niets gebeurd was.

Dean wilde weten wat hij gedaan had die dagen dat hij weg was geweest, en Stuart haalde vis uit de vrieskist om aan hem te laten zien.

‘Ik breng hem bij je moeder vandaag,’ zei ik.

‘Best,’ zei Stuart, en hij keek naar Dean, die een bevroren forel in zijn handen had. ‘Als jij dat wilt en hij het wil tenminste. Het hoeft niet namelijk. Er is niets aan de hand.’

‘Toch lijkt het me beter,’ zei ik.

‘Mag ik dan gaan zwemmen?’ vroeg Dean, en hij veegde zijn vingers af aan zijn broek.

‘Ik denk het wel,’ zei ik. ‘Het wordt een warme dag, dus neem je zwembroek mee, dan mag het vast van oma.’

Stuart stak nog een sigaret op en keek ons aan.

Dean en ik reden door de stad naar de moeder van Stuart. Die woont in een flat met een zwembad en een sauna. Ze heet Catherine Kane. Haar achternaam, Kane, is ook de mijne – raar maar waar. Vroeger, heeft Stuart verteld, was ze Candy voor intimi. Het is een lange, kille vrouw met lichtblond haar. Ze geeft me altijd het gevoel dat ik me moet rechtvaardigen. Met zachte stem leg ik in het kort uit wat er gebeurd is (ze heeft de krant nog niet gelezen) en beloof dat ik Dean ’s avonds weer kom ophalen. ‘Hij heeft zijn zwembroek bij zich,’ zeg ik. ‘Stuart en ik moeten een paar dingen uitpraten,’ zeg ik er vagelijk bij. Ze kijkt me over haar brillenglazen strak aan. Dan knikt ze en draait zich naar Dean met de woorden: ‘En hoe is het met mijn kleine man?’ Ze bukt en slaat haar armen om hem heen. Ze kijkt pas weer op naar mij als ik de deur opendoe om te vertrekken. Ze kan me zo aankijken zonder wat te zeggen.

Toen ik thuiskwam zat Stuart aan tafel iets te eten en bier te drinken…

Na een tijdje veeg ik het kapotte serviesgoed en glaswerk bij elkaar en ga naar buiten. Stuart ligt nu op zijn rug in het gras naar de lucht te staren, met de krant en het blikje bier binnen handbereik. Het is winderig maar warm en er roepen vogels.

‘Stuart, zullen we een eindje gaan rijden?’ zeg ik. ‘Gewoon, een ritje?’

Hij rolt op zijn buik en kijkt me aan en knikt. ‘Halen we meteen bier,’ zegt hij. ‘Ik hoop dat je van de schrik bekomen bent. Probeer het te begrijpen, meer vraag ik niet.’ Hij komt overeind en legt in het voorbijgaan zijn hand op mijn heup. ‘Eén moment, ik ben zo klaar.’

We rijden zwijgend door de stad. Voor we de stad uit zijn, haalt hij bij een supermarkt langs de weg bier. Mijn oog valt op een grote stapel kranten net voorbij de ingang. Op de bovenste trede houdt een dikke vrouw in een jurk van bedrukt katoen een klein meisje een dropstaaf voor. Een paar minuten later rijden we Everson Creek over en draaien een picknickplaats op, een paar meter van het water. Het riviertje stroomt onder de brug door naar een grote plas een paar honderd meter verderop. Verspreid op de oever van de plas zitten een stuk of tien mannen en jongens onder de wilgen te vissen.

Zoveel water zo dicht bij huis, waarom moest hij zo ver weg om te vissen?

‘Waarom moesten jullie uitgerekend daarheen?’ zeg ik. ‘Naar de Naches? Daar gaan we altijd heen. Elk jaar minstens één keer.’ We gaan op een bank in de zon zitten en hij trekt twee blikjes bier open, waarvan hij er een aan mij geeft. ‘Ik kon toch godsonmogelijk weten dat er zoiets zou gebeuren?’ Hij schudt zijn hoofd en haalt zijn schouders op, alsof het jaren geleden gebeurd is, of een ander is overkomen. ‘Is het geen mooie middag, Claire? Geniet van het weer.’

‘Ze zeiden dat ze onschuldig waren.’ ‘Wie? Waar heb je het over?’

‘De gebroeders Maddox. In mijn jeugd hebben die bij ons in de buurt een meisje vermoord dat Arlene Hubly heette en haar hoofd afgehakt en haar in het water van de Cle Elum gegooid. Ik zat samen met haar op school. Ik was toen nog heel jong.’

Ik kijk naar de rivier. Ik drijf met mijn ogen open, gezicht omlaag in de richting van de plas en staar naar de stenen en het mos op de rivierbodem tot ik word meegevoerd het meer op

‘Dat je daar nou ineens aan terugdenkt,’ zegt hij. ‘Toe, hou eens op. Nog even en je hebt me kwaad. Dus wat wordt het? Claire?’

Ik kijk naar de rivier. Ik drijf met mijn ogen open, gezicht omlaag in de richting van de plas en staar naar de stenen en het mos op de rivierbodem tot ik word meegevoerd het meer op, waar de wind me voortstuwt. Het zal geen enkel verschil maken. We zullen gewoon doorgaan, steeds maar doorgaan. Zelfs nu zullen we doorgaan alsof er niets gebeurd is. Ik kijk hem over de picknicktafel aan met zoveel felheid dat hij wit wegtrekt.

‘Ik weet niet wat jij mankeert,’ zegt hij. ‘Ik weet…’

Voor ik er erg in heb, geef ik hem een klap. Ik hef mijn hand, wacht een fractie van een seconde, en geef hem dan een harde klap tegen zijn wang. Dit is krankzinnig, denk ik terwijl ik hem een klap geef. We moeten onze vingers verstrengelen. We moeten elkaar helpen. Dit is krankzinnig.

Hij grijpt mijn pols voor ik weer kan uithalen en heft zijn eigen hand. Ik duik ineen, wacht af en zie iets in zijn ogen verschijnen en weer wegschieten. Hij laat zijn hand zakken. Ik draai nog sneller rond in de plas.

‘Kom op, stap in,’ zegt hij. ‘Je gaat mee naar huis.’

‘Nee, nee,’ zeg ik, en ik probeer me van hem los te trekken.

‘Kom op,’ zegt hij. ‘Godverdomme.’

‘Je bent onredelijk tegen me,’ zegt hij later in de auto. Buiten vliegen velden en bomen en boerderijen voorbij. ‘Je bent onredelijk. Tegenover ons allebei. En tegenover Dean niet te vergeten. Denk eens aan Dean. Denk aan mij. Denk voor de verandering ook eens aan een ander.’

Wat moet ik daarop terugzeggen? Hij probeert zich op de weg te concentreren, maar hij kijkt steeds in de   achteruitkijkspiegel. Uit zijn ooghoek kijkt hij opzij naar waar ik zit, met mijn knieën onder me opgetrokken. De zon brandt op mijn arm en mijn wang. Hij trekt al rijdend nog een blikje bier open, drinkt eruit, schuift het blik dan tussen zijn benen en ademt uit. Hij weet het. Ik zou hem in zijn gezicht kunnen uitlachen. Ik zou kunnen huilen.

2.

Stuart denkt dat hij me vanmorgen laat uitslapen. Maar ik was ver voor de wekker afliep al wakker en heb nagedacht, aan de rand van het bed, bij zijn behaarde benen en zijn dikke, slapende vingers vandaan. Hij helpt Dean de deur uit naar school en dan scheert hij zich, kleedt zich aan en gaat even later zelf naar zijn werk. Hij komt twee keer in de slaapkamer kijken en schraapt zijn keel, maar ik hou mijn ogen dicht.

In de keuken vind ik een briefje van hem met ‘liefs’ eronder. Ik ga in de ontbijthoek in de zon zitten en drink koffie en maak een koffiekring op het briefje. De telefoon gaat niet meer, dat is tenminste iets. Er is sinds gisteravond niet meer gebeld. Ik kijk naar de krant en schuif er wat mee over tafel. Dan trek ik hem naar me toe en lees wat er staat. Het lijk is nog niet geïdentificeerd, er hebben zich geen nabestaanden gemeld. Maar de afgelopen vierentwintig uur is het onderzocht door mannen die er dingen in hebben gestopt, die hebben gesneden, gewogen, gemeten, teruggestopt, dichtgenaaid, op zoek naar de precieze doodsoorzaak en het tijdstip van overlijden. En naar iets wat op verkrachting duidt. Ik weet zeker dat ze op verkrachting hopen. Met verkrachting is het beter te begrijpen. Volgens de krant wordt het meisje voorlopig overgebracht naar het uitvaartcentrum Keith & Keith. Eenieder die inlichtingen kan verschaffen wordt verzocht, enzovoorts.

Twee dingen staan vast: 1) het kan mensen niet meer schelen wat andere mensen overkomt en 2) niets maakt nog echt verschil. Kijk naar wat er is gebeurd. Toch verandert er voor Stuart en mij niets. Niet echt, bedoel ik. We zullen ouder worden, wij allebei, dat zie je nu al aan ons gezicht, in de badkamerspiegel bijvoorbeeld, als we ’s ochtends samen in de badkamer zijn. En bepaalde dingen om ons heen zullen veranderen, makkelijker of moeilijker worden, al naargelang, maar niets zal ooit echt anders worden. Daar ben ik van overtuigd. We hebben onze besluiten genomen, ons leven is op gang gekomen en zal doorgaan tot het afgelopen is. Maar als dat zo is, wat dan? Ik bedoel: stel dat je daarvan overtuigd bent maar het voor je houdt, tot er een keer iets gebeurt waardoor er iets zou horen te veranderen, terwijl je merkt dat er toch weer niets verandert. Wat dan? De mensen in je omgeving blijven intussen praten en doen alsof je dezelfde was als gisteren, of vannacht, of vijf minuten geleden, maar in werkelijkheid maak je een crisis door, is je hart een ravage…

Het verleden is onduidelijk. Het is alsof er een waas ligt over vroeger. Ik weet nooit zeker of wat ik me herinner dat er gebeurd is wel echt met mij is gebeurd. Er was een meisje dat een vader en een moeder had – de vader had een restaurantje waarin de moeder meewerkte als serveerster en kassière – en dat meisje doorliep als in een droom de lagere en de middelbare school en volgde een jaar of twee daarna een secretaresseopleiding. Later, veel later – wat is er met de tussentijd gebeurd? – werkt ze in een andere stad als receptioniste bij een bedrijf in elektronische onderdelen en krijgt ze kennis aan een van de ingenieurs, die haar mee uit vraagt. Omdat hij daarop uit is, laat ze zich ten slotte door hem verleiden. Ze had er destijds een intuïtief idee over, een inzicht in wat er bij die verleiding gebeurde, dat ze zich later met de beste wil van de wereld niet kon herinneren. Al vrij snel besluiten ze te trouwen, maar het verleden, haar verleden, is dan al bezig haar te ontglippen. De toekomst is iets waarvan ze zich geen voorstelling kan maken. Ze glimlacht alsof ze een geheim heeft wanneer ze aan de toekomst denkt. Tijdens een ongewoon hevige ruzie, waarover weet ze nu niet meer, een jaar of vijf na hun trouwen, zegt hij haar dat deze affaire (zijn woorden: ‘deze affaire’) nog eens gewelddadig zal aflopen. Dat onthoudt ze. Ze bergt het ergens op en zegt de woorden van tijd tot tijd hardop voor zich uit. Soms zit ze de hele ochtend op haar knieën in de zandbak achter de garage en speelt met Dean en een of twee van zijn vriendjes. Maar om vier uur ’s middags krijgt ze altijd pijn in haar hoofd. Ze houdt haar voorhoofd tussen haar handen en is duizelig van de pijn. Stuart vraagt haar naar een dokter te gaan, wat ze doet, en de zorgzame aandacht van de dokter vindt ze stilletjes wel prettig. Ze gaat een tijdje naar een oord dat de dokter haar aanbeveelt. Stuarts moeder komt in allerijl over uit Ohio om voor het kind te zorgen. Maar zij, Claire, bederft alles en komt na een paar weken al weer naar huis. Zijn moeder verhuist naar een flat aan de andere kant van de stad en blijft daar, alsof ze op de loer ligt. Als ze op een avond in bed allebei haast zijn ingeslapen, zegt Claire dat ze een paar patiëntes in DeWitt over fellatio heeft horen praten. Ze denkt dat het iets is wat hij wel wil horen. Ze glimlacht in het donker. Stuart hoort haar met genoegen aan. Hij streelt haar arm. Het komt allemaal goed, zegt hij. Voortaan wordt alles anders en beter. Hij heeft promotie gemaakt en een forse loonsverhoging gekregen. Ze hebben zelfs een tweede auto gekocht, een stationcar, haar auto. Ze gaan in het hier en nu leven. Hij zegt het gevoel te hebben zich voor het eerst in jaren te kunnen ontspannen. In het donker gaat hij door met het strelen van haar arm… Hij blijft op gezette tijden bowlen en kaarten. Hij gaat vissen met drie vrienden van hem.

Er gebeuren die avond drie dingen. Volgens Dean hebben de kinderen op school tegen hem gezegd dat zijn vader in de rivier een lijk gevonden heeft. Hij wil er meer van weten. Stuart legt het in het kort uit, laat het meeste weg en zegt alleen dat, ja, hij en nog drie mannen een lijk gevonden hebben toen ze waren gaan vissen.

‘Wat voor lijk?’ vraagt Dean. ‘Was het een meisje?’

‘Ja, het was een meisje. Een vrouw. Toen hebben we de politie gebeld.’ Stuart kijkt mij aan.

‘Wat zeiden die?’ vraagt Dean.

‘Ze zeiden dat we het aan hen konden overlaten.’ ‘Hoe zag het eruit? Was het eng?’

‘Zo kan het wel weer,’ zeg ik. ‘Spoel je bord af, Dean, en dan mag je van tafel.’

‘Maar hoe zag het er nou uit?’ houdt hij vol. ‘Ik wil het weten.’

‘Heb je me gehoord?’ zeg ik. ‘Heb je me gehoord, Dean? Dean!’ Ik wil hem door elkaar rammelen. Ik wil hem door elkaar rammelen tot hij ervan huilt.

‘Doe wat je moeder zegt,’ houdt Stuart hem zachtjes voor. ‘Het was gewoon een lijk, en meer valt er niet over te vertellen.’

Ik ben de tafel aan het afruimen als Stuart ineens achter me staat en mijn arm aanraakt. Zijn vingers branden. Ik laat van schrik haast een bord vallen.

‘Wat is er toch met je?’ zegt hij, en hij laat zijn hand zak- ken. ‘Zeg eens, Claire, wat is er?’

‘Ik schrok van je,’ zeg ik.

‘Dat is precies wat ik bedoel. Ik zou je moeten kunnen aanraken zonder dat je hart in je keel schiet.’ Hij gaat met een lachje voor me staan en probeert me aan te kijken, legt dan zijn arm om mijn middel. Met zijn andere hand pakt hij mijn vrije hand en legt die voor tegen zijn broek.

‘Toe, Stuart.’ Ik trek me los en hij doet een stap naar achter en knipt met zijn vingers.

‘Nou, dan niet,’ zegt hij. ‘Jij je zin. Maar onthou één ding.’ ‘Onthou wat?’ zeg ik vlug. Ik kijk hem aan en hou mijn adem in.

Hij haalt zijn schouders op. ‘Laat maar,’ zegt hij, en hij laat zijn knokkels knakken.

Het tweede wat er gebeurt is dat terwijl we die avond tv zitten te kijken, hij in zijn leren leunstoel, ik op de bank met een deken en iets te lezen, in een huis dat stil is op de tv na, er een stem dwars door het programma heen komt die meedeelt dat de identiteit van het vermoorde meisje is vastgesteld. De bijzonderheden volgen in het nieuws van elf uur.

We kijken elkaar aan. Even later staat hij op en zegt dat hij een slaapmutsje neemt. Wil ik ook iets?

‘Nee,’ zeg ik.

‘Het maakt mij niet uit of ik in mijn eentje drink,’ zegt hij. ‘Maar ik dacht ik vraag het even.’

Ik merk dat het hem op een duistere manier raakt, en ik kijk weg, beschaamd en toch ook boos.

Hij blijft een hele tijd in de keuken maar komt terug met zijn glas als het journaal begint.

Eerst vertelt de nieuwslezer nog eens het verhaal van onze vier vissende stadsgenoten die het lijk gevonden hebben, dan wordt er een foto van het meisje getoond van tijdens haar diploma-uitreiking, een meisje met donker haar en een rond gezicht en volle lachende lippen, gevolgd door beelden van de ouders van het meisje als ze het uitvaartcentrum binnengaan voor de identificatie. Ontredderd en verdrietig komen ze langzaam aanschuifelen over het trottoir naar de treden van het bordes, waar een man in een donker pak ze opwacht en de deur voor hen openhoudt. Dan, niet meer dan een seconde later lijkt het, alsof ze alleen maar naar binnen zijn gegaan en zich hebben omgedraaid en weer naar buiten zijn gekomen, is hetzelfde stel te zien bij het verlaten van het mortuarium, de vrouw in tranen en met een zakdoek voor haar gezicht, terwijl de man lang genoeg blijft staan om tegen een journalist te zeggen: ‘Het is haar, het is Susan. Ik kan nu verder niets zeggen. Ik hoop dat ze de dader of daders oppakken voor het nog eens gebeurt. Al die rottigheid…’ Hij gebaart zwakjes naar de televisiecamera. Dan stappen de man en de vrouw in een oude auto en rijden weg, het namiddagverkeer in.

De nieuwslezer vervolgt met de mededeling dat het meisje, Susan Miller, voor het laatst gezien is toen ze klaar was met haar werk als kassière in een bioscoop in Summit, een stad tweehonderd kilometer ten noorden van waar wij wonen. Er stopte een groene auto van een recent model voor de bioscoop, en het meisje, dat naar de indruk van getuigen had staan wachten, liep naar de auto en stapte in, waardoor de politie het vermoeden heeft dat de bestuurder van de auto een vriend of althans een bekende van haar was. De politie zou graag in contact komen met de bestuurder van de groene auto.

Stuart schraapt zijn keel, gaat dan achteroverzitten in de stoel en neemt een slok.

Het derde wat er gebeurt is dat Stuart zich na het journaal uitrekt, gaapt en naar mij kijkt. Ik ga staan en begin een slaapplaats te maken op de bank.

‘Wat doe jij nou?’ zegt hij verbaasd.

‘Ik heb geen slaap,’ zeg ik, en ik ontwijk zijn blik.‘Ik denk dat ik nog even opblijf, nog wat ga liggen lezen tot ik in slaap val.’

Hij kijkt strak naar het laken dat ik over de bank uitspreid. Als ik een kussen wil pakken, gaat hij in de deuropening naar de slaapkamer staan, zodat ik er niet langs kan.

‘Ik vraag het je nog één keer,’ zegt hij. ‘Wat denk je hier in godsnaam mee te bereiken?’

‘Ik heb even tijd voor mezelf nodig,’ zeg ik. ‘Ik heb tijd nodig om na te denken.’

Hij ademt uit. ‘Ik denk dat je hiermee een grote fout maakt. Ik denk dat je hier nog eens goed over moet nadenken. Claire?’

Ik kan geen antwoord geven. Ik weet niet wat ik wil zeggen. Ik draai me om en begin de randen van de deken in te stoppen. Hij blijft nog even strak naar me kijken en dan zie ik hem zijn schouders ophalen. ‘Je gaat je gang maar. Het zal me een rotzorg zijn wat je doet,’ zegt hij, en hij draait zich om en loopt zich in zijn nek krabbend de gang   in.

Vanochtend lees ik in de krant dat er morgenmiddag om twee uur een dienst voor Susan Miller wordt gehouden in de Chapel of the Pines te Summit. En verder dat de politie de verklaring heeft opgenomen van drie getuigen die haar in de groene Chevrolet hebben zien stappen, waarvan het kenteken echter nog altijd onbekend is. Maar er zit schot in de zaak, het onderzoek gaat door. Ik zit een hele tijd met de krant in mijn hand na te denken, bel dan om een afspraak te maken bij de kapper.

Ik zit onder de droogkap met iets te lezen op schoot en laat Millie mijn nagels doen.

‘Ik ga morgen naar een begrafenis,’ zeg ik, nadat we wat over een meisje gepraat hebben dat hier niet meer werkt.

Millie kijkt op naar mij en dan weer naar mijn vingers. ‘Ach jee, mevrouw Kane. Wat erg.’

‘De begrafenis van een jong meisje,’ zeg ik.

‘Dat zijn de ergste. Mijn zus is gestorven toen ik klein was, en daar ben ik tot op de dag van vandaag nog niet overheen. Wie is er overleden?’ zegt ze even later.

‘Een meisje. Niet dat we elkaar zo goed gekend hebben, hoor, maar toch.’

‘Wat erg. Vreselijk. Maar wees gerust, we zullen zorgen dat u er tiptop uitziet. Wat vindt u ervan zo?’

‘Lijkt me… goed. Millie, heb jij wel eens dat je wou dat je een ander was, of eventueel gewoon niemand, niets, hele- maal niets?’

… dit keer kijkt Stuart alleen maar naar me, haalt zijn tong achter langs zijn lippen en loopt de gang in naar de slaapkamer

Ze kijkt me aan. ‘Nee, ik kan niet zeggen dat ik dat wel eens heb. Nee, als ik een ander was, zou ik bang zijn dat ik het niet leuk vond wie ik was.’ Ze houdt mijn vingers vast en lijkt even ergens anders met haar gedachten.‘Ik weet het niet, ik weet het gewoon niet… Mag ik nu uw andere hand, mevrouw Kane?’

Om elf uur die avond maak ik weer een slaapplaats op de bank, en dit keer kijkt Stuart alleen maar naar me, haalt zijn tong achter langs zijn lippen en loopt de gang in naar de slaapkamer. ’s Nachts word ik wakker en luister naar het poortje in het hek, dat klappert in de wind. Ik wil niet wakker zijn, en ik blijf een hele tijd met mijn ogen dicht liggen. Uiteindelijk sta ik op en loop met mijn kussen de gang in. Het licht brandt in onze slaapkamer en Stuart ligt, zwaar ademhalend, met zijn mond open op zijn rug. Ik loop de kamer van Dean in en stap bij hem in bed. In zijn slaap schuift hij op om me erbij te laten. Ik blijf een tijdje liggen en omhels hem dan, met mijn gezicht in zijn haar.

‘Wat is er, mama?’ zegt hij.

‘Niks, lieverd. Ga maar weer slapen. Er is niets, er is niets aan de hand.’

Ik sta op als ik Stuarts wekker hoor, zet koffie en zorg voor het ontbijt terwijl hij zich scheert.

Hij verschijnt met een handdoek over zijn blote schouder en een onderzoekende blik in de deuropening.

‘Hier, koffie,’ zeg ik. ‘De eieren zijn zo klaar.’ Hij knikt.

Ik maak Dean wakker, en we ontbijten met z’n drieën. Stuart kijkt me een paar keer aan alsof hij iets zeggen wil, maar telkens vraag ik Dean of hij nog melk wil, nog een geroosterde boterham, enzovoorts.

‘Ik bel nog wel vandaag,’ zegt Stuart als hij de deur opendoet.

‘Ik denk niet dat ik er ben vandaag,’ zeg ik vlug. ‘Ik heb van alles te doen vandaag. Het kan zelfs zijn dat ik niet op tijd thuis ben voor het avondeten.’

‘Oké. Best.’ Hij wil meer weten, hij neemt zijn koffertje van de ene hand in de andere. ‘Zullen we dan vanavond in de stad gaan eten? Vind je dat wat?’ Hij blijft naar me kijken. Hij is het al vergeten, van het meisje. ‘Alles goed met je?’

Ik stap naar voren om zijn stropdas recht te trekken, laat dan mijn hand zakken. Hij wil me een zoen geven. Ik doe een stap achteruit. ‘Tot vanavond dan maar,’ zegt hij ten slotte. Dan draait hij zich om en loopt het pad af naar zijn auto.

Ik kleed me netjes aan. Ik kijk hoe een hoed me staat die ik al jaren niet gedragen heb en neem mezelf op in de spiegel. Dan zet ik de hoed af, doe een beetje make-up op en schrijf een briefje voor Dean.

Lieverd, mama heeft vanalles te doen vanmiddag, ben later weer thuis. Blijf jij binnen of in de tuin tot een van ons thuis is.

Liefs

Ik kijk naar het woord ‘liefs’ en zet er dan een streep onder. Terwijl ik het briefje schrijf, realiseer ik me dat ik niet weet of ‘vanalles’ één woord is. ‘Vanmiddag’, ja, maar ‘vanalles’? Het is me nooit eerder opgevallen. Ik denk erover na en zet dan een lijntje en maak er twee woorden van.

Ik tank en vraag de weg naar Summit. Barry, een monteur van veertig met een snor, komt uit de deur naar de toiletten en leunt tegen de motorkap, terwijl de andere man, Lewis, de slang in de tank steekt en langzaam de voorruit begint te lappen.

‘Summit,’ zegt Barry, en hij kijkt me aan en strijkt met een vinger over beide helften van zijn snor. ‘Er is geen handige route naar Summit, mevrouw Kane. Het is zo’n twee, tweeënhalf uur rijden heen en terug. Door de bergen. Het is een hele rit voor een vrouw. Summit? Wat is er te doen in Summit?’

‘Ik heb een afspraak,’ zeg ik, met vaag iets van onbehagen. Lewis is inmiddels een andere klant gaan helpen.

‘O. Nou, als ik hier weg kon’ – hij gebaart met zijn duim naar de werkplaats – ‘zou ik aanbieden u te rijden. Het is niet zo’n beste weg. Ik bedoel, het is wel te doen, het is alleen erg bochtig en zo.’

‘Ik red me wel. Evengoed bedankt.’ Hij leunt tegen de motorkap. Ik voel zijn ogen als ik mijn handtasje openmaak.

Barry pakt de creditcard aan. ‘Niet in het donker gaan rijden,’ zegt hij. ‘De weg is niet zo best, zoals ik zei, en al durf ik te wedden dat u met deze auto geen pech zult krijgen, ik ken deze wagen, je weet  het maar nooit, met klapbanden en zo. Laat ik voor de zekerheid de banden maar even nakijken.’ Hij schopt met zijn schoen tegen een voorband. ‘We zetten hem op de brug. Zo gebeurd.’

‘Nee, nee, hoeft niet. Ik moet nu echt opschieten. Volgens mij is er niets mis met de banden.’

‘Kwestie van een paar minuten,’ zegt hij. ‘Voor de zekerheid.’

‘Ik zei nee. Nee! Volgens mij is er niets mis mee. Ik moet nu gaan, Barry…’

‘Mevrouw Kane?’ ‘Ik moet nu gaan.’

Ik teken iets. Hij geeft me het bonnetje, de kaart, een paar zegeltjes. Ik doe alles in mijn tasje. ‘Doe voorzichtig,’ zegt hij. ‘En tot ziens.’

Als ik moet wachten om in te voegen, zie ik hem in mijn spiegel staan kijken. Ik doe mijn ogen dicht, dan weer open. Hij steekt zijn hand op.

Ik sla bij het eerste stoplicht rechtsaf, sla nog een keer rechtsaf en rijd door tot ik bij de autoweg ben en het bord zie: 87 KM. Het is halfelf en warm.

De weg voert een stuk langs de rand van de stad en loopt dan tussen landerijen, door velden met haver en suikerbieten en appelboomgaarden, met hier en daar kleine kuddes vee die in open weilanden grazen. Dan wordt alles anders: er komen steeds minder boerderijen, het zijn eerder bouwsels dan gebouwen, en houtopstand neemt de plaats van de boomgaarden in. Ineens ben ik in de bergen, en rechts in de diepte vang ik glimpen op van de Naches.

Na een tijdje komt er een groene bestelwagen achter me rijden die kilometers lang blijft hangen. Ik minder steeds op de verkeerde momenten vaart, in de hoop dat hij me passeert, en geef dan weer gas, ook op de verkeerde momenten. Ik klem het stuur zo stijf vast dat mijn vingers er zeer van doen. Op een lang, overzichtelijk stuk weg gaat hij me inderdaad voorbij, maar hij blijft een ogenblik naast me rijden, een man van begin dertig met stekelhaar en een blauw werkhemd, en we kijken elkaar aan. Dan steekt hij zijn hand op, toetert twee keer en rijdt voor me uit weg.

Ik minder vaart en vind een plek, een onverharde zijweg, stop en draai het sleuteltje om. Ergens in de diepte onder de bomen hoor ik de rivier. De zandweg verdwijnt verderop tussen de bomen. Dan hoor ik de bestelwagen terugkeren.

Ik start de motor op het moment dat de wagen achter me stopt. Ik sluit de portieren af en draai de raampjes dicht. Het zweet breekt me uit op mijn gezicht en armen als ik de auto in zijn versnelling zet, maar ik kan geen kant op.

‘Is er iets?’ zegt de man als hij op de auto toe komt lopen. ‘Hallo. Hallo daar.’ Hij trommelt tegen het glas.‘Wat is er?’ Dan legt hij zijn armen tegen het portier en brengt zijn gezicht tot vlak bij het raampje.

‘Het is niet goed hoor, voor een vrouw, om in haar eentje door de verlatenheid te zwerven’

Ik kijk hem strak aan en kan geen woorden vinden. ‘Toen ik je voorbij was, ben ik zachter gaan rijden,’ zegt hij, ‘maar toen ik je niet in de spiegel zag, ben ik langs de kant gaan staan en heb een paar minuten gewacht. Toen je maar wegbleef, dacht ik dat ik beter even terug kon rijden om te kijken. Ben je niet goed? Waarom zit je daar met alles dicht?’

Ik schud mijn hoofd.

‘Draai je raampje even omlaag. Weet je zeker dat er niets is? Nou? Het is niet goed hoor, voor een vrouw, om in haar eentje door de verlatenheid te zwerven.’ Hij schudt zijn hoofd en kijkt naar de weg en dan weer naar mij. ‘Waarom draai je dat raampje nou niet omlaag? Zo kunnen we toch niet praten?’

‘Ik moet weg.’

‘Doe het portier open,’ zegt hij, alsof hij me niet hoort. ‘Draai in elk geval het raampje omlaag. Je krijgt geen lucht zo.’ Hij kijkt naar mijn borsten en benen. De rok is opgekropen tot boven mijn knieën. Zijn ogen blijven hangen bij mijn benen, maar ik durf niet te bewegen en blijf stilzitten. ‘Ik hoef geen lucht,’ zeg ik. ‘Ik wil geen lucht, dat zie je toch?’

‘Kan mij het ook verrotten,’ zegt hij, en hij doet een stap achteruit bij het portier vandaan. Hij draait zich om en loopt terug naar zijn bestelwagen. Dan zie ik hem in de zijspiegel terugkomen, en ik doe mijn ogen dicht.

‘Moet ik niet achter je aan rijden naar Summit of zo? Het maakt mij niet uit. Ik heb de tijd aan mezelf vanochtend.’

Ik schud mijn hoofd weer.

Hij aarzelt en haalt dan zijn schouders op. ‘Dan niet,’ zegt hij.

Ik wacht tot hij bij de weg is en rij dan achteruit. Hij schakelt en trekt langzaam op, me in de gaten houdend via zijn spiegel. Ik blijf staan in de berm en laat mijn hoofd op het stuur zakken.

De kist is dicht, en er liggen allemaal bloemstukken op. Kort nadat ik enigszins achter in de kerk ben gaan zitten, zet het orgel in. Steeds meer mensen, sommige van middelbare leeftijd en ouder, maar de meeste begin twintig of nog jonger, komen binnen en zoeken een plaats. Het zijn mensen die hun kostuum, hun sportjasje met zomerbroek, hun donkere jurk met leren handschoenen onwennig dragen. Op de stoel naast me gaat een jongen zitten in een broek met wijde pijpen en een geel overhemd met korte mouwen, die op zijn lippen begint te bijten. Er wordt in een zijmuur van de kerk een deur opengezet, en als ik opkijk, doet de parkeerplaats me even aan een weide denken, maar vervolgens blinkt het zonlicht van de autoruiten. De familie komt binnen als groep en begeeft zich naar een met gordijnen afgeschermde ruimte aan de zijkant. Stoelen kraken als men plaatsneemt. Een paar minuten later staat er een dikke blonde man in een donker pak op die ons vraagt ons hoofd te buigen. Hij spreekt een kort gebed uit voor ons, de levenden, en als hij klaar is, vraagt hij ons om in stilte voor de ziel van Susan Miller te bidden, de overledene. Ik doe mijn ogen dicht en denk terug aan haar foto in de krant en op de televisie. Ik zie haar de bioscoop uit komen en in de groene Chevrolet stappen. Dan stel ik me haar tocht stroomafwaarts voor, het naakte lichaam dat tegen rotsblokken botst, wordt tegengehouden door takken, het drijvende, draaiende lijk, het haar dat uitwaaiert in het water. Dan de handen en het haar die verstrikt raken in de overhangende takken, vast blijven zitten, tot vier mannen haar komen bekijken. Ik zie een man die dronken is (Stuart?) haar bij de pols pakken. Heeft iemand hier daar weet van? Stel dat deze mensen dat wisten. Ik kijk om me heen naar de andere gezichten. Er is ergens een verband tussen deze dingen, deze gebeurtenissen, deze gezichten – kon ik maar bedenken welk. Ik krijg pijn in mijn hoofd van de moeite die ik doe.

Hij praat over de gaven van Susan Miller: vrolijkheid en schoonheid, gratie en levenslust. Achter het gesloten gordijn schraapt iemand zijn keel, snikt een ander. De orgelmuziek zet in. De dienst is voorbij.

Met de anderen trek ik langzaam langs de kist. Dan ga ik naar buiten, de treden aan de voorzijde af, het felle, hete middaglicht tegemoet. Een vrouw van middelbare leeftijd die trekkend met haar been voor me uit de trap af loopt, kijkt aangekomen op het trottoir om zich heen, en haar oog valt op mij. ‘Nou, ze hebben hem,’ zegt ze. ‘Schrale troost. Ze hebben hem vanochtend gearresteerd. Ik hoorde het op de radio voor ik hier naartoe kwam. Een vent hier uit de stad. Zo’n langharig stuk tuig natuurlijk.’ We lopen een paar meter over het hete trottoir. Auto’s worden gestart. Ik steek mijn hand uit en hou me vast aan een parkeermeter. Het zonlicht schittert van glimmende motorkappen en spatborden. Alles draait voor mijn ogen.‘Hij heeft toegegeven dat hij die avond omgang met haar heeft gehad, maar hij zegt dat hij haar niet vermoord heeft.’ Ze snuift. ‘U en ik weten wel beter. Maar ze zullen hem wel voorwaardelijk veroordelen en laten gaan.’

‘Hij was misschien niet alleen,’ zeg ik. ‘Dat zullen ze toch eerst zeker moeten weten. Hij verzwijgt misschien het aandeel van een ander, een broer, of vrienden.’

‘Ik heb het kind nog als klein meisje gekend,’ gaat de vrouw verder, en haar lippen trillen. ‘Als ze bij me kwam, bakte ik koekjes voor haar die ze voor de tv mocht opeten.’ Ze wendt haar gezicht af en begint haar hoofd te schudden, terwijl de tranen over haar wangen lopen.

3.

Stuart zit aan tafel met een glas voor zich. Zijn ogen zien rood, en even denk ik dat hij gehuild heeft. Hij kijkt me aan en zegt niets. Ik heb ineens het onbesuisde gevoel dat er iets met Dean is, en mijn hart verzakt.

Waar is hij? zeg ik. Waar is Dean? Buiten, zegt hij.

Stuart, ik ben zo bang, zo bang, zeg ik, tegen de deur geleund.

Waar ben je bang voor, Claire? Zeg het me, schat, dan kan ik misschien helpen. Ik zou graag helpen, waag het er maar op. Daar heb je een man voor.

Ik kan het niet uitleggen, zeg ik. Ik ben gewoon bang. Ik heb het gevoel, het gevoel, het gevoel…

Hij drinkt zijn glas leeg en gaat staan zonder mijn ogen los te laten. Volgens mij weet ik wel wat je nodig hebt, schat. Laat mij maar voor dokter spelen, oké? Laat het maar aan mij over. Hij legt een arm om mijn middel en begint met zijn andere hand mijn jasje los te knopen, dan mijn blouse. Alles op zijn tijd, zegt hij in een poging tot een grapje.

Nee, toe, niet nu, zeg ik.

Nee, toe, niet nu, zegt hij plagerig. Niks niet nu. Dan komt hij achter me staan en slaat een arm om mijn middel. Een van zijn handen glijdt onder mijn beha.

Hou op, hou op, zeg ik. Ik stamp hem op zijn tenen.

En dan word ik opgetild en dan val ik. Op de grond gezeten kijk ik naar hem op, en mijn nek doet pijn en mijn rok zit boven mijn knieën. Hij bukt zich en zegt: Steek de moord dan maar, loeder dat je bent. Ik mag lijden dat je kut wegrot eer ik hem nog eens aanraak. Hij snikt één keer, en ik besef dat hij het niet kan helpen, dat hij er ook niets aan kan doen. Als hij wegloopt naar de kamer, voel ik een stroom van medelijden naar hem uitgaan.

Hij heeft vannacht niet thuis geslapen.

Vanmorgen: bloemen, rode en gele chrysanten. Ik zit koffie te drinken als er wordt aangebeld.

Mevrouw Kane? zegt de jongeman met zijn doos bloemen in de hand.

Ik knik en trek de ochtendjas beter dicht bij mijn hals. De man die belde, die zei dat u het wel zou begrijpen.

De jongen kijkt naar mijn ochtendjas, die openvalt bij de hals, en brengt zijn hand naar zijn pet. Hij staat met zijn benen uit elkaar en zijn voeten stevig op de bovenste trede geplaatst, alsof hij me uitnodigt hem daarbeneden aan te raken. Prettige dag verder, zegt hij.

Even later gaat de telefoon en zegt Stuart: Schat, hoe is het met je? Ik ben vroeg thuis, ik hou van je. Hoor je wat ik zeg? Ik hou van je, het spijt me, ik zal het goedmaken. Tot vanavond, ik moet nu opschieten.

Ik zet de bloemen in een vaas midden op de eetkamertafel en verhuis dan mijn spullen naar de logeerkamer.

Gisteravond, tegen middernacht, forceert Stuart het slot van mijn deur. Dat doet hij alleen om me te laten zien dat hij het kan, denk ik, want hij doet verder niets als de deur openspringt: hij staat daar in zijn ondergoed, verbaasd en met zijn mond vol tanden, terwijl de woede uit zijn gezicht wegtrekt. Hij doet de deur langzaam dicht, en even later hoor ik hem in de keuken een laatje ijsblokjes openmaken. Hij belt vandaag om te zeggen dat hij zijn moeder heeft gevraagd een paar dagen bij ons in huis te komen. Ik wacht even en denk hierover na, hang dan op terwijl hij nog praat. Maar even later draai ik het nummer van zijn werk. Als ik hem uiteindelijk aan de lijn krijg, zeg ik: Het maakt niet uit, Stuart. Echt, ik meen het: het maakt hoe dan ook niet uit. Ik hou van je, zegt hij.

Hij zegt nog iets, en ik luister en knik langzaam. Ik voel me slaperig. Dan word ik wakker en zeg: God, Stuart, het was nog maar een kind.

Dit verhaal schreef Raymond Carver in 1985. Het is afkomstig uit de bundel Beginners (Bezige Bij, 2015) en door ons gepubliceerd met toestemming van vertaler Sjaak Commandeur en De Bezige Bij.